Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


39 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `hond`

  1. 't Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten wordt. (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest.)
  2. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan. (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden.)
  3. als honden konden bidden zou het kluiven regenen. (=als is een niet ter zake doende opmerking.)
  4. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien. (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren.)
  5. als twee honden vechten om een been loopt de derde ermee heen (=een derde profiteert van de ruzie van twee anderen)
  6. bekend staan/zijn als de bonte hond met de blauwe staart (=berucht)
  7. blaffende honden bijten niet (=zij die het hardst roepen, zijn het minst gevaarlijk)
  8. commandeer je hond en blaf zelf (=dat bevel weiger ik uit te voeren)
  9. de boel in het honderd sturen (=in de war maken/verstoren)
  10. de hond de jas voorhouden. (=iemand valse hoop geven op iets dat hij graag wil hebben.)
  11. de hond in de pot vinden. (=te laat zijn voor het eten (alles is op).)
  12. dode honden bijten niet (al zien ze lelijk). (=van doden is geen gevaar te duchten.)
  13. een gek kan meer vragen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden (=op gekke of onverwachte vragen weet men meestal het antwoord niet)
  14. een knuppel in het honderd gooien (=kritiek geven zonder namen te noemen)
  15. een stok vinden om de hond te slaan (=om maar iemand te kunnen bekritiseren een nadelig punt vinden)
  16. er was geen hond/kat/kip (=er was niemand)
  17. er zijn meer hondjes die Fikkie heten (=er zijn meer mensen/etc met dezelfde naam)
  18. het bekomt hem als de hond de knuppel na het stelen van de worst. (=het valt hem zwaar tegen.)
  19. het is er zo veilig als vlees in een hondekot (=het is er volkomen onveilig)
  20. het loopt in't honderd (=het gaat helemaal mis)
  21. hondenweer (=zeer slecht weer)
  22. huilen als een hofhond (=erbarmelijk tekeer gaan)
  23. in het honderd sturen/lopen (=de boel met opzet mis laten lopen, in de war laten lopen)
  24. je moet geen slapende honden wakker maken. (=beter niet over een bepaald onderwerp beginnen / je moet aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen)
  25. komt men over de hond, dan komt men over de staart. (=als de grootste moeilijkheden overwonnen zijn, dan komt de rest vanzelf.)
  26. men moet geen slapende honden wakker maken. (=zwijgen over iets, om te voorkomen dat een autoriteit op het idee komt om er werk van te maken.)
  27. met onwillige honden is het slecht hazen vangen. (=het is moeilijk om samen te werken met mensen die niet willen)
  28. slapende honden wakker maken (=de aandacht vestigen op een sluimerend probleem dat je nadeel kan berokkenen)
  29. trillen als een juffershondje (=van angst trillen)
  30. veel honden zijn der hazen dood (=voor de overmacht moet men wel bezwijken)
  31. vrienden in de nood honderd in een lood (=in nood kent men zijn vrienden)
  32. vrienden in nood, honderd in een lood. (=wanneer er zich problemen voortdoen laten vrienden je vaak in de steek)
  33. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen. (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt.)
  34. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok. (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden.)
  35. wie met honden omgaat, krijgt vlooien. (=wie in slecht gezelschap verkeert, neemt slechte gewoonten over.)
  36. wie zich voor hond verhuurt, moet de botten kluiven. (=wie zich onderdanig gedraagt, wordt als knecht behandeld.)
  37. zo scheel als de hondenwacht (=zeer scheel)
  38. zo welkom als een hond in de keuken (=absoluut niet welkom)
  39. zo ziek als een hond zijn. (=zeer ziek zijn, doodziek op bed liggen.)

2 betekenissen bevatten `hond`

  1. het in de gorten laten lopen (=het in het honderd sturen)
  2. het in de gort jagen (=in het honderd sturen)

Het dialectenwoordenboek kent 127 spreekwoorden met `hond`

  1. Fries: hunekop (=hondenhoofd)
  2. Harelbeeks: Ie zoe 'n kleutte in twië bytt'n (=hij is hondengierig)
  3. Bilzers: hoenger waaj e piëd (=grote honder)
  4. Koersels: alle honds gezeik (=dikwijls)
  5. Roois (Sint-Oedenrode): Elk hondsgezeik (=Steeds)
  6. Dunges: vur ieder hondsgezèik (=voor elk ditje en datje)
  7. Munsterbilzen - Minsters: op zen honderdoezeste gemaok (=zeer, zeer traag)
  8. Ursels: woar dat er zulken hondn bassn zijn der menschen thuis (=waar men dit geluid hoort (van blaffende honden) zijn er mensen thuis)
  9. Peers: alle hondsgezèke (=veelvuldig, herhalend, alle 5 voet)
  10. Arendonks: op zijn honderdduizendste gemakken (=zeer,zeer traag)
  11. Balens: alle honds gezaiken (=om de haverklap)
  12. Koersels: Alle hondsgezeek motte pisse (=Zeer vaak moeten plassen)
  13. Lommels: elk hondsgezeik (=om de haverklap)
  14. Westerkwartiers: doar lust'n de hond'n gien brood van (=dat is wel heel erg)
  15. Westerkwartiers: die kirrel het 'n hondeboan (=die man heeft een slechte baan)
  16. Antwerps: Mè ieël Antwaarpe, mô ni me mijë. Me honderdduzend Chineze, mô ni met den deze. (=Met mij wordt niet gespot.)
  17. Bilzers: merie haat zenen hond vas, seffes bitter mich, ich zégettich, honderd frang vür mich (=gerechtigheid zal geschieden)
  18. Tilburgs: hoen hundje han ze daor (=wat voor een hondje hadden ze daar)
  19. Westerkwartiers: most gien sloap'nde hond'n wakker moak'n (=je moet niet iemand attenderen op . . .)
  20. Roermonds: jong, doe moogs miene hondj nog neet zeen !! (=jij bent niet mijn vriend)
  21. Sallands: waor he-j 'n hond laot'n ? (=waar is jouw hond)
  22. Klemskerks: feteurlik, zei tn, en je reeë' med een oendekarre (traditionele zei-spreuk, gebruikt als humoristische woordspeling op 'natuurlijk!' in de zin van 'uiteraard, vanzelfsprekend') (=voituurlijk, zei hij, en hij reed met een hondenkar)
  23. Bosch: nie zo haffelen mee da hundje... (=laat dat hondje nou eens met rust..)
  24. Zeeuws: ùnont (=een hond)
  25. Munsterbilzen - Minsters: er hèt nog mètte hondskaar gerieje (='t is al zo een ouderwets type)
  26. Utrechts: Ažžie altijd grom, heije 'n hondeleve (=Als je altijd moppert, zie je de zon niet meer)
  27. Munsterbilzen - Minsters: ne graute mond, mèr e kleen hatsje (=blaffende honden bijten niet)
  28. Westerkwartiers: die hond dut niks heur (=die hond doet niets hoor)
  29. Rotterdams: Ze motte z'n hart gekookt op z'n rug hange, maar wel een beetje laag zodat de honde derbij kenne (=iemand niet niet aardig vinden)
  30. Sallands: 'n hond uutlaotn (=de hond uitlaten)
  31. Munsterbilzen - Minsters: ènt honderd jaoge (=in de war sturen)
  32. Drents: Een dunderbui in de gaste brengt de boer honderd gulden in de kaste. (=Weerspreuk)
  33. Bilzers: en honderd ès geen één (=enzovoort, enz., enz...)
  34. Leids: Hij hep een goed hart. Ut had alleen gekookt op sun rug moete hange. Zo hoog dat de honde erbij kunne. (=Iemand is niet aardig)
  35. Munsterbilzen - Minsters: hae hoch et pak on zen been (=de expediteur stuurde alles in 't honderd)
  36. Sallands: 'n rundie mit 't hundie. (=de hond uitlaten.)
  37. Merenaars: vuile rojjigen ond (=vieze smerige hond)
  38. Rotterdams: ouwe dibus (=trouwe kameraad ( wordt vaak van honden gezegd))
  39. Veurns: oen(d)s die bass'n biet'n nieë (=blaffende honden bijten niet)
  40. Zeeuws: 't spuugt kattn en ondn (=het spuugt katten en honden)
  41. Luyksgestels: 't is ginnen oard (=daar lusten de honden geen brood van)
  42. Munsterbilzen - Minsters: Merie haat zenen hond vas, seffes bitter mich, ich zèg et tich, honderd frang vür mich (=als hij me bijt, hé (kinderrijmpje))
  43. Arendonks: g'et honderd (=je mag ophouden)
  44. Vechtdals: 'n röndtie met 'n höndtie (=de hond uitlaten)
  45. Sint-Niklaas: ou do koes (=stil zijn (tegen hond))
  46. Rotterdams: Hij is schaloos (=Een zwerver of los lopende hond)
  47. Munsterbilzen - Minsters: wie langer daste getraud bès, wie liever daste zenen hond zies (=een hond is een getrouw dier)
  48. Westerkwartiers: ik zal dij de hond aanhiez'n (=ik zal je bangmaken met de hond)
  49. Bilzers: zoe zik as nen hond\r\nhondszik (=zo ziek als een hond)
  50. Lommels: en honderd is gin éjen (=en ga zo maar door)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen