Spreekwoorden met `op tijd`

Zoek

Eén spreekwoord bevat `op tijd`

  1. op tijd en stond (=ten gepasten tijde, af en toe)

2 betekenissen bevatten `op tijd`

  1. poot-aan spelen (=hard doorwerken (om op tijd te zijn))
  2. een man van de klok zijn (=iemand die steeds precies op tijd is)

39 dialectgezegden bevatten `op tijd`

  1. Alle moders zeen bliej es hun kindj op tied en lang genóg slieëptj. (=Alle moeders zijn blij wanneer hun kind op tijd en lang genoeg slaapt.) (Kinroois)
  2. an tijds (=stipt op tijd) (Waregems)
  3. dan mot oeweige betets late n-ore (=als je het maar op tijd laat weten) (Oudenbosch)
  4. dat was op 't hap-zegg'n (=dat was net op tijd) (Westerkwartiers)
  5. de moes geen aa sjoen voertdoen, vÛrdaste nauw hübs (=zorg altijd dat er op tijd vervanging is) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. de moes tich op tijd autte viet maoke (=je moet op tijd weten hoe laat het is) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. e bitsje zot doen kan nog altijd gee kaud (=op tijd en stond moet je je kunnen ontspannen) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. ën erm sjoëp wiëd ook gesjoëre onder zëne stat (=noem mij maar en arm schaap, dat wordt immers ook op tijd verzorgd) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. ge gao nie blijve plakke (=je moet op tijd naar huis komen) (Oudenbosch)
  10. ge keu-t’er a orlozje zjuust op zedn (=alles stipt op tijd doen) (Kaprijks)
  11. haat zën haan en viet werm, staek nie te viël èn zën derm, , zèt zën poeët van aater wijd genoeg oeëpe, dan hoeste nie te dèk noë den dëktaut te lope (=warmte, matig eten, op tijd en stond naar het toilet, dat houd je uit het ziekenbed) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. hae kraajg op tijd ze naotsje en ze dreigske (=hij ligt er in de watten) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. Hè, hè, dat was hard-oit. (=Ik heb me gehaast om op tijd te komen.) (Zaans)
  14. Ik wil oep e menselek uur naur oës gaun (=Ik wil op tijd naar huis gaan) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  15. In tasj (=op tijd) (Dilbeeks)
  16. In tets (=op tijd) (Rotselaars)
  17. in tits zin (=op tijd komen) (Sint-Niklaas)
  18. Ip tid (=op tijd) (Gistels)
  19. jeet gat ofgeneepn (=hij kwam net op tijd) (Kortemarks)
  20. jeet gat ofgeneepn (=hij was nog net op tijd) (Lichtervelds)
  21. mit leste snik (ke) (=nog net op tijd) (Gronings)
  22. nie vërgaete te ojëmë ! (=op tijd en stond rusten !) (Munsterbilzen - Minsters)
  23. op tijd van betoulen (=Aankoop op krediet) (Bevers)
  24. op tijd van niks (=in een handomdraai) (Bilzers)
  25. op tijd zen vasse lichte (=bij tijds er van doorgaan) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. oppe tied vaerdig (=op tijd klaar) (Sittards)
  27. Spraeke ès zilver en zwijge ès good, mèr aste nauts niks zèks geeste dik èn de foot (=hou je mond op tijd en stond) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. tijd genoeg ès altijd te laot aoën de aonkomslaajn (=nooit op tijd zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. tijd zat kump dèk te kot (=zorg dat je op tijd bent) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. tuuter intèts (=claxonneer op tijd) (Tilburgs)
  31. vanne bein aaf röstj, zag de mins, toen zaat d’r oppe kneen te pisse (=zorg ervoor dat je het op tijd makkelijk maakt voor jezelf) (Heitsers)
  32. zën koskës te wekë lèggë (=zich op tijd bijhouden waar wat te krijgen is) (Munsterbilzen - Minsters)
  33. zene pêrreplie op tijd trèkke (=zich indekken) (Munsterbilzen - Minsters)
  34. zënë stat op tijd èntrèkkë (=er tijdig uit muizen) (Munsterbilzen - Minsters)
  35. zèt op tijd en stond ès ën aander lidsje op (=als je mond altijd bitter is, zal suiker niet helpen) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. zjust inteds (=net op tijd) (Wichels)
  37. zjuust in tits (=nat op tijd) (Sint-Niklaas)
  38. zurreg dagge vor de bui binne zijt (=maak dat je op tijd klaar bent) (Oudenbosch)
  39. zuust intijds (=net op tijd) (Brakels)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen