de dop

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [dɔp]
Verbuigingen:  dop|pen (meerv.)

1) rond voorwerp om een fles of tube meer af te sluiten
Voorbeelden:  `de dop op de fles doen`,
`schroefdop`

2) harde schil om een noot of vrucht
Voorbeeld:  `de dop van een pinda`

3)
uit je doppen kijken  (opletten waar je loopt) `Je staat op mijn teen. Je moet uit je doppen kijken.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
boerenhuis bolster deksel kaasstolp kapje schaal schil sluitdop stolp stolphuis stulpkooi

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn pen in gal en alsem dopen (=erg negatief of kwetsend schrijven)
• zijn pen in alsem dopen (=erg negatief of kwetsend schrijven)
• pas uit de dop komen (=maar pas ergens aan deelnemen)
Naar de spreekwoorden

13 definities op Encyclo
  1. harde buitenkant of schil vb: de doppen van het ei kunnen in de afvalbak beter een half ei dan een lege dop [beter iets dan niets] een advocaat in de dop [een jongere die...
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-pen), deksel-, schaal waarin iets bevat is; eierdop, notendop enz.; kiekens uit den -, die pas uitgebroed zijn; [figuurlijk] pas u...
  3. eierschaal van vliegend wild
  4. Uit `De lagere vaktalen: Diamantbewerking` 1914 een koperen bakje, gevuld met soldeer, waarin de steen vóór 't slijpen wordt vastgemaakt: brillanteer-, hoeken-, kruis-,...
  5. Uit `De lagere vaktalen: Timmermanstaal` 1914 werktuig om gleuven in hout te kappen.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met dop:
dopedopendoperwtdopheidedopingdopingcontroledopinggebruikdoppendopperdopplereffectdopsleuteldopsleutelsdoptdoptedopten

Deze woorden eindigen op dop:
cacaodopdoodophardopluidopwieldopnotendopoordopeierdopventieldopmoerdop

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. dop (leeg omhulsel, deksel)
  2. dop (slag, merk, precies)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `dop` kennen.