Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


66 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `geven`

  1. aalmoezen geven verarmt niet (=van een aalmoes te geven wordt men zelf niet armer)
  2. aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
  3. acte de présence geven (=ervoor zorgen dat je ergens aanwezig bent)
  4. de broek lappen en het garen toegeven (=er veel verlies aan overhouden)
  5. de drie h s meegeven (=iemand (zo mogelijk definitief) wegsturen)
  6. de nekslag geven (=door iets wordt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan)
  7. de pijp aan maarten geven (=sterven, ermee ophouden)
  8. de toon aangeven (=bepalen welke richting het op gaat)
  9. een draai aan het verhaal geven (=een hele eigen versie van wat er gebeurd is vertellen)
  10. Een gegeven paard mag men niet in de bek kijken. (=Als men een geschenk krijgt, dan moet men niet zoeken of er hier of daar wat aan mankeert.)
  11. een goede beurt geven (=grondig reinigen, grondig aanpakken)
  12. Een patat geven (=Een mep geven)
  13. een pluim krijgen of geven (=een compliment krijgen of geven)
  14. er de brui aan geven (=ergens mee ophouden)
  15. er de maan aan geven (=er de brui aan geven)
  16. ergens lucht aan geven (=laten blijken)
  17. ergens zijn pink wel voor willen geven (=iets heel graag willen hebben)
  18. geen krimp geven (=niet opgeven, doorgaan zonder te klagen)
  19. geen teken van leven meer geven (=niets meer van zich laten horen)
  20. Gegeven brokken zijn gauw gegeten. (=Weldadigheid gaat meestal niet ver.)
  21. gevolg geven aan (=reageren op)
  22. haken en ogen geven (=iets heeft veel moeilijkheden)
  23. hem van jetje/katoen geven (=er vaart achter zetten)
  24. het heilig kruis achterna geven (=hopen dat iets of iemand nooit meer terugkomt)
  25. het in tienen geven (=wedden dat de aangesprokene het niet kan)
  26. het is niet iedereen gegeven ajuin met droge ogen te schillen (=niet iedereen doet het onaangename met de glimlach)
  27. het kruis nageven (=hopen dat hij vooral nooit meer weerkomt)
  28. iemand belet geven (=iemand niet ontvangen)
  29. iemand de bons geven (=iemand waarmee je een relatie hebt niet meer willen zien)
  30. iemand de genadeslag geven (=iemand die al in grote moeilijkheden zit nog een probleem erbij geven zodat diegene het niet meer aan kan)
  31. iemand de pap in de mond geven (=iemand een gemakkelijke oplossing zomaar aanbieden)
  32. iemand de schop geven (=iemand ontslaan)
  33. iemand de vrije hand geven (=iemand geheel vrij laten in de wijze waarop hij een opdracht uitvoert)
  34. iemand de zak geven (=iemand ontslaan)
  35. iemand een bokking geven (=iemand een standje geven)
  36. iemand een grote neep geven (=iemand ernstig afbreuk doen)
  37. iemand een koud bad geven (=iemand kalmeren , illusies ontnemen)
  38. iemand een vuile mond geven (=iemand uitschelden)
  39. iemand gehoor geven (=naar iemand luisteren, gevolg geven aan zijn vraag)
  40. iemand het heilig kruis achterna geven (=van iemand hopen dat hij nooit meer terugkomt)
  41. iemand het volle pond geven (=uitvoerig en duidelijk antwoorden)
  42. iemand iets in de mond geven (=iemand de mening van een ander laten geven in plaats van de eigen mening)
  43. iemand iets op een briefje geven (=ergens heel zeker van zijn)
  44. iemand iets op zijn brood geven (=iemand onvriendelijk iets verwijten)
  45. iemand troef geven (=iemand afstraffen)
  46. iemand van katoen geven (=iemand met een pak slaag of woorden straffen)
  47. iemand zijn vet geven (=iemand flink de waarheid zeggen)
  48. iets een vernisje geven (=iets opkalefateren)
  49. in het licht geven (=uitgeven - publiceren)
  50. je moet een gegeven paard niet in de mond kijken (=je moet niet te kritisch zijn over cadeaus, of koopjes)

128 betekenissen bevatten `geven`

  1. plat op de buik gaan (=aan iemand toegeven, zich overleveren)
  2. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  3. zich uitkleden voor men naar bed gaat (=alles weggeven voor men sterft)
  4. Iemand in de buik straffen. (=Als straf geen eten geven.)
  5. het is altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  6. met alle winden draaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  7. met alle winden meedraaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  8. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  9. de kerk in het midden laten (=bij een meningsverschil geven beide personen wat toe om het eens te worden)
  10. goede raad is duur (=bijna te moeilijk om raad te kunnen geven)
  11. dat is een bal voor open doel (=dat is een opmerking waar een zeer voor de hand liggend weerwoord op gegeven kan worden)
  12. de bal aan het rollen brengen (=de aanzet geven)
  13. De admiraal heeft geschoten. (=De gastheer heeft het sein gegeven te gaan eten.)
  14. de lip laten hangen (=de moed opgeven, pruilen)
  15. het krijt ruimen (=de strijd opgeven, weggaan)
  16. zijn oren laten hangen (=depressief zijn, het opgeven)
  17. wiens brood men eet, diens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  18. uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  19. De bezem uitsteken (=Doen en laten wat men wil als de baas of leidinggevende er niet is)
  20. reageren met de voeten (=door ergens weg te gaan, weg te blijven of niet meer terug te keren, aangeven dat men niet tevreden is)
  21. de oren wassen (=duchtig ervan langs geven, de waarheid zeggen)
  22. iets over zich hebben (=een bepaalde indruk geven)
  23. een veer op de hoed steken (=een compliment geven/krijgen)
  24. een veer op zijn muts steken (=een compliment geven/krijgen)
  25. een pluim krijgen of geven (=een compliment krijgen of geven)
  26. het zeil (hoog) in de top halen (=een grootse vertoning weggeven)
  27. iemand de wacht aanzeggen (=een laatste waarschuwing geven)
  28. advocaat van de duivel spelen (=een mening geven waar je het zelf niet mee eens bent, maar die je geeft om reacties uit te lokken)
  29. Een patat geven (=Een mep geven)
  30. het sop is de kool niet waard (=een onderwerp is te onbelangrijk om er aandacht aan te geven)
  31. over de knie leggen (=een pak slaag geven)
  32. iemand op zijn vestje spuwen (=een standje geven en ongenoegen over iemand uiten)
  33. iemand op de vingers tikken (=een standje geven, berispen)
  34. het zeil in top zetten (=een zo goed mogelijke vertoning weggeven)
  35. er de maan aan geven (=er de brui aan geven)
  36. zoveel geven om iets als een boer om een kers (=er totaal niets om geven)
  37. van je buik een afgod maken (=erg veel geld uitgeven aan lekker eten en drinken)
  38. iets links laten liggen (=ergens geen aandacht aan geven)
  39. een vaantje strijken (=flauw vallen, sterven, het opgeven)
  40. geen been hebben om op te staan (=geen enkele verantwoording kunnen geven)
  41. beurs op de knip / Hand op de knip (=geen geld (meer) uitgeven)
  42. aan elkaar knopen (=gegevens samenvoegen)
  43. een gat in zijn hand hebben (=geld te gemakkelijk uitgeven)
  44. een gek en zijn geld blijven nooit lang bij elkaar (=geld uitgeven aan nutteloze en onnodige dingen)
  45. geld over de balk gooien (of smijten) (=geld verspillen, zonder nadenken uitgeven)
  46. geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
  47. zijn zegel aan iets hechten (=goedkeuring of toestemming ergens aan geven)
  48. iemand uit de loog borstelen (=hem nieuwe kleren geven)
  49. zich laten kennen (=het (al te vroeg) opgeven)
  50. zich laten kisten (=het (al te vroeg) opgeven)

Het dialectenwoordenboek kent 198 spreekwoorden met `geven`

  1. kemzekes: smeiring geven, aftoepen (=rammeling geven)
  2. Aalsters: sirkonfleks geiven (=mep geven)
  3. Lovendegems: petrolgeven (=gas geven*)
  4. Vrasens: een mot geven (=een slag geven)
  5. Merenaars: der ne skip in geven (=een benaderende oplossing geven)
  6. Hulsters (NL): gèijn asum geven (=geen antwoord (willen) geven)
  7. Waaslands: hem een goeie dussing geven (=hem slagen geven)
  8. Ledegems, Kappels: een toppeire geven (=een klap op het hoofd geven)
  9. Munsterbilzen - Minsters: onner zen fiaul stampe (='n flinke trap geven)
  10. Ossies: D'r tegenoan peere (=Er een klap tegenaan geven)
  11. Sint-Niklaas: voeieren (=eten geven aan beesten)
  12. Geluws: kgoa mènsche maken (=ik ga een teken geven)
  13. Westerkwartiers: één van ketoen geev'm (=iemand een standje geven)
  14. Drents: 'n Pak op pens geev'n (=Op z'n donder geven)
  15. Loksbergs: oep zen klitsen sloen (=pak rammel geven)
  16. Munsterbilzen - Minsters: ferm traut pëdalle (=gas geven)
  17. Deinzes: beentje smijdn (=van z'n jetje geven)
  18. Veurns: ze ,kop nie geev'n (=zich niet gewonnen geven)
  19. Lebbeeks: pellong: Pellong geven (=Er vaart in zetten)
  20. Sint-Niklaas: buzze geven (=zich haasten)
  21. Steins: Dae höb ich 'ns flink doorgelaote / betrokke (=Een pak slaag geven)
  22. Westerkwartiers: één de nekslag geev'm (=iemand de genadeklap geven)
  23. Westerkwartiers: één wat aan de haand doen (=iemand een goede tip geven)
  24. Munsterbilzen - Minsters: zau smijte ze de kiëning zen haase ook (=geven en niet gooien !)
  25. Mols: petrol geven (=gas geven)
  26. Zottegems: iemand ne stamp tegn zijn intpot geven dat hij al schrijven vurtlupt (=iemand een ferme schop tegen zijn achterste geven)
  27. Oudenbosch: die motte nie de lengte geve (=die moet je niet de kans geven)
  28. Sint-Niklaas: ge kun ne kei 't vaal nie afstropen (=die niet heeft kan niet geven)
  29. Westerkwartiers: de liefde ken niet van één kaant komm'n (=men moet geven en nemen)
  30. Rotterdams: Mot ik die soms met me pik open make.. (=Flesje bier geven zonder opener)
  31. Arnhems: Knal recht op de bek veur! (=Een klap op het gezicht geven.)
  32. Westerkwartiers: 't bij 'n aaner ien 'e schoen'n schuuv'm (=iemand ander de schuld geven)
  33. Munsterbilzen - Minsters: iemes n goej watsj tiëge de aure gaeve (=iemand een draai rond de oren geven)
  34. Vejels: Ik gen diee is in kadere (=Ik zal die is een pak slaag geven)
  35. Zwols: ik zal em een snoeverd gèven (=ik zal hem een uitbrander geven)
  36. Munsterbilzen - Minsters: de moes nie op ielke slek zaat wille lègge (=je moet niet overal commentaar op geven)
  37. Westfries: niet op skuiffies laupe (=ook zelf eens een rondje geven hoor!)
  38. Munsterbilzen - Minsters: ën goej sjroemp krijge/gaeve (=een veeg uit de pan krijgen/geven)
  39. Sint-joasters: besjeid zegke (=bericht geven)
  40. Bilzers: zen bille opwaerme (=rammel geven)
  41. Munsterbilzen - Minsters: aofpoejere (=rammel geven)
  42. Walshoutems: toeffeling dree (=Oorvijg geven)
  43. Venloos: De worm zaegenen (=Standje geven)
  44. Giesbaargs: plansjee geven (=rap, snel, heel vlug rijden)
  45. Aspers: Een beetse scheute geven (=Iets doen aflopen)
  46. Veurns: Etwien e smoetstute geven (=Iemand een kinwreef geven)
  47. Veurns: beschid geev'n (=bescheid geven)
  48. Bilzers: van ketaun gaeve (=gas geven)
  49. Veurns: slunse geev'n (=slunse geven)
  50. Heels: èt trumptj (=kleine klok wordt geluid om aan te geven dat de mis over .... minuten gaat beginnen.)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen