I blameren

werkw.
Verbuigingen:  blameerde
Verbuigingen:  geblameerd

te schande maken, onteren


II blameren

werkw.
Verbuigingen:  blameerde zich
Verbuigingen:  heeft zich geblameerd

in kwaden naam brengen
Voorbeeld:  `Hij heeft zich daarmee danig geblameerd.`


Bron: WikiWoordenboek.

Synoniemen
aanrekenen aanwrijven berispen beschuldigen gispen iemand iets aanrekenen iemand iets verwijten laken nadragen schandaliseren verwijten voorhouden

4 definities op Encyclo
  1. schandelijk behandelden
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: bedrijvend werkwoord gelijkvloeiend (ik blameerde, heb geblameerd), berispen; te recht kan hij daarover worden geblameerd; (ook) te...
  3. 1) Aanrekenen 2) Aanwrijven 3) Berispen 4) Beschuldigen 5) Gispen 6) In kwade roep brengen 7) Laken 8) Nadragen 9) Oneer aandoen 10) Schandaliseren 11) Schande aandoen 12...
  4. berispen Jaar van herkomst: 1265-1270 (CG Lut.K )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
blameren (te schande brengen, kleineren)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 81% van de Nederlanders en 88% van de Vlamingen het woord `blameren`.