Spreekwoorden met `ow`

Zoek

3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ow`

  1. dat is een ver-van-mijn-bedshow (=dat is iets waar ik me helemaal niet mee bezighoud; dat is iets dat op grote afstand van hier gebeurt)
  2. een vogel zingt zowel van armoe als van weelde. (=je kan positief zijn onder alle omstandigheden)
  3. op een strowis komen aandrijven (=helemaal berooid en arm ergens komen)

2 betekenissen bevatten `ow`

  1. het gaat zo zijn gangetje (=het verloopt rustig, zonder ups en downs)
  2. klagers hebben geen nood en pochers hebben geen brood (=zowel klagers als pochers kunnen de zaken nogal eens overdrijven)

50 dialectgezegden bevatten `ow`

  1. 't ee'ter ow de schijn van da ... (=het lijkt er wel op dat ...) (Kaprijks)
  2. 't Giet ow goed, bi'j al wa-j doet. (=Het gaat je goed, bij alles wat je doet.) (Vechtdals)
  3. 't is ow vel in bieën [vel en been] (=hij / zij is graatmager) (Kaprijks)
  4. A'j neet oppast, houw / bater ik d'r ow ene veur de plate veur! (=Als je niet oppast, krijg je klappen!) (Aaltens)
  5. A'j neet oppast, houw ik ow de hassens in! (=As je niet oppast, sla ik je schedel in!) (Aaltens)
  6. A'j niks zegt, verstao ik ow 't best (=Iemand de mond snoeren) (Achterhoeks)
  7. a'j ow van 't domme hold hoe'j ow ok niks te verantwoordn. (=als je niet te veel zegt / doet kan men je ook niet beschuldigen) (Vechtdals)
  8. A'j ow waart veur't aoverdeudige , dan hol i'j genog veur't neudige. (=Overdaad) (Achterhoeks)
  9. án ów nákse vot / koont (=je kunt me wat!) (Horster)
  10. As ów kó.nt nie vast zat, zowde ze nog kwietraake (=Kritiek op slordig persoon) (Genneps)
  11. bekiek 't ow maor (=zoek het uit) (Achterhoeks)
  12. Blief met de klamotten d’r af , of ik krieg ow be’j de klammieten. (=Blijf met de vingers er vanaf anders pak ik jou) (achterhoeks)
  13. Daor motte ow vûr ware (=Daar moet je voor uitkijken) (Wells)
  14. dè git och tigen oawe boksezolder / ... tegen ow zjat (=dat gaat helemaal niet) (Overpelts)
  15. de soeter drif ow oaver de ves (=je heb geknoeit met sap op jouw kleren) (Diems)
  16. Den vret ow de hafer uut de kanne. (=Die is mager.) (Aaltens)
  17. Doo wat ow good döch (=Als je kiezen moet) (achterhoeks)
  18. Doo wat ow good döch. (=Doe wat je het beste lijkt.) (Aaltens)
  19. Drek pérek ow tegen owen appel / sebiet hedde lappe (=Sebiet krijg je slaag) (Leopoldsburgs)
  20. een planke mee'n ow in (=ze is graatmager) (Kaprijks)
  21. En ik wal veur ow met. (=Ik weet het zeker.) (Aaltens)
  22. gee ów toe doeë. (WT) (=De slaap niet vatten) (Mechels (NL))
  23. gieënn schjup in zijn ow wièrt (=niets waard zijn) (Kaprijks)
  24. Hadde 't mar ien ów kó.nt, dan kónde 't uutschiete (=opmerking bij klachten) (Genneps)
  25. He'j 't warm. kroep in'n darm. He'j 't kold: kroep in't holt. He'j dös, gao naor Jan Terhös. Den hef 'n hundjen, den pies ow lieke in't mundjen (=Als iemand klaagt over de warmte) (achterhoeks)
  26. heej kiekt òw net án of-ie 't ien Kölle huuërt doondere (=hij kijkt je net aan alsof hij het in Keulen hoort donderen) (Venrays)
  27. hi drigt ug gen huj in ow schoen (=van hem krijg je niets) (Budels)
  28. ik holle van oew, ik mag ow geerne (=ik hou van jou) (Achterhoeks)
  29. Ik schiet ów wat (=Vergiet het maar) (Genneps)
  30. ik schoppe ow voor de schennepiepe (=Ik schop jou voor het scheenbeen.) (Achterhoeks)
  31. ik sloa oe subiet meepesaant mee ow bakkus tege denne kaaibaand (=Als je niet uitkijkt sla ik je tegen de stoeprand) (Tilburgs)
  32. Ik zal ow de vleu wal 's afvangen! (=Ik zal je weleens leren!) (Aaltens)
  33. ik zit nèvve ow (=ik zit naast je) (Oeffelts)
  34. Is ow den aak gon drieven (=Is je de aak gaan drijven) (Ostêns)
  35. Kem ow haor us besijen uit (=Kam je haar eens naar de zijkant) (Kerkdriels)
  36. Liefde is een prikkel an’t hart waor i-j ow neet krappen könt (=Liefde) (Achterhoeks)
  37. Mak ow doar toch nie zön dikke been oaver (=Maak je toch niet zo druk) (Siebengewalds)
  38. mej ow turftraaiers (=met je grote lompe poten) (Budels)
  39. Mo’k bi-j ow kom’m ! (=Als je niet snel doet wat ik zeg) (Achterhoeks)
  40. moest-et ow weedn (=je moest eens weten) (Kaprijks)
  41. mot ik bi-j ow kommen (=als je zo doorgaat kan je een oplawaai verwachten) (Achterhoeks)
  42. ów 't laplazerus ..... (=zich te pletter .....) (Horster)
  43. ow daë zegt, zijë zewve (=de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet) (Kaprijks)
  44. ow goed wies kapot hebbe (=Niet goed snik zijn) (Genneps)
  45. ow ha vur get (=Ergens kijk op hebben) (Epens)
  46. ow haand oétstéke (=je hand uitsteken) (Overpelts)
  47. Ów ku.ntje vie.rt kèrmes (=billenkoek krijgen) (Genneps)
  48. ow tegoare (=alles bij mekaar) (Kaprijks)
  49. Ówe pap is ów mam. Ów vader is ów moder (=uw vader is uw moeder) (Horster)
  50. Pas op of ik pak ow bi'j 't strötjen bi'j! (=Pas op of ik pak je bij de hals!) (Aaltens)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen