de borg

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [bɔrx]
Verbuigingen:  borg|en (meerv.)

1) iemand die belooft dat hij of zij voor je betaalt als je dat zelf niet kunt
Voorbeeld:  `borg staan voor iemand`

2) bedrag dat je eerst moet betalen en later weer terugkrijgt
Voorbeeld:  `Als je een kamer huurt moet je soms borg betalen.`
Synoniem:  borgsom

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
beveiliging borgsom cautie garantie onderpand pand waarborg waarborging waarborgsom

Spreekwoorden en zegswijzen
• tap hem maar borg hem niet (=wantrouw hem)
borgen is geen kwijtschelden (=uitstel is geen afstel)
Naar de spreekwoorden

25 definities op Encyclo
  1. 1> draad of ketting waaraan de laadboom hangt. Zie verder bij hanger 2> willekeurige constructie die bedoelt is om een bepaald onderdeel tegen losraken te behoeden of een...
  2. Groningse benaming voor een (versterkt) adellijk huis
  3. Derde die zich verantwoordelijk stelt voor de terugbetaling van een lening en de coupons indien de emittent in gebreke blijft.
  4. bedrag dat je bij het huren van een apparaat moet betalen, maar weer terugkrijgt als je het inlevert.
  5. toeverlaat
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met borg:
borgdeborgdenborgenborgingborgpenborgpennenborgsomborgsommenborgstellingborgtborgtochtborgtochten

Deze woorden eindigen op borg:
cyborgverborgwaarborg

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. borg (waarborg)
  2. borg = burcht


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `borg`.