Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `plas`

  1. er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is)
  2. ergens je eigen plasje overheen doen (=iets een beetje veranderen zodat helemaal naar je zin is. In werksituaties kan dit soms uit de hand lopen, als er veel belanghebbers zijn die allemaal hun eigen plasje over een document willen doen. Het kan dan resulteren in een onleesbare tekst.)
  3. wie plast tegen de kerk, gaat gevaarlijk te werk (=een wandaad met verstrekkende gevolgen)

4 betekenissen bevatten `plas`

  1. De aardappelen afgieten (=Een plasje doen door heren)
  2. Het veulen laten draven. (=Gaan plassen)
  3. ergens je eigen plasje overheen doen (=iets een beetje veranderen zodat helemaal naar je zin is. In werksituaties kan dit soms uit de hand lopen, als er veel belanghebbers zijn die allemaal hun eigen plasje over een document willen doen. Het kan dan resulteren in een onleesbare tekst.)
  4. het in zijn broek doen (=in de broek plassen van schrik of van het lachen)

Het dialectenwoordenboek kent 67 spreekwoorden met `plas`

  1. Munsterbilzen - Minsters: e piske plassiëre (=plassen)
  2. Drents: miegen, meg, megen (=plassen - plaste - geplast)
  3. Waregems: 'n pieske doen (=een plasje maken)
  4. Mestreechs: toen pisse plasse woord is 't gezeik begonne (=toen pissen plassen werd is het gezeik begonnen)
  5. Westlands: de gait verzetten (=even een plasje doen)
  6. Elspeet: de geit verzetten (=plasje gaan doen)
  7. Zaans: eve de gait verpenne (=even een plasje doen)
  8. Twents: ie miegt mie an de koar (=je plast tegen mijn auto)
  9. Tilburgs: ze mos pisse zi ze en mêe toen ze zaat toen zêek ze! (=ze moest plassen zei ze en meteen toen ze zat toen plaste ze.)
  10. Munsterbilzen - Minsters: ze geld plassiëre (=geld beleggen)
  11. Herns (Herne, VL-B): in oij annen plaschen (=in zijn handen klappen)
  12. Tilburgs: toen piesse, plasse wier, is-ut gezèèk begonne (=toen pissen, plassen werd, is het gezeik begonnen ( roomser zijn dan de paus van Rome)
  13. Veurns: ze broertje een andje geev'n (=plassen)
  14. Bathmens: de geite verzett'n (=plassen)
  15. Munsterbilzen - Minsters: ze wiëdsje plassiëre (=zijn zeg doen)
  16. Aalsters: plasjt insj in eir annen! (=Klap eens in jullie handen!)
  17. Zelzaats: Mietje Stroel (=Het meisje dat plaste waar het haar paste)
  18. Astens: d erpel afgiejte (=plassen)
  19. Drents: de geite verstikken (=plassen)
  20. Zaans: de goit verzetten (=plassen)
  21. Brugs: de petatten afgietn (=plassen)
  22. Brabants: de geit verpinne (=gaan plassen)
  23. Astens: de muk loate drinke (=plassen)
  24. Weerts: z'n aerpel aafschödde (=plassen)
  25. Rotterdams: Me zwager een hand geven (=plassen)
  26. Temse: hij zat opt plassier (=hij zat op het voetpad)
  27. Merenaars: a es plasje zot (=iemand die volledig gek is)
  28. Hams: gou piest iest ies (=ga eerst eens plassen)
  29. Drents: ik gao de sik verzett;n (=ik ga plassen)
  30. Diesters: ich hem hoog water (=ik moet dringend plassen)
  31. Eindhovens: Ik moet pisse ! (=Ik moet plassen !)
  32. Merenaars: alle boeëten elpen, zei de moosj en ze piste in de zjië (=alle baten helpen zei de mug en ze plaste in de zee)
  33. Ossies: hij zit te kijke es 'n hiete gelt die in 't stroi zêkt (=hij zit te kijken als een hete gelt die in het stro plast)
  34. Westerkwartiers: alle beetjes help'n zee 't wicht, en plaste ien zee (=alle kleine beetjes helpen)
  35. Gents: tes (h)uug woater (=dringend moeten plassen)
  36. Sallands: ik mut eemn de jappel of gietn (=ik moet plassen)
  37. Munsterbilzen - Minsters: ich gonnem éssen hensje gaeve (=ik ga plassen)
  38. Hunsels: Zeik wie ein Belsj kinjermaedje (=Heel erg moeten plassen)
  39. Elspeet: Teegn de wiend in sniesteren (=Tegen de wind in plassen)
  40. kortemarks: jis de patattn goan ofpeurn (=hij is gaan plassen)
  41. Schulens: ich goan men petètten afgiete (=ik ga plassen)
  42. Sint-Niklaas: ' k gô minnen beste vriend ies e polleke geven ; 'k gô min petettjes ies afgieten, \r\n'k gô pissen (=ik ga een plasje doen)
  43. Heerlens: juu pead, de kar hat zeek (=ik moet plassen)
  44. Fries: ik moat mige (=ik moet plassen)
  45. Susters: pis op höbbe wie eine sjoester (=nodig moeten plassen)
  46. Koersels: Alle hondsgezeek motte pisse (=Zeer vaak moeten plassen)
  47. Munsterbilzen - Minsters: waaj pisse 'plasse' wont, èst gezeek gegonne (=toen het serieus werd, is de ellende begonnen)
  48. Ninoofs: z'emmen em ne plasj in d'and gegeven (=ze hebben hem (te) weinig betaald)
  49. Sallands: ik mut wat doe'n wat 'n kippe niet kan (=ik moet plassen)
  50. Moes: zijn potatten goan afgieten (=gaan plassen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen