Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


75 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `oord`

  1. achter de puttings overboord vallen (=reddeloos verloren zijn)
  2. als het schip lek is, gaan de ratten van boord. . (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
  3. Avondrood, mooi weer aan boord, morgenrood, regen in de sloot (=Eerste deel is 60% waar, tweede deel is onbetrouwbaar (KNMI))
  4. daar is geen woord Frans/Latijn/Chinees bij. (=iedereen kan dat begrijpen)
  5. dat staat niet in zijn woordenboek. (=dat kent hij niet, daar doet hij niet aan mee, heeft hij nog nooit van gehoord.)
  6. de daad bij het woord voegen (=onmiddellijk doen wat men zegt te zullen doen)
  7. de leer veroordelen maar de leraar sparen (=de wortel van het probleem niet aanpakken)
  8. de vermoorde onschuld spelen (=net doen alsof je van niets weet)
  9. de woorden uit de mond halen/nemen (=zeggen wat de ander ook net wou zeggen)
  10. doe wel naar mijn woorden, maar ziet niet naar mijn daden. (=ik geef raad waar je je het beste aan kan houden, maar ik doe het zelf niet)
  11. door de kajuitsramen aan boord komen (=onmiddellijk bevelhebber worden, zonder eerste ondergeschikte te zijn geweest)
  12. door de kluisgaten aan boord gekomen zijn (=bevelhebber worden na het doorlopen van alle lagere rangen)
  13. door het kluisgat aan boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
  14. een gek kan meer vragen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden (=op gekke of onverwachte vragen weet men meestal het antwoord niet)
  15. eén gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden. (=er zijn altijd wel vragen waar niemand het antwoord op weet)
  16. een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
  17. een goed woord voor iemand doen (=iemand bij een ander aanbevelen)
  18. een leven als een oordeel (=een verschikkelijk lawaai)
  19. een man een man, een woord een woord. (=als je iets hebt beloofd, dan moet je je daar ook aan houden.)
  20. een Salomonsoordeel vellen (=met een heel vraagstuk een zeer wijze en goede beslissing nemen)
  21. een woord op zijn pas is een daalder waard (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  22. een woord op zijn pas is zo goed als geld in de tas (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  23. er komt moord en doodslag van (=het komt tot grote problemen)
  24. er over oordelen als een blinde over de kleuren (=erover oordelen zonder kennis van zaken)
  25. er zouden geen achterklappers zijn waren er geen aanhoorders (=er wordt alleen geroddeld als er ook naar geluisterd wordt)
  26. ergens geen woorden aan vuilmaken (=er niets eens over spreken)
  27. geen man over boord zijn (=iets is niet zo erg, het had veel erger gekund)
  28. gevleugelde woorden (=veel gebruikte uitdrukking)
  29. goed zijn woord kunnen doen (=een vlotte prater zijn)
  30. het antwoord schuldig blijven (=het antwoord niet kunnen geven)
  31. het ene woord haalt het andere uit. (=als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander terug)
  32. het harde woord moet eruit (=het onaangename moet gezegd worden)
  33. het hoge woord is er uit (=het onaangename is gezegd)
  34. het hoogste woord hebben (=baas zijn (of willen zijn))
  35. het is een kwade wind die niemand voordeel brengt. (=er is altijd wel iemand die van de omstandigheden weet te profiteren.)
  36. het laatste woord willen hebben (=de baas willen zijn)
  37. het op een akkoordje gooien. (=met elkaar afspreken iets op een bepaalde manier aan te pakken.)
  38. het woord hebben (=in een gesprek aan beurt zijn)
  39. het woord voeren (=spreken (als afgevaardigde door anderen))
  40. het zwoerd/zwoord achter de oren hebben (=doof zijn)
  41. hij oordeelt als een blinde over kleuren. (=oordelen zonder enig inzicht.)
  42. iemand aan zijn woord houden (=van iemand eisen dat hij zijn belofte nakomt)
  43. iemand de woorden uit de mond halen. (=voor een ander spreken)
  44. iemand het voordeel van de twijfel gunnen. (=een onzekere factor voor hem zo gunstig mogelijk laten meetellen.)
  45. iemand te woord staan (=naar iemand luisteren en uitleg geven)
  46. iemand van bakboord naar stuurboord zenden (=steeds niet geholpen worden maar wel doorverwezen worden naar anderen)
  47. iets voor zijn verantwoording nemen (=iets op zich nemen)
  48. je moet geen 'hei' roepen voordat je de brug over bent. (=vreugde over een goede afloop is pas toepasselijk als er niets meer verkeerd kan gaan.)
  49. kantje boord (=op het nippertje)
  50. kreupel wil altijd voordansen (=de zwaksten willen het hoge woord hebben)

155 betekenissen bevatten `oord`

  1. de kap maakt de monnik niet (=aan het uiterlijke kan men het innerlijke niet beoordelen)
  2. de toets doorstaan (kunnen) (=alle antwoorden op vragen/problemen weten)
  3. in het donker zijn alle katten grijs/grauw. (=als de situatie niet duidelijk is, zijn de zaken niet goed te beoordelen.)
  4. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt altijd wat. (=als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel.)
  5. wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het meest. (=als je ergens nauw bij betrokken bent, geniet je het meeste voordeel ervan.)
  6. die het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best. (=als je ergens vlak bij bent heb je daar vaak meer voordeel van dan wanneer dat niet het geval is)
  7. schelen zijn de mooisten niet, maar ze worden wel het meest aangekeken. (=als relativerend antwoord wanneer men zegt dat ze het niets kan schelen.)
  8. draaien als een molen (=altijd meegaan met de heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  9. of je worst lust! (=antwoord als iemand `Wat?!` zegt.)
  10. beter blooie Piet dan dooie Piet. (=beter een aarzelend iemand dan iemand die ondoordacht handelt.)
  11. zijn eer verpanden (=borg staan op zijn erewoord)
  12. door merg en been dringen/snijden (=buitengewoon kwetsend of doordringend zijn)
  13. daar zal wat zwaaien (=daar zal een hartig woordje gesproken worden)
  14. dat is een paal onder water (=dat brengt meer nadeel dan voordeel)
  15. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke woorden leven)
  16. dat is een bal voor open doel. (=dat is een opmerking waar een zeer voor de hand liggend weerwoord op gegeven kan worden.)
  17. na mij de zondvloed. (=dat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren)
  18. dat staat niet in zijn woordenboek. (=dat kent hij niet, daar doet hij niet aan mee, heeft hij nog nooit van gehoord.)
  19. die de minste tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het hoogste woord.)
  20. eerste viool willen spelen (=de meest prominente taak willen vervullen, bijvoorbeeld als leider of woordvoerder van de groep.)
  21. de haringvijver (=de Noordzee)
  22. het gras voor de voeten wegmaaien (=de woorden uit de mond nemen - alle kansen ontnemen)
  23. iets door een gekleurde bril zien. (=de zaken niet onbevooroordeeld bekijken.)
  24. kreupel wil altijd voordansen (=de zwaksten willen het hoge woord hebben)
  25. bezint eer ge begint. (=denk goed na over de gevolgen voordat je actie onderneemt)
  26. schijn bedriegt (=dingen zijn niet altijd zoals ze zich voordoen.)
  27. oostindisch doof zijn (=doen alsof er niets gehoord wordt)
  28. men vangt meer vliegen met honing/stroop dan met azijn. (=door vriendelijk te zijn bereik je meer bij iemand dan met lelijke woorden)
  29. over lijken gaan. (=doordouwen zonder oog voor ethiek of moraal.)
  30. iemand met een kluitje in het riet sturen (=een antwoord krijgen waar men niets aan heeft)
  31. is de paus katholiek? (=een antwoord op een vraag waarvan het antwoord overduidelijk `Ja` is.)
  32. een wolf in schaapskleren (=een gevaarlijk iemand die zich als onschadelijk voordoet)
  33. een klein visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat ook met weinig moeite is verkregen)
  34. wet van Meden en Perzen (=een onwrikbare gewoonte, die altijd gevolgd wordt / Een samenhang die zich altijd voordoet.)
  35. iets op een procrustusbed leggen (=een regeling zo toepassen dat hij er voordeel van heeft)
  36. elkaar de bal toekaatsen/toespelen (=elkaar voordeeltjes bezorgen)
  37. er zijn haaien op de kust (=er dreigt gevaar; iemand dreigt jouw voordeeltje in te pikken)
  38. ergens niet van terug hebben (=er geen antwoord op weten)
  39. ergens geen heil in zien (=er geen voordeel in zien)
  40. er een muisje van hebben horen piepen (=er iets van gehoord hebben)
  41. ergens een melkkoetje aan hebben (=er veel voordeel uit kunnen halen)
  42. eén gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden. (=er zijn altijd wel vragen waar niemand het antwoord op weet)
  43. een brave Hendrik zijn (=erg braaf zijn of zich zo voordoen)
  44. ergens een slaatje uit slaan (=ergens een voordeeltje uit halen)
  45. ergens zijde bij spinnen (=ergens goed aan verdienen of een groot voordeel mee hebben)
  46. door de knieën gaan (=ergens met tegenzin mee akkoord gaan.)
  47. de klok hebben horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt (=ergens over gehoord hebben, zonder er echt iets van af te weten)
  48. de stem eens roependen in de woestijn (=ergens voor waarschuwen maar niet gehoord worden)
  49. er over oordelen als een blinde over de kleuren (=erover oordelen zonder kennis van zaken)
  50. in zijn zak steken (=geen antwoord meer weten, het met een antwoord moeten doen)

Het dialectenwoordenboek kent 2 spreekwoorden met `oord`

  1. Achterhoeks: i-j könt iemand wal veur de kop -, maor neet in de kop kieken (=iemand niet tegauw oordelen.)
  2. Sint-Niklaas: 'k was gepakt as ik oordun da zèn broer dood was (=door iets getroffen zijn, verdriet hebben)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen