67 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `geven`
- aalmoezen geven verarmt niet (=van een aalmoes te geven wordt men zelf niet armer)
- aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
- acte de présence geven (=ervoor zorgen dat je ergens aanwezig bent)
- de broek lappen en het garen toegeven (=er veel verlies aan overhouden)
- de drie h s meegeven (=iemand (zo mogelijk definitief) wegsturen)
- de nekslag geven (=door iets wordt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan)
- de pijp aan maarten geven (=sterven, ermee ophouden)
- de pijp aan Maarten geven. (=er definitief mee stoppen)
- de toon aangeven (=bepalen welke richting het op gaat)
- een draai aan het verhaal geven (=een hele eigen versie van wat er gebeurd is vertellen)
- een draai aan iets geven (=de waarheid verdraaien)
- een gegeven paard mag men niet in de bek kijken. (=als men een geschenk krijgt, dan moet men niet zoeken of er hier of daar wat aan mankeert.)
- een goede beurt geven (=grondig reinigen, grondig aanpakken)
- een patat geven (=een mep geven)
- een pluim krijgen of geven (=een compliment krijgen of geven)
- elkaar een hand kunnen geven (=zich in een vergelijkbare situatie bevinden)
- er de brui aan geven (=ergens mee ophouden)
- er de maan aan geven (=er de brui aan geven)
- er lucht aan geven (=laten blijken)
- er zijn pink wel voor willen geven (=iets heel graag willen hebben)
- geef, zodat je gevende blijft (=geef niet meer dan dat je kunt missen.)
- geen krimp geven (=niet opgeven, doorgaan zonder te klagen)
- geen teken van leven meer geven (=niets meer van zich laten horen)
- gegeven brokken zijn gauw gegeten. (=weldadigheid gaat meestal niet ver.)
- gevolg geven aan (=reageren op)
- haken en ogen geven (=iets heeft veel moeilijkheden)
- hem van jetje/katoen geven (=er vaart achter zetten)
- het heilig kruis achterna geven (=hopen dat iets of iemand nooit meer terugkomt)
- het in tienen geven (=wedden dat de aangesprokene het niet kan)
- het is niet iedereen gegeven ajuin met droge ogen te schillen (=niet iedereen doet het onaangename met de glimlach)
- het kruis nageven (=hopen dat hij vooral nooit meer weerkomt)
- iemand belet geven (=iemand niet ontvangen)
- iemand de bons geven (=iemand waarmee je een relatie hebt niet meer willen zien)
- iemand de genadeslag geven (=iemand die al in grote moeilijkheden zit nog een probleem erbij geven zodat diegene het niet meer aan kan)
- iemand de pap in de mond geven (=iemand een gemakkelijke oplossing zomaar aanbieden)
- iemand de schop geven (=iemand ontslaan)
- iemand de vrije hand geven (=iemand geheel vrij laten in de wijze waarop hij een opdracht uitvoert)
- iemand de zak geven (=iemand ontslaan)
- iemand een bokking geven (=iemand een standje geven)
- iemand een grote neep geven (=iemand ernstig afbreuk doen)
- iemand een koud bad geven (=iemand kalmeren , illusies ontnemen)
- iemand een vuile mond geven (=iemand uitschelden)
- iemand gehoor geven (=naar iemand luisteren, gevolg geven aan zijn vraag)
- iemand het nakijken geven (=iemand verslaan of achterlaten.)
- iemand het volle pond geven (=uitvoerig en duidelijk antwoorden)
- iemand iets in de mond geven (=iemand de mening van een ander laten geven in plaats van de eigen mening)
- iemand iets op een briefje geven (=ergens heel zeker van zijn)
- iemand iets op zijn brood geven (=iemand onvriendelijk iets verwijten)
- iemand troef geven (=iemand afstraffen)
- iemand van katoen geven (=iemand met een pak slaag of woorden straffen)
137 betekenissen bevatten `geven`
- plat op de buik gaan (=aan iemand toegeven, zich overleveren)
- de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
- achterna kakelen de kippen (=achteraf is het makkelijk kritiek geven)
- van achteren kijkt men de koe in zijn gat (=achteraf is het makkelijk kritiek geven)
- je uitkleden voor men naar bed gaat (=alles weggeven voor men sterft)
- kunst baart gunst. (=als je ergens bedreven in bent zijn anderen toegevender en welwillender)
- iemand in de buik straffen. (=als straf geen eten geven.)
- het is altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
- met alle winden draaien (=altijd iedereen gelijk geven)
- met alle winden meedraaien (=altijd iedereen gelijk geven)
- met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
- de kerk in het midden laten (=bij een meningsverschil geven beide personen wat toe om het eens te worden)
- goede raad is duur (=bijna te moeilijk om raad te kunnen geven)
- dat is een bal voor open doel (=dat is een opmerking waar een zeer voor de hand liggend weerwoord op gegeven kan worden)
- de bal aan het rollen brengen (=de aanzet geven)
- de admiraal heeft geschoten. (=de gastheer heeft het sein gegeven te gaan eten.)
- de lip laten hangen (=de moed opgeven, pruilen)
- het krijt ruimen (=de strijd opgeven, weggaan)
- je oren laten hangen (=depressief zijn, het opgeven)
- wiens brood men eet, diens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
- uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
- de bezem uitsteken (=doen en laten wat men wil als de baas of leidinggevende er niet is)
- reageren met de voeten (=door ergens weg te gaan, weg te blijven of niet meer terug te keren, aangeven dat men niet tevreden is)
- de oren wassen (=duchtig ervan langs geven, de waarheid zeggen)
- iets over zich hebben (=een bepaalde indruk geven)
- een veer op zijn muts steken (=een compliment geven/krijgen)
- een veer op de hoed steken (=een compliment geven/krijgen)
- een pluim krijgen of geven (=een compliment krijgen of geven)
- het zeil (hoog) in de top halen (=een grootse vertoning weggeven)
- iemand de wacht aanzeggen (=een laatste waarschuwing geven)
- advocaat van de duivel spelen (=een mening geven waar je het zelf niet mee eens bent, maar die je geeft om reacties uit te lokken)
- een patat geven (=een mep geven)
- het sop is de kool niet waard (=een onderwerp is te onbelangrijk om er aandacht aan te geven)
- over de knie leggen (=een pak slaag geven)
- iemand op zijn vestje spuwen (=een standje geven en ongenoegen over iemand uiten)
- iemand op de vingers tikken (=een standje geven, berispen)
- het zeil in top zetten (=een zo goed mogelijke vertoning weggeven)
- er de maan aan geven (=er de brui aan geven)
- zoveel geven om iets als een boer om een kers (=er totaal niets om geven)
- daarmee is de kous af. (=er wordt geen aandacht meer aan gegeven)
- iets links laten liggen (=ergens geen aandacht aan geven)
- iets ertegenaan gooien (=ergens geld aan uitgeven)
- een vaantje strijken (=flauw vallen, sterven, het opgeven)
- geen been hebben om op te staan (=geen enkele verantwoording kunnen geven)
- beurs op de knip / Hand op de knip (=geen geld (meer) uitgeven)
- aan elkaar knopen (=gegevens samenvoegen)
- een gat in zijn hand hebben (=geld te gemakkelijk uitgeven)
- een gek en zijn geld blijven nooit lang bij elkaar (=geld uitgeven aan nutteloze en onnodige dingen)
- het is licht dansen op andermans vloer. (=geld van anderen uitgeven is makkelijk.)
- geld over de balk gooien (of smijten) (=geld verspillen, zonder nadenken uitgeven)
50 dialectgezegden bevatten `geven`
- ' k gô minnen beste vriend ies e polleke geven ; 'k gô min petettjes ies afgieten,
'k gô pissen (=ik ga een plasje doen) (Sint-Niklaas)
- 'k goa dn ne wiep tee'n zijn kloôtn geevn (=ik ga hem een trap in zijn kont geven) (Waregems)
- 'k goa eu ne schup in euwen inktpot geven dade al schraavend (schrijvend) vuurtluupt (=iemand bedreigen) (Gents)
- 'K goaj olichte ne droai geev'n (=Nog 1 keer en ik zal u een slag geven) (Harelbeeks)
- 'k Goon a fleus een plak rond aa oeiren geven (=Straks krijg je een oorveeg) (Londerzeels)
- 'k zal a een zwing geven (=ik zal er u van langs geven) (Meers)
- 'k zal dij 'es 'n oplawiebes verkoop'm (=ik zal jou eens een beste klap geven) (Westerkwartiers)
- 'n geev'n peerd maag je niet ien 'e bek kiek'n (=geven - 'n gegeven paard mag je niet in de bek kijken) (Westerkwartiers)
- 'n Pak op pens geev'n (=Op z'n donder geven) (Drents)
- 'n tseentewoareke / seenewoarietsje geev'n (=een kruisje geven op het voorhoofd) (Waregems)
- 't an de katte geevn (=Er de brui aan geven) (Veurns)
- 't bij 'n aaner ien 'e schoen'n schuuv'm (=iemand anders de schuld geven) (Westerkwartiers)
- 't em geevn (=Het aan hem geven) (Hansbeeks)
- 't is beder te geev'm dan te ontvang'n (=men kan beter hulp geven dan hulp nodig hebben) (Westerkwartiers)
- 't op en ander steekn (=iemand anders de schuld geven) (Veurns)
- 't op ze broere steekn (=zijn broer de schuld geven) (Veurns)
- 't sjaelde nie viël of ze hoenge wir èn de gordaajne (=iemand lappen geven zonder dat je stoffen bezit) (Munsterbilzen - Minsters)
- "n opstuetter geewn (=ëen schop geven) (Rijssens)
- (van) pillong geven, er een lap / kartets op geven (=flink aanpakken, vaart maken) (Wichels)
- ' em de bladere aan harreke (=iemand anders de schuld geven) (Westlands)
- ' k Goa plietsepletse doen zan... (=Ik zal je kletsen geven hoor (tegen kinderen) ) (Avelgems)
- a een sjoufelet geven (=een slag geven met de vlakke hand) (Erps)
- Aandacht gaeve zeet dèk mieë es aandacht kriege! (=Aandacht geven zegt vaak meer dan aandacht krijgen!) (Kinroois)
- achteróm is kèrmis (=uitspraak om aan te geven dat je niet aan hoeft te bellen maar gerust achterom mag komen) (Heitsers)
- Afslaage; oep ze bakkes sloage; motte geve; en blauw oeëg sloage; van de roei geve, oep zenne smikkel slage, tege zen schene stampe; onder zijn hol stampe; afdruuëge; zijn hessens inslaage (=slaag geven) (Diesters)
- Afslòn (=Pak rammel geven) (Helenaveens)
- Afsmoren (=Afbedelen van sigaretten en nooit aan een ander geven) (Amsterdams)
- alles viër èn noë gezaag (=alle reden plaats geven) (Bilzers)
- aofpoejere (=rammel geven) (Munsterbilzen - Minsters)
- armvet geven (=werk doen dat kracht vereist) (Waregems)
- as 'n blinde 'n blinde leidt vaal'n ze beid'nt ien 'e sloot (=als een leek anderen uitleg moet geven) (Westerkwartiers)
- as ik oe raoje maag (=als ik je een goede raad mag geven) (Tilburgs)
- aste kèndër sjiks, kraajgste kènder taus (=je kan niet méér terugkrijgen dan je wil geven) (Munsterbilzen - Minsters)
- aw steekn z'er mê nog gewd an toe (=al geven ze me er nog geld bij) (Kaprijks)
- baeter kaa haan dan e kaat hat (=krijgen vult de handen, geven het hart) (Munsterbilzen - Minsters)
- beentje smijdn (=van z'n jetje geven) (Deinzes)
- besjeid zegke (=bericht geven) (Sint-joasters)
- beuzze geiven (=van katoen geven) (Vossems)
- beuzze geven (=hard doorwerken) (Meers)
- bjuëze geevn (=gas geven) (Kaprijks)
- boenke: Da zal boenke geven (=Dat zal stof doen opwaaien) (Lebbeeks)
- buzze geven (=vaart maken) (Sint-Niklaas)
- bözze geven (=van katoen geven) (Wichels)
- d'r op naaijen (=flink gas geven / hard rijden) (Ossies)
- d'r op peeren (=flink gas geven / hard rijden (2) ) (Ossies)
- d'r tegenoan peere (=er een klap tegenaan geven) (Ossies)
- D' r ophouwe oftj stokvês es (=Iemand een stevige aframmeling geven) (Weerts)
- da zek nie (=hieromtrent kunnen wij geen enkele zekerheid geven) (Bredaas)
- Dae es zoee eigewiês, dae zooj 'ne stier 'n kaof aafhaale (=Iemand die nooit toe wil geven) (Weerts)
- Dae höb ich ' ns flink doorgelaote / betrokke (=Een pak slaag geven) (Steins)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen