Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `scheld`

  1. borgen is geen kwijtschelden (=uitstel is geen afstel)
  2. de huid vol schelden (=flink uitschelden)
  3. iemand de huid vol schelden (=iemand uitschelden)

6 betekenissen bevatten `scheld`

  1. een streep door de rekening halen (=de schuld van iemand kwijtschelden en het er niet meer over hebben)
  2. genade voor recht laten gelden (=de straf kwijtschelden)
  3. de huid vol schelden (=flink uitschelden)
  4. iemand de huid vol schelden (=iemand uitschelden)
  5. iemand een vuile mond geven (=iemand uitschelden)
  6. iemand uitmaken voor rotte vis (=iemand uitschelden voor alles wat mooi en lelijk is)

Het dialectenwoordenboek kent 26 spreekwoorden met `scheld`

  1. Venloos: die kieft wie ein alde hieëp (=scheldende vrouw)
  2. Moes: vanover 't wauter (=de overkant van de schelde)
  3. Riemsts: sjokoantkoat (=oude vrouw (scheldnaam))
  4. Brakels: zijn zoaleggiet geev'n (=iemand scheldend op zijn plaats zetten)
  5. Riemsts: ti tè kinneke (=klein kind (scheldnaam))
  6. Antwerps: Een waterkieken, of een watergeest (=Inwoner van een dorp aan de overkant van de schelde)
  7. Amsterdams: Kankerlijer, Pleurislijer, Pokkelijer, Takkelijer, Teringlijer, Tyfuslijer, Kolerelijer, Klerelijer (=Verwensingen, scheldwoorden met ziektes)
  8. Brugs: Je passèèrt lik de schelde (=Hij gaat onverstoorbaar door)
  9. Waregems: ie moest het gemeug'n (=hij kreeg de volle lading (scheldwoorden))
  10. Westerkwartiers: woarom schels't mij uut (=waarom scheld je mij uit)
  11. Sint-Niklaas: vuil aa ros (=venijnige vrouw (= scheldwoord))
  12. Lichtervelds: ze verwiettn mekoar toar van undr oîfd (=ze schelden op elkaar)
  13. Brugs: dwoaze gèite (=scheldwoord tegen een dom meisje/vrouw)
  14. Zwols: IJ skeld oe de pokkel vol (=Hij scheld je de huid vol)
  15. Gavers: zijn geld in de schelde smijten (=zijn geld verkwisten)
  16. Steins: dao vrit geinen hòntj broead van (=wordt gezegd over de scheldwoorden die iemand te horen krijgt.)
  17. Budels: zieje mich, oet an schélle? (=ben je mij uit aan het schelden?)
  18. Steins: Emes get nao de kop goeaije / slingere (=Iemand de huid vol schelden)
  19. Roois (Sint-Oedenrode): Skijndelse skenenskuppers (=scheldwoord voor mensen uit Schijndel, ivm hun uitspraak van 'sch-')
  20. Lokers: Pietje van de vaalde, scheet in de Schaalde(schelde), wa dreeft ter doar int roond, Pietsjen zijne stroont (=Lokers rijmpje)
  21. Wommersoms: arrem schoop! (=arm schaap (vaak in context van schelden en vernedering))
  22. Lokers: Ei rosten, oeveel kosten au wosten? (=Om een roodharige uit te schelden)
  23. Leids: Je ken een kind krijgen met een roodkopere kop dan ken je je de kolere poetsen juh! (=schelden)
  24. Tilburgs: schèène doe nie zeer èn schuppe hèddet hart nie ! (=schelden doet geen pijn, en schoppen durf je toch niet !)
  25. Steins: emes de pókkel vol sjelje (=iemand de huid vol schelden)
  26. Giethoorns: De pochel vol schelden (=Flink de waarheid zeggen en niet op een vriendelijke manier)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen