Spreekwoorden met `vol`

Zoek

44 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `vol`

  1. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  2. als David zijn volk telde verloor hij de strijd (=tel de winst pas uit bij het einde van de strijd)
  3. als de kan vol is, loopt zij over. (=als je te veel drinkt komt het er weer uit)
  4. als de maan vol is schijnt ze overal (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat zien)
  5. als er één schaap over de dam is, volgen er meer (=als één persoon iets nieuws geprobeerd heeft, durven anderen ook wel)
  6. als het huis volbouwd is breekt men de steigers af (=als het doel bereikt is, vergeet men de helpers)
  7. bij kris en kras volhouden (=bij hoog en bij laag volhouden)
  8. de huid vol schelden (=flink uitschelden)
  9. de lucht hangt nog vol dagen. (=er is tijd genoeg)
  10. de maat is vol (=het wordt niet langer getolereerd)
  11. de volle laag krijgen (=alles over zich heen krijgen)
  12. door het verleden achtervolgd worden (=problemen of fouten van vroeger blijven invloed hebben.)
  13. een volle buik peinst op geen lege. (=iemand die genoeg te eten heeft is niet bezig is met de zorgen van een ander)
  14. er de mond vol van hebben (=praten over de zaken die iemand bezighouden)
  15. er zijn buik van vol hebben (=er genoeg van hebben)
  16. gevolg geven aan (=reageren op)
  17. goed voorbeeld doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  18. goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  19. het is volle bak (=het is helemaal uitverkocht; er zijn heel veel mensen)
  20. hoe later op de avond, hoe schoner volk. (=vriendelijke of juist schertsende verwelkoming van late bezoekers)
  21. hoe later op de avond/dag hoe schoner volk (=schertsend gezegd bij het laat binnenkomen van vrienden of familie)
  22. iemand de huid vol schelden (=iemand uitschelden)
  23. iemand het volle pond geven (=uitvoerig en duidelijk antwoorden)
  24. iemand vol lood pompen (=iemand genadeloos neerschieten)
  25. iemand voor vol aanzien (=iemand serieus nemen en respecteren.)
  26. je volle gewicht in de strijd werpen (=zich er volledig voor inzetten)
  27. kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
  28. lector benevolente (=de welwillende lezer) (Latijn)
  29. liever vrij en geen eten dan een volle buik aan een ijzeren keten. (=vrijheid is een hoger goed dan materiële welvaart.)
  30. men heeft het geluk zo vast als een handvol vliegen. (=geluk komt onverwachts en kan zo weer gaan)
  31. met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
  32. met onbevaren volk is het slecht zeilen (=met onervaren mensen is het moeilijk werken)
  33. niet volgens Lucas. (=niet controleren of iets wel klopt)
  34. op de voet volgen (=stap voor stap volgen)
  35. op een volle buik staat een vrolijk hoofd. (=een volle buik brengt een blij en tevreden humeur.)
  36. vol gas geven (=het zo snel mogelijk doen verlopen)
  37. volente deo (=zo god het wil) (Latijn)
  38. volgens Bartjens (=de allereenvoudigste rekenstof (als referentie aan onderwijzer Willem Bartjens die een bekend rekenboekje schreef))
  39. volgens de regels der kunst (=zoals het hoort)
  40. volgens het boekje (=overeenkomstig de theorie of overeenkomstig de voorschriften)
  41. volle krop, dolle kop. (=dronken mensen doen gekke dingen)
  42. waar het hart vol van is, loopt/vloeit/stroomt de mond van over (=waar men heel erg mee bezig is, daar wil men over praten)
  43. wie naar zijn moeder en vader niet hoort moet het kalfsvel volgen (=wie niet naar zijn ouders luistert, moet soldaat worden)
  44. zo vol als mut (=eivol)

143 betekenissen bevatten `vol`

  1. als de herder dwaalt dolen de schapen (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten)
  2. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
  3. wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten (=als je iets doms doet, moet je de gevolgen dragen (liefst zonder klagen))
  4. je woorden worden weer thuisgebracht. (=als je iets negatiefs zegt kan dat leiden tot negatieve gevolgen voor jezelf)
  5. wie vuur eet schijt vonken (=als men iets gevaarlijks onderneemt krijgt men nare gevolgen)
  6. er voor gaan (=besluiten aan een onzekere onderneming te beginnen en zich er volledig voor in te zetten)
  7. goed uit de verf komen (=beter tot uiting komen of succesvoller zijn dan verwacht.)
  8. bij kris en kras volhouden (=bij hoog en bij laag volhouden)
  9. dat kan het paard niet trekken. (=daar heb ik onvoldoende geld voor)
  10. dat houdt me op de been (=dat zorgt ervoor dat ik door kan blijven gaan; daardoor houd ik het vol)
  11. in de tredmolen lopen (=de dagelijkse sleur volgen - zich onderwerpen)
  12. voor iets moeten bloeden (=de gevolgen moeten dragen)
  13. zo heer zo knecht (=de knechten volgen het voorbeeld van de bazen)
  14. de draad kwijt zijn (=de loop van het verhaal niet meer kunnen volgen)
  15. de boot is aan (=de maat is vol)
  16. regen in mei, dan is april voorbij (=de natuur kiest vanzelf de goede volgorde)
  17. de bijl ligt al aan de wortel (=de straf zal spoedig volgen)
  18. op het eind van de fuik vangt men de vis. (=de volhouder wint)
  19. je schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orde hebben of voldoende hebben om niet meer te hoeven werken)
  20. bezint eer ge begint (=denk goed na over de gevolgen voordat je actie onderneemt)
  21. de gestage drup holt de steen (uit) (=door vol te houden wordt uiteindelijk wel het doel bereikt)
  22. één uur van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit (=één moment van onvoorzichtigheid kan verschrikkelijke gevolgen hebben)
  23. op de koop toe nemen (=een onbedoeld gevolg accepteren)
  24. een ongeluk komt te paard en gaat te voet (=een ongeluk is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan)
  25. brave hendrik (=een persoon die op overdreven wijze de regeltjes volgt)
  26. ongeluk komt zelden alleen (=een tegenslag wordt vaak gevolgd door nog meer problemen)
  27. op een volle buik staat een vrolijk hoofd. (=een volle buik brengt een blij en tevreden humeur.)
  28. wie plast tegen de kerk, gaat gevaarlijk te werk (=een wandaad met verstrekkende gevolgen)
  29. op het veld van eer gevallen (=eervol gesneuveld)
  30. zo vol als mut (=eivol)
  31. als het water zakt, kraakt het ijs (=elke oorzaak heeft gevolgen)
  32. bij de vleet (=er is meer dan voldoende van (vleet was vroeger een groot visnet))
  33. de dood of de gladiolen (=er vol voor gaan, zonder compromissen.)
  34. aan de leiband lopen (=erg volgzaam zijn)
  35. er is geen zalf aan te strijken (=ergens niets aan kunnen doen of geen enkel zinvol advies mogelijk voor iemand)
  36. jezelf tegenkomen (=geconfronteerd worden met de gevolgen van je eigen acties.)
  37. te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken (=geen kind meer, maar nog te jong voor volwassen zaken)
  38. in de piepzak zitten (=geen oplossing weten, Bang zijn voor de gevolgen)
  39. erbij staan voor Jan met de korte achternaam (=geen zinvolle activiteit hebben)
  40. een goed begin heeft een goed behagen maar het eindje zal de last dragen (=goed beginnen is prima, maar je moet volhouden tot het einde)
  41. het uitzingen (=het einde ervan afwachten, het volhouden)
  42. Jan Rap en zijn maat (=het gewone volk)
  43. het is er zo veilig als vlees in een hondenkot (=het is er volkomen onveilig)
  44. daar lusten de honden geen brood van. (=het is volstrekt onacceptabel)
  45. het klopt als een zwerende vinger (=het past goed; het is logisch; het is volkomen juist; er is niets tegen in te brengen. (Equivalent aan: het sluit als een bus.))
  46. het kaf van het koren scheiden (=het waardevolle van het waardeloze scheiden)
  47. de kroon op het werk zetten (=het werk prachtig voltooien)
  48. boontje komt om zijn loontje (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand altijd wel een keer moeten gaan dragen)
  49. van hoop alleen kan men niet leven. (=hoop is belangrijk maar niet voldoende om te slagen in het leven)
  50. het muist al wat van katten komt (=ieder volgt zijn karakter)

50 dialectgezegden bevatten `vol`

  1. 'k ben stenzat (=ik zit helemaal vol) (Westerkwartiers)
  2. 'n balg vol jongn jaagn (=een vrouw bevruchten) (Twents)
  3. 'n haffel (=Een hand vol) (Wells)
  4. 'nen Haffel bòntjes (=Een hand vol sperzieboontjes) (Helenaveens)
  5. 'nne juli mèt vôl zon, völtj kelder en ton (=weerspreuk) (Weerts)
  6. 't boov'mste moet eerst uut de zak (=waar men vol van is praat men over) (Westerkwartiers)
  7. 't eetn vol frieë in de smoake, 'k soe mij ov'reetn moar 'k maage nie, 'k zoe d'r min lipp'n an oflekk'n (=het eten is zeer lekker) (Waregems)
  8. 'T es blang vul (=Het is boorde vol) (Harelbeeks)
  9. 't is ier gelik vandiesie (=het staat hier allemaal vol) (Izegems)
  10. 't is van 'k wil'n en kun nie (=het is vol gebreken) (Nieuwpoorts)
  11. 't ist 't bakche vul (=een plaats die vol is) (Iepers)
  12. 't meer is ok nooit vol (=wie veel heeft wil er nog meer bij) (Westerkwartiers)
  13. 't vol wa natteghied (=een aarzelend begin van een regenbui) (Waregems)
  14. ' t is vol in ' t bloesie (=zij heeft flinke borsten) (Westfries)
  15. ' t meer is nooit vol (=wie al veel heeft wil nog meer) (Westerkwartiers)
  16. A sta mé zenne mond vol tanne (=Hij staat met zijn mond vol tanden) (Mechels (BE))
  17. aa zit mei zaain broek vol goeste (=een geil man) (tervurens)
  18. aal wat de klok slagt (=het is er totaal vol mee) (Westerkwartiers)
  19. aamn ze de koster en ie dee zn broek vol moster (=koster) (Zeeuws)
  20. Aj edeur mej jong vol gedouwe (=Hij heeft haar zwanger gemaakt) (Ossendrechts)
  21. angel haffelke (=heel handje vol) (helmonds)
  22. aofgeloje vol (=barstensvol) (Munsterbilzen - Minsters)
  23. as de moeze zat is, is 't meel bitter. (=wanneer men vol gegeten is, gaat het eten tegenstaan) (Vechtdals)
  24. as ich daaj zien, hëb ich gëaetë en gedroenkë (=van die heb ik buik en ogen vol) (Munsterbilzen - Minsters)
  25. as nen moes zat is, wördt 't mel bitter (=wanneer men vol gegeten is, gaat het eten tegenstaan) (Twents)
  26. aste geen taan hëbs, hoeste ze ook nie te poetse (=veel mensen zouden het fijn vinden als ze ook eens met hun mond vol tanden zouden staan) (Munsterbilzen - Minsters)
  27. bakkë en broje èn de vol zon (=bakken en braden in de volle zon) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. bau ët hat van vol ès, lëp te mond van iëvër (=het is moeilijk niets te laten blijken als je van iets vervuld zijt) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. bau et hat van vol ès, lëpte mond van iëver (=geluk kun je niet voor jezelf houden) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. bijt nog effe op zen taan (=hou nog even vol) (Bilzers)
  31. D'r es een takkeltie dood gereje op de Reewag (=Er is een teckeltje doodgereden op de Reeweg (voorbeeldzin vol woorden die zich er goed toe lenen het Dordts accent te demonstreren)) (Dordts)
  32. d'r gilles nit vol krieëge (=teveel en gulzig eten) (Sjeeter plat)
  33. D' n ha.ls nie vol kunnen kriege (=Niet genoeg kunnen krijgen) (Genneps)
  34. d' r jilles nit vol jenóg krieje (=de buik niet vol genoeg kunnen krijgen) (Kerkraads)
  35. Da schol nie vol (=Dat scheelde niet veel) (Berghems)
  36. da zat dor helemoaal volgepropt (=het zat daar helemaal vol) (Sint-Niklaas)
  37. da zit proppudde vol (=dat zit stampvol) (Sint-Niklaas)
  38. daaj hèt mérren haendsje vol (=ze heeft niet veel voorsteven) (Munsterbilzen - Minsters)
  39. daaj hoch zich (m) bekans besjieëte vanden angs (=die had bijna haar broek vol gedaan uit schrik) (Munsterbilzen - Minsters)
  40. daaj moes wirés én de vol zon ston (=ze moest weer in de belangstelling staan) (Bilzers)
  41. dae haet de tesse good vol (=hij is rijk, hij heeft veel gedronken) (Heitsers)
  42. Dae haet de tesse vol (=Hij is dronken) (Venloos)
  43. dae hèt tërdievël èn zë lijf (=die zit vol vuur !) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. dae zëne kop zit heil vol loch (=die heeft totaal geen hersenen) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. das mei as twei haendsjes vol (=dat is een volle statie!) (Munsterbilzen - Minsters)
  46. dè het tuen veil (=die zit vol met streken) (Susters)
  47. De kó.nt vol schuld hèbbe (=Veel schulden hebben) (Genneps)
  48. de koe steet dreig (=giet nog eens vol) (Munsterbilzen - Minsters)
  49. de koei zit vol (=de koe is zwanger) (Melseels)
  50. de lócht is aan ‘t ujere (=er komt regen aan (ujere: wanneer de uier van een koe vol begint te raken, voordat de koe gekalfd heeft)) (Heitsers)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen