Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


57 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `laan`

  1. aan de haak slaan (=te pakken krijgen)
  2. alle hoop de bodem in (laten) slaan (=door iets geen enkele hoop meer (laten) hebben)
  3. alles kort en klein slaan (=de hele inboedel kapot slaan)
  4. als een tang op een varken slaan (=iets heeft totaal niets met een besproken onderwerp te maken)
  5. altijd op hetzelfde aambeeld hameren/slaan (=steeds weer op hetzelfde onderwerp terugkomen)
  6. dat paard zal mij niet meer slaan (=dat zal mij niet meer gebeuren)
  7. Dat paard zal mij niet meer slaan. (=Voortaan zal ik beter oppassen)
  8. de bal misslaan (=zich vergissen)
  9. de bodem inslaan (=vernietigen (bv.: de hoop de bodem inslaan))
  10. de hand aan de ploeg slaan (=flink aan het werk gaan)
  11. de hand aan zichzelf slaan (=zelfmoord plegen)
  12. de handen slaan aan (=ontwijden)
  13. de plank misslaan (=niet het goede inzicht hebben; ernaast zitten)
  14. de spiering doet de kabeljauw afslaan (=veel slechte waar op de markt doet de prijzen van de goede waar dalen)
  15. de spijker op de kop slaan (=de kern van de zaak benoemen)
  16. de stoppen slaan bij hem door (=hij verliest zijn zelfbeheersing)
  17. de verzenen tegen de prikkels slaan (=zich verzetten tegen iets wat niet tegen te gaan is)
  18. doorslaan als een blinde vink (=hoogst onlogisch redeneren)
  19. een (modder)figuur slaan (=een belachelijke of domme indruk maken)
  20. een andere toon aanslaan (=op een andere manier tegen iemand gaan praten)
  21. een flater slaan (=een nogal domme fout maken)
  22. een gat in de lucht slaan (=een onnozele handeling doen)
  23. een hoge toon aanslaan (=doen alsof je het voor het zeggen hebt / luid en dwingend spreken)
  24. een slecht figuur slaan (=een slechte indruk maken)
  25. een stok vinden om de hond te slaan (=om maar iemand te kunnen bekritiseren een nadelig punt vinden)
  26. een wak slaan (=vindingrijk zijn)
  27. ergens een slaatje uit slaan (=ergens een voordeeltje uit halen)
  28. ergens een slag naar slaan (=raden)
  29. ergens zijn tenten opslaan (=ergens verblijven, zich ergens vestigen)
  30. geen klaviertje over slaan (=alle bijzonderheden in acht nemen)
  31. geld uit iets slaan (=ergens geld aan verdienen)
  32. iemand bont en blauw slaan (=iemand zo slaan dat hij een dik gezicht met blauwe en geel blauwe vlekken krijgt)
  33. iemand de laan uitsturen (=iemand ontslaan)
  34. iemand in het gareel slaan (=iemand dwingen voor je te werken, iemand aan het werk zetten)
  35. iemand van de sokken slaan (=iemand vellen, neerslaan)
  36. iets in de wind slaan (=naar een advies niet naar luisteren)
  37. men kan een paard niet lopend beslaan (=men moet er zijn tijd voor nemen)
  38. Men kan geen paard al lopende beslaan. (=Als je het werk goed wil doen, moet je er de tijd voor nemen)
  39. munt uit iets slaan (=voordelen halen uit)
  40. niets afslaan behalve vliegen (=alles aannemen)
  41. om het hart slaan (=schrik bezorgen)
  42. op de grote trom slaan (=aandacht proberen te krijgen voor diens zaak)
  43. spijkers met koppen slaan (=doortastend optreden)
  44. tot moes slaan (=iets helemaal kapot slaan)
  45. twee vliegen in een klap slaan (=twee problemen gelijktijdig oplossen)
  46. Twee vliegen in één klap slaan (=Efficiënt bezig zijn)
  47. van de hand slaan/wijzen (=niet aannemen)
  48. van zich afbijten/afslaan (=zich fel verdedigen)
  49. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)
  50. Wie een paard uit de wei wil halen, moet het beest niet eerst met het halster tegen de kop slaan. (=Je bereikt meer met vriendelijkheid, dan met strengheid)

20 betekenissen bevatten `laan`

  1. alles kort en klein slaan (=de hele inboedel kapot slaan)
  2. met de muts naar iets gooien (=ergens geen zorg aan besteden / er een slag naar slaan, ernaar raden)
  3. de vingers jeuken hem (=het bijna niet kunnen laten er op los te slaan)
  4. ik maak een platvis van je (=iemand dreigen in elkaar te slaan)
  5. de vloer aanvegen met iemand (=iemand gemakkelijk kloppen/verslaan)
  6. iemand aan de dijk zetten (=iemand ontslaan)
  7. iemand de laan uitsturen (=iemand ontslaan)
  8. iemand de schop geven (=iemand ontslaan)
  9. iemand op straat zetten (=iemand ontslaan)
  10. iemand de zak geven (=iemand ontslaan)
  11. iemand van de sokken slaan (=iemand vellen, neerslaan)
  12. iemand uit het zadel lichten (=iemand zijn positie doen verliezen, iemand ontslaan)
  13. iemand bont en blauw slaan (=iemand zo slaan dat hij een dik gezicht met blauwe en geel blauwe vlekken krijgt)
  14. tot moes slaan (=iets helemaal kapot slaan)
  15. met de witte perdekies naar Velzeke rijden (=krankzinnig worden. In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de `witte perdekies` (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen)
  16. aan de dijk zetten (=ontslaan)
  17. Uit het zadel wippen. (=Ontslaan of uit een functie zetten)
  18. een stok in de lenden leggen (=slaan)
  19. de bodem inslaan (=vernietigen (bv.: de hoop de bodem inslaan))
  20. in de pan hakken (=volledig verslaan)

Het dialectenwoordenboek kent 22 spreekwoorden met `laan`

  1. Tilburgs: laans (=lans)
  2. Westerkwartiers: 's laands wies, 's laand eer (=elke streek heeft zijn gewoontes)
  3. Oudenbosch: ge kom mar wir us ne keer laangs ee (=tot de volgende keer)
  4. Westerkwartiers: zij kwam elke klapscheet laans (=zij kwam om de haverklap langs)
  5. Staphorsts: op t'roeme laand woon (=in het veld wonen)
  6. Vechtdals: laankuut lingn (=languit liggen)
  7. Hamonter: Hij is wa laansem op de huuk (=Hij is wat langzaam op de hoeken)
  8. Westerkwartiers: hij laag laanguut (=hij was geheel uitgeteld)
  9. Westerkwartiers: hij snoof d'r laangs (=hij stoof voorbij)
  10. Oudenbosch: d'r van laangs krijge (=thuis uitgescholden worden)
  11. Westerkwartiers: d´r stoef bij laans (=er dicht bij langs)
  12. Westerkwartiers: 'n profeet wordt ien eig'n laand niet eerd (=men wordt in eigen plaats niet gewaardeerd)
  13. Mestreechs: este ut laank höbs,lieste ut laank haange (=wanneer je goed bij kas zit)
  14. Westerkwartiers: 't is zo laang as 't breed is (=het komt op het zelfde neer)
  15. Westerkwartiers: dat duurt zo laang as mörg'n heule daag (=dat duurt nogal een poosje)
  16. Gronings: wie loopm eem onner diek laans (=we lopen even langs de dijk)
  17. Munsterbilzen - Minsters: de moes goed tësse de laantsjes konne laeze (=luister goed naar wat er gezegd wordt, maar nog meer naar wat er niet gezegd wordt)
  18. Twents: in twente hoal' t ze va' n kot gebed en ' n laang' n metwos (=in Twente houden ze van een kort gebed en een lange metworst)
  19. Tilburgs: k-hè-r zo ut laand aon (=ik heb er zo'n hekel aan)
  20. Zwartebroeks: D'r staot mer een dun zwaoidje gres op 't laand (=Het gras staat niet hoog)
  21. Westerkwartiers: d'r is met hem gien laand te bezeil'n (=men kan met hem niets beginnen)
  22. Oudenbosch: meejem war wir geen laand mir te bezeile (=met hem was weer niets te beginnen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen