Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


73 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `lopen`

  1. aan de leiband lopen (=erg volgzaam zijn)
  2. aan de lopende band (=aan één stuk door; steeds maar weer)
  3. als een lopend vuurtje (=zich snel verspreidend (van een bericht of nieuwtje))
  4. dat is de druppel die de emmer doet overlopen (=dat is maar een kleine ergernis, maar samen met wat er al gebeurd is, wordt het niet meer geaccepteerd)
  5. de deur platlopen (=steeds weer bezoeken)
  6. de drempel platlopen (=steeds opnieuw bezoeken)
  7. de kantjes er van aflopen (=zijn best niet doen)
  8. een blauwe scheen lopen (=afgewezen worden)
  9. een blauwtje lopen (=afgewezen worden (in de liefde))
  10. ergens een streepje door lopen (=erg vreemd zijn/gedragen)
  11. Getelde schapen lopen het hok uit. (=Exact alles van tevoren weten)
  12. gods water over gods akker laten lopen (=de dingen op hun beloop laten)
  13. Het kippenei grijpen en het ganzenei laten lopen (=Een verkeerde keuze maken)
  14. het vuur uit de sloffen lopen (=een uiterste inspanning leveren door hard te lopen)
  15. het zal zo n vaart niet lopen (=het zal wel meevallen)
  16. iemand van de sokken rijden/lopen (=iemand (bijna) omver rijden of lopen)
  17. in de fuik lopen (=door eigen stommiteiten in een valstrik lopen)
  18. in de kijker lopen (=opvallen)
  19. in de papieren lopen (=duur uitkomen, veel geld kosten)
  20. in de soep lopen (=volledig mislukken (van een plan))
  21. in de tredmolen lopen (=de dagelijkse sleur volgen - zich onderwerpen)
  22. in de val lopen (=betrapt worden)
  23. in geen twee sloten tegelijk lopen (=voorzichtig zijn en op zichzelf kunnen passen)
  24. in het gareel lopen (ook: in de pas lopen) (=precies zo doen als de anderen)
  25. In het gareel lopen. (=Precies doen wat er gevraagd wordt)
  26. in het honderd sturen/lopen (=de boel met opzet mis laten lopen, in de war laten lopen)
  27. in het lijntje lopen (=dienstbaar zijn)
  28. in het oog lopen (=opvallen)
  29. in het wild lopen (=ongeregeld verlopen)
  30. in iemands gareel lopen (=zonder enige tegenwerping doen wat iemand je opdraagt)
  31. in zijn laatste schoenen lopen (=het einde naderen - erg ziek zijn)
  32. kijken hoe de hazen lopen (=voorzichtig te werk gaan, eerst afwachten hoe de verhoudingen blijken te liggen)
  33. krakende wagens lopen/rijden het langst (=nieuw hoeft niet altijd beter te zijn / mensen die vaak ziek zijn worden vaak toch heel oud)
  34. lopen als een kievit (=erg gemakkelijk en vlug lopen)
  35. lopen als een kip die haar ei niet kwijt kan (=onrustig heen en weer lopen)
  36. lopen als een muis in een meelton (=onrustig heen en weer lopen)
  37. lopen alsof men een lantaarnpaal heeft ingeslikt (=erg stijf, houterig lopen)
  38. men kan een paard niet lopend beslaan (=men moet er zijn tijd voor nemen)
  39. Men kan geen paard al lopende beslaan. (=Als je het werk goed wil doen, moet je er de tijd voor nemen)
  40. men kan niet door een muur lopen, behalve als er een deur in zit (=dingen kunnen alleen gedaan worden als er een reële kans toe is)
  41. met de kop tegen de muur lopen (=nutteloos geweld gebruiken)
  42. met een bord voor de kop lopen (=niet voor andere omstandigheden of zienswijzen open staan)
  43. met een sisser aflopen (=probleem leek heel groot, maar viel uiteindelijk reuze mee)
  44. met het hoofd tegen de muur lopen (=het onmogelijke trachten te bereiken / mislopen)
  45. Met het hoofd tegen de muur lopen (=Het onmogelijke proberen)
  46. met molentjes lopen (=in de war zijn, niet goed bij het verstand zijn)
  47. met zijn ziel onder de arm lopen (=zich vervelen)
  48. naar de maan lopen (=het wel mogen vergeten / weg moeten gaan)
  49. naar de pomp lopen (=ga weg!)
  50. naast zijn schoenen lopen (=te veel eigendunk hebben)

36 betekenissen bevatten `lopen`

  1. van een leien dakje gaan (=bijzonder vlot en zonder problemen verlopen)
  2. dat is het begin van het einde (=dat is het begin van iets dat uiteindelijk verkeerd zal aflopen)
  3. in het honderd sturen/lopen (=de boel met opzet mis laten lopen, in de war laten lopen)
  4. door het kluisgat aan boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
  5. de lens is uit de wagen (=de zaak is vastgelopen)
  6. zijn beslag krijgen (=definitief ten einde lopen , beslist worden)
  7. in de fuik lopen (=door eigen stommiteiten in een valstrik lopen)
  8. het vuur uit de sloffen lopen (=een uiterste inspanning leveren door hard te lopen)
  9. met de sok op de kop gezet (=er onbewust door toedoen van anderen voor joker bijlopen)
  10. lopen als een kievit (=erg gemakkelijk en vlug lopen)
  11. lopen alsof men een lantaarnpaal heeft ingeslikt (=erg stijf, houterig lopen)
  12. het hoofd stoten (=ergens onprettig tegen aan lopen)
  13. de sokken erin zetten (=hard weglopen)
  14. averechts uitpakken (=helemaal verkeerd aflopen. Tegengesteld uitpakken)
  15. het is gedaan met kaatje (=het is afgelopen)
  16. het liedje is uitgezongen (=het is afgelopen)
  17. dat loopt op zijn einde (=het is bijna afgelopen)
  18. het is hoed (=het is verkeerd afgelopen)
  19. met het hoofd tegen de muur lopen (=het onmogelijke trachten te bereiken / mislopen)
  20. ergens vaart achter zetten (=het snel doen verlopen)
  21. vol gas geven (=het zo snel mogelijk doen verlopen)
  22. Als het hooi het paard volgt, dan wil het gegeten zijn. (=Huwbare meisjes moeten niet achter de vrijer aanlopen.)
  23. iemand van de sokken rijden/lopen (=iemand (bijna) omver rijden of lopen)
  24. iemand van het kastje naar de muur sturen (=iemand voor niets heen en weer laten lopen)
  25. als een luis in iemands pels zijn (=iemand voortdurend in de weg lopen. Iemand tegenwerken)
  26. ergens je eigen plasje overheen doen (=iets een beetje veranderen zodat helemaal naar je zin is. In werksituaties kan dit soms uit de hand lopen, als er veel belanghebbers zijn die allemaal hun eigen plasje over een document willen doen. Het kan dan resulteren in een onleesbare tekst.)
  27. de balans opmaken (=kijken hoe iets verlopen is; nagaan of je ergens voordeel of nadeel van hebt gehad)
  28. Op een apostelpaard rijden. (=lopen)
  29. geen zitvlees hebben (=ongedurig zijn - steeds weer opstaan en rondlopen)
  30. in het wild lopen (=ongeregeld verlopen)
  31. lopen als een kip die haar ei niet kwijt kan (=onrustig heen en weer lopen)
  32. lopen als een muis in een meelton (=onrustig heen en weer lopen)
  33. zich uit de naad lopen (=veel lopen , zijn uiterste best doen)
  34. wie tot een penning geboren is kan tot geen stuiver komen (=wat het lot voor je in petto heeft kan je niet ontlopen)
  35. met andermans veren pronken (=weglopen met de ideeën van een ander, met iets van een ander zelf gaan pronken)
  36. bang voor zijn hachje zijn (=weinig durven en bang zijn om gevaar te lopen)

Het dialectenwoordenboek kent 117 spreekwoorden met `lopen`

  1. Sallands: met de biennewagen (=lopend gaan)
  2. Rotterdams: Hij is schaloos (=Een zwerver of los lopende hond)
  3. Westerkwartiers: dat gijt as 'n loop'nd vuurke (=dat gaat als een lopend vuurtje)
  4. Munsterbilzen - Minsters: zonner getrentel (=aan de lopende band)
  5. Waregems: stoizje doen (=stage lopen)
  6. Denderleeuws: rond kesjken (=rond lopen)
  7. Delfts: een klissie lopen (=een blokje om lopen)
  8. Munsterbilzen - Minsters: goed sërvètte (=hard lopen)
  9. Katwijks: op een kocheltje lopen (=op en drafje lopen)
  10. Katwijks: voor skavega staan/lopen (=voor schut staan/lopen)
  11. Westerkwartiers: één die onnerweeg'ns is vangt altied wat (=een lopende hond vangt altijd wel een bot)
  12. Dordts: Bejje mat de fiets of bejje lòpes? (=Ben je met de fiets of lopend?)
  13. Sallands: gaank in de bokse (hemmn) (=rennen, op een draf lopen, snel lopen)
  14. Heldens: die hèht de proeme te hoeëg hange (=een blauwtje lopen)
  15. Alblasserdams: himpie raak mn gattie niet (=erg verwaant lopen)
  16. Zeeuws: ie zoekt ni dubbeltjes (=krom lopen)
  17. Genneps: van de been af zien (=niet meer kunnen lopen)
  18. Brakels: int garil luupn' (=in het gelid lopen)
  19. Oudenbosch: mooi de klos zijn (=tegen de lamp lopen)
  20. Munsterbilzen - Minsters: I (=profiteurs lopen overal)
  21. Betuws: Hijs luppes (=Hij is komen lopen)
  22. Liwwadders: skotsjelope (=over onbetrouwbaar ijs lopen)
  23. Gents: op eu pletse luupe (=op blote voeten lopen)
  24. Helmonds: bende gai an ut pesjonkele (=vaak in en uit lopen)
  25. Rotterdams: In je blote niksie (=Zonder broek aan lopen)
  26. Giethoorns: Op oze voeten lopen (=Op de kousen lopen)
  27. Katwijks: op een kocheltje lopen (=op een drafje lopen)
  28. Katwijks: voor skobbeldebonk lopen (=voor schut lopen)
  29. Munsterbilzen - Minsters: alle kaffeis aofdwaajle (=café lopen)
  30. IJmuidens: ff kantje pikken (=langs de haven lopen/wandelen)
  31. Rekem: op de luip goon (=lopen gaan)
  32. Ninoofs: Op nen bek de gaas leupen (=Een blauwtje lopen)
  33. Vechtdals: gaank in de bokse (=door lopen/ werken)
  34. Zeeuws: dat is deur mn neuze a boord (=iets mis lopen)
  35. Zeeuws: zn voetn hiegen as ihhel en zand (=hard lopen)
  36. Ammeroois: Taailappe (=snel over dun ijs lopen)
  37. Sint-Niklaas: 'k bèn ies noargeloapen (=voor een korte wijl ergens haastig of al lopende binnenkomen)
  38. Oudenbosch: oonze lieve 'eer ee vremde kostgangers (=er lopen vreemde mensen rond)
  39. Luyksgestels: 't is 'nen hillen treej (=het is een heel eind lopen)
  40. Bilzers: riet plojt mèr eek brik (=krakende karren lopen het langst)
  41. Budels: Reet buugt,maer unnen eik brikt (=krakende wagens lopen het langst)
  42. Mestreechs: iemes veur de veu laope (=iemand voor de voeten lopen)
  43. Venloos: altiëd aan de letste mem hange (=overal achteraan lopen (figuurlijk))
  44. Koersels: durre voor loepe (=op de scheiding van een perceel lopen)
  45. Weerts: Hae taffeldje d'r röstig haer (=Rustig ergens naar toe lopen)
  46. Waaslands: achter de weijr lopen (=spijbelen)
  47. Amsterdams: Flaneren (=lopen om te zien en gezien te worden)
  48. Berlaars: meujenoks duij de bémme scheusse (=naakt door de velden lopen)
  49. Zelzaats: Dèsteren (=Ijsberen, nerveus heen en weer lopen, doelloos rondslenteren)
  50. Tiens: men aas es een kezijreme (=binnen en buiten lopen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen