Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


75 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `oord`

  1. men moet geen oude schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeft (=je moet niet iets al afdanken zonder dat er een vervanger voor is)
  2. met de noorderzon vertrekken (=onaangekondigd vertrekken en niets meer van zich laten horen)
  3. met iemands woorden naar de markt gaan (=overal rondvertellen wat men elders horen zeggen heeft)
  4. moord en brand schreeuwen (=uiterst verontwaardigd zijn)
  5. naar zijn woorden zoeken (=niet goed meer weten wat te zeggen)
  6. niet in de wieg gesmoord (=niet van bij de opkomst vernietigd - al oud)
  7. op het slappe koord dansen (=zijn kunsten vertonen - ook :risico's nemen)
  8. overboord werpen (=niet langer gebruiken, ervan afzien)
  9. roep geen mosselen voordat ze aan de wal zijn (=verkoop de huid niet voordat de beer geschoten is)
  10. te woord staan (=luisteren naar en bereid zijn te spreken met)
  11. uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  12. van stuurboord naar bakboord zenden (=van het kastje naar de muur sturen)
  13. van zijn hart geen moordkuil maken (=zijn gevoelens niet opkroppen / vrijuit zeggen wat je niet bevalt / eerlijk zeggen over hoe er over iets gedacht wordt)
  14. voor geen geld of goede woorden (tot iets bereid zijn) (=niet bereid zijn tot iets, wat iemand ook ervoor biedt, en welke argumenten iemand ook naar voren brengt)
  15. vroeger, toen kraaiden de hanen nog. Tegenwoordig gapen ze alleen nog maar, zei de dove (=veranderingen in een situatie zijn vaak niet feitelijk, maar een subjectieve beleving)
  16. wiens brood men eet, diens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  17. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. (=Men pacteert met hen van wie men afhankelijk is.)
  18. woord houden (=doen wat iemand beloofd heeft)
  19. woorden hebben (=ruzie of enigheid hebben)
  20. Woorden zijn dwergen, daden zijn bergen (=Woorden doen weinig, daden maken het verschil)
  21. woorden zijn geen oorden (=met praten bereiken we niets)
  22. zijn woord gestand doen (=doen wat iemand beloofd heeft)
  23. zijn woorden inslikken (=niet uitspreken)
  24. zijn woorden kauwen (=eerst nadenken en dan pas spreken)
  25. zijn woorden op een goudschaaltje wegen (=uiterst weloverwogen spreken)

150 betekenissen bevatten `oord`

  1. hoog van de toren blazen (=het grote woord willen hebben / opscheppen)
  2. als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  3. als je alles van tevoren wist, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  4. de boventoon voeren (=het hoogste woord hebben)
  5. de eerste viool spelen (=het hoogste woord hebben en de baas spelen)
  6. het is niet om de knikkers maar om het recht van het spel (=het is niet voor persoonlijk voordeel, maar omwille van de rechtvaardigheid)
  7. het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)
  8. de vruchten van iets plukken (=het voordeel van iets hebben)
  9. Hij geeft er niet om wiens huis in brand staat, als hij zich maar aan de gloed kan warmen (=Hij doet overal voordeel mee, ongeacht de gevolgen voor anderen)
  10. hij is over het paard getild (=hij heeft te veel eigendunk of heeft een naar karakter, doordat hij zoveel geprezen of verwend is)
  11. Hij kan door een eiken plank zien als er een gat in zit (=Hij is niet zo bijzonder als hij zich voordoet)
  12. hij kan praten als Brugman (=hij kan makkelijk met veel woorden een min of meer overtuigend verhaal afsteken)
  13. hij kijkt alsof hij zijn laatste oortje versnoept heeft (=hij kijkt heel ongelukkig (een oord is een oude munt))
  14. hij kan goed zijn mondje roeren (=hij zorgt er goed voor dat zijn mening wordt gehoord)
  15. elk is een dief in zijn nering (=ieder zoekt zijn voordeel)
  16. Men vindt geen molenaar of hij at gestolen koren. (=Ieder zoekt zijn voordeel, ook al is het ten koste van anderen.)
  17. men moet zijn bed maken zoals men slapen wil (=iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen daden)
  18. iemand iets in de schoenen schuiven (=iemand aanwijzen als de schuldige of als de verantwoordelijke voor een mislukking)
  19. zo stom als een vis (=iemand die geen woord zegt)
  20. jantje contrarie (=iemand die nooit akkoord is)
  21. een held op sokken (=iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik)
  22. iemand een worst voorhouden (=iemand een voordeeltje in het vooruitzicht stellen, teneinde hem te bewegen ergens mee akkoord te gaan)
  23. iemand van repliek dienen (=iemand gevat antwoorden)
  24. iemand van katoen geven (=iemand met een pak slaag of woorden straffen)
  25. aan de schors blijven hangen (=iemand of iets alleen op het uiterlijk beoordelen)
  26. iemand geloven bij ja en neen (=iemand op zijn woord geloven)
  27. iemand een kopje kleiner maken (=iemand vermoorden)
  28. ergens de vingers voor durven opsteken (=iets durven aanvaarden - zijn verantwoordelijkheid durven opnemen)
  29. gouden appels op zilveren schalen (=iets is erg prachtig/goed/verstandig (verwoord))
  30. met geen pen te beschrijven zijn (=iets niet met woorden kunnen zeggen)
  31. troeven achter de hand houden (=iets voordeligs achterhouden, informatie achterhouden)
  32. geen haar op mijn hoofd die er aan denkt (=ik wil hiermee niet akkoord gaan)
  33. aan het langste eind trekken (=in de voordeligste positie zijn)
  34. van het padje af zijn (=in de war zijn, malende / prettig gestoord zijn)
  35. hoge bomen/masten vangen veel wind (=in een hoge positie heeft men ook veel verantwoordelijkheid)
  36. in zijn vuistje lachen (=in jezelf ergens plezier hebben / Op ietwat stiekeme wijze ergens voordeel van hebben)
  37. in troebel water is het goed vissen (=in tijden van onlust of oorlog kan men gemakkelijk voordelen halen)
  38. zich voor de kop schieten (=inzien dat men een grote stommiteit gedaan heeft - zelfmoord plegen)
  39. men moet de huid niet verkopen voordat de beer geschoten is (=je moet niet geld uitgeven voordat je het hebt verdiend)
  40. de melk optrekken (=je woord terugnemen, je belofte niet helemaal vervullen)
  41. tel uit je winst (=kijken en doen waar je het meeste voordeel bij hebt, `zie je wel!`)
  42. de balans opmaken (=kijken hoe iets verlopen is; nagaan of je ergens voordeel of nadeel van hebt gehad)
  43. met de witte perdekies naar Velzeke rijden (=krankzinnig worden. In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de `witte perdekies` (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen)
  44. De haring hangt aan zijn eigen kieuwen (=Men dient verantwoording te nemen voor de eigen daden)
  45. men moet hooien als de zon schijnt (=men moet de gelegenheid gebruiken als die zich voordoet)
  46. geld dat stom is, maakt recht wat krom is (=mensen kunnen door financiële bevoordeling ertoe gebracht worden om onrecht toe te laten)
  47. het puntje van een scherpe pen is `t felste wapen dat ik ken (=met een kritisch woord kan het meest worden bereikt)
  48. met vlag en wimpel slagen (=met een zeer goede beoordeling slagen)
  49. met een kennersblik bekijken (=met kennis van zaken beoordelen)
  50. verdrinken eer men water gezien heeft (=mislukken voordat het begonnen is)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen