Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

5 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `leed`

  1. buurmans leed troost (=door het verdriet of de pijn van een ander kun je je eigen verdriet en pijn beter verdragen)
  2. een gedwongen eed doet/is god leed (=een afgedwongen belofte wordt niet gehouden)
  3. een nieuwe lap op een oud kleed (=een zinloze toevoeging)
  4. lief en leed delen (=allerlei plezierige en droevige dingen met elkaar beleefd hebben)
  5. ruim zijn aandeel in 's werelds lief en leed gehad hebben (=genoeg geluk en tegenslagen gekend hebben)

7 betekenissen bevatten `leed`

  1. het is een pleister op een zere wonde (=het is bedoeld om het leed wat te verzachten)
  2. balsem in de wonde gieten (=het leed verzachten)
  3. zout in de wond strooien (=iemands leed verergeren)
  4. een zalfje op de wond (=iets dat het leed verzacht)
  5. op salet zitten (=mooi aangekleed zijn en niet werken)
  6. op zijn paasbest zijn (=op zijn best gekleed en goed verzorgd zijn)
  7. al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding (=wie zich mooi aankleedt wordt daarmee zelf nog niet mooi)

Het dialectenwoordenboek kent 23 spreekwoorden met `leed`

  1. Lichtervelds: kee dre mne deugd in (=ik heb leedvermaak)
  2. Mestreechs: dao geit ut leid op z'n zoondegs (=daar is veel verborgen leed)
  3. Waregems: 'k é der mijn'n des/deun in (=ik heb binnenpretjes - leedvermaak)
  4. Bilzers: Alleman drig ze leed onder ze kleed (=Er is veel verborgen leed)
  5. Kinrooi: Ins örges lekker gaon aete duit veul hoeselik leid vergaete! (=Eens ergens lekker gaan eten, doet veel huiselijk leed vergeten!)
  6. Bilzers: zoe leed aste naach (=aartslelijk)
  7. Munsterbilzen - Minsters: leed sjendaol (=smeerlap)
  8. Westerkwartiers: gien één wil 't kruus droag'n (=iedereen omzeilt het leed)
  9. leeds: nor thuisken goan (=naar het toilet gaan)
  10. Munsterbilzen - Minsters: kender traeë op ze kleed, mér graute op zen hat (=kleine kinderen, klein maar groten groot leed)
  11. Munsterbilzen - Minsters: haat ze leed onder ze kleed (=lijd in alle stilte)
  12. Leeds: zèn schiep afkuisen (=weggaan)
  13. Leeds: in lee wor da den nond zen broek afdee (=in lede waar den hond zijn broek af deed)
  14. Leeds: zijne pére zien (=moeilijkheden hebben)
  15. Bilzers: e graut leed èn e klee kaajlke (=veel verdriet bij een kindergraf)
  16. Leeds: van optrok zijn (=succes hebben)
  17. Leeds: nor achter goan (=Naar toilet gaan)
  18. Leeds: iemand ne poater schieljeren (=iemand een loer draaien)
  19. Leeds: iemand zijn hert toestampen (=iemand verdriet doen)
  20. Leeds: iemand ne kluet aftrekken (=iemand bedriegen)
  21. Leeds: zijn devueren doen (=zijn best doen)
  22. Leeds: ze n' es nie onder een oenjer gebroedj (=ze is niet dom)
  23. Leeds: van ensj tenenje (=over de ganse lengte (van vb een stuk land, een tuin)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen