Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


105 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kan`

  1. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
  2. aan een goed kantoor zijn (=op de juiste plaats zijn)
  3. aan het verkeerde kantoor zijn (=iemand die je niet kan helpen)
  4. aan kant doen (=opruimen)
  5. als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan (=drank verdringt gezond verstand)
  6. als het bier is in de man dan is de wijsheid in de kan (=van dronkaards verwacht men geen verstandige woorden)
  7. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke woorden leven)
  8. daar kan je gif op innemen (=je mag er zeker van zijn dat het gaat gebeuren)
  9. daar kan niets van inkomen (=dat zal niet lukken)
  10. dat is andere tabak dan kanaster (=dat is wat anders!)
  11. dat kan al het water van de zee niet afwassen (=daar is niets aan te doen - dat kan je niet wegpraten)
  12. dat kan Bruin(tje) niet trekken (=dat kunnen we ons niet veroorloven (afgeleid van een populaire naam voor trekpaarden))
  13. Dat kan het paard niet trekken. (=Daar heb ik onvoldoende geld voor)
  14. dat kan hij in zijn zak steken (=dat is raak - die zit!)
  15. dat kan ik wel in mijn holle kies stoppen (=dat is wel een heel klein beetje)
  16. dat raakt kant noch wal (=dat is geen zinnig argument)
  17. dat slaat als een knots op een kangoeroe (=dat choqueert je)
  18. de boel aan kant maken (=opruimen)
  19. de boog kan niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
  20. de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
  21. de kan aanspreken (=drinken)
  22. de kans schoon zien (=van de gelegenheid gebruik maken)
  23. de kantjes er van aflopen (=zijn best niet doen)
  24. de laatste der Mohikanen zijn (=de laatste zijn die nog ergens in gelooft)
  25. de liefde kan niet van één kant komen (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  26. De rook kan het hangerijzer niet deren (=Het heeft geen zin te proberen iets dat vast staat te veranderen)
  27. de wereld is een pijp kaneel ieder likt eraan maar krijgt niet veel (=ieder krijgt een klein deeltje van wat de wereld te bieden heeft)
  28. Die zijn pap gemorst heeft kan niet alles weer oprapen (=Schade kan nooit geheel worden goedgemaakt)
  29. een gek kan meer vragen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden (=op gekke of onverwachte vragen weet men meestal het antwoord niet)
  30. eén gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden (=er zijn altijd wel vragen waar niemand het antwoord op weet)
  31. een geloof dat bergen kan verzetten (=een sterk geloof)
  32. een kale kip kan nog leggen (=iemand die niets heeft, kan nog voor je werken)
  33. een kind kan de was doen (=het gaat heel makkelijk)
  34. Een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=Een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
  35. één uur van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit (=één moment van onvoorzichtigheid kan verschrikkelijke gevolgen hebben)
  36. een vreemdeling in kanaän zijn (=weinig weten over het besproken onderwerp)
  37. er is nog nooit een kok gevonden die koken kan voor alle monden (=je kunt het niet iedereen naar de zin maken)
  38. er kan nog een kabeljauw onderdoor (=er is ruimte genoeg (brug, speling))
  39. erbij staan of men geen tien kan tellen (=er onnozel bijstaan)
  40. goed bloed kan niet liegen (=een edele afkomst wordt altijd opgemerkt)
  41. haring in het land, dokter aan de kant (=haring eten is zeer gezond; haring is zelfs één van de beste vissen voor je gezondheid)
  42. het bloed kruipt waar het niet gaan kan (=de aard verloochent zich nooit)
  43. het glaasje op zijn kant zetten (=het glas uitdrinken)
  44. het is een dubbeltje op zijn kant (=het is nipt, erg onzeker)
  45. het kan er mee door (=het gaat wel, het is aanvaardbaar)
  46. het kan er niet af (=er is niet genoeg geld voor)
  47. het kan niet altijd kaviaar zijn (=niet elke dag is een topdag)
  48. het kan verkeren (=het kan veranderen, de dingen blijven niet zoals ze zijn)
  49. het kan vriezen en het kan dooien (=het kan alle kanten uit gaan)
  50. het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)

208 betekenissen bevatten `kan`

  1. Aan de veren kent men de vogel (=1: Aan iemands uiterlijk (verzorging / kleding) kan men zijn karakter afleiden. 2: Kinderen lijken vaak op hun ouders)
  2. de kap maakt de monnik niet (=aan het uiterlijke kan men het innerlijke niet beoordelen)
  3. vragen kost geen geld (=al heb je weinig kans, je kan het in elk geval maar vragen)
  4. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
  5. na gedane arbeid is het goed rusten (=als een klus geklaard is kan men er tevreden op terug kijken)
  6. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=Als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  7. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  8. Als de boter duur wordt, leert men het brood droog eten. (=Als het niet anders kan, is men ook met minder tevreden.)
  9. als de maan vol is schijnt ze overal (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat zien)
  10. die het breed heeft, laat het breed hangen (=als iemand veel geld heeft kan die veel bezitten)
  11. opgestaan is plaats vergaan (=als je even wegloopt kan iemand anders op je stoel gaan zitten)
  12. ongevraagd, ongeweigerd (=als je iets doet waarvoor geen toestemming is gevraagd kan het achteraf niet meer geweigerd worden omdat het al gebeurd is)
  13. hoop doet leven (=als je kan hopen op betere tijden, dan krijg je toch weer levenslust / zo lang je nog hoop hebt zijn er ook nog mogelijkheden)
  14. als de zon een mestvaalt beschijnt, dan verspreidt deze een onaangename geur (=als je met goede wil ergens te veel aandacht aan besteedt kan het verkeerd opgevat worden. / Met alle goede wil van de wereld kun je sommige zaken nog niet verbeteren)
  15. gedeelde smart is halve smart (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  16. wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft (=als je zoveel geeft zoveel je kunt, dan kan niemand je iets verwijten)
  17. Oude paarden jaagt men aan de dijk. (=Als men de taak niet meer goed aankan, wordt men ontslagen)
  18. oude paarden jaagt men aan de dijk (=als men zijn taak niet goed meer aankan, wordt men ontslagen)
  19. schelen zijn de mooiste niet, maar ze worden wel het meest aangekeken (=als relativerend antwoord wanneer men zegt dat ze het niets kan schelen)
  20. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  21. breek me de bek niet open (=begin daar maar niet over, want daar kan ik heel veel negatieve dingen over vertellen)
  22. beter onbegonnen dan ongeeindigd (=beter niet beginnen als men het niet kan afwerken)
  23. dat kan al het water van de zee niet afwassen (=daar is niets aan te doen - dat kan je niet wegpraten)
  24. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke woorden leven)
  25. dat is een bal voor open doel (=dat is een opmerking waar een zeer voor de hand liggend weerwoord op gegeven kan worden)
  26. Dat groeit uit het raam (=Dat kan men niet geheim houden)
  27. dat sluit als een haspel in een zak (=dat raakt kant noch wal)
  28. koffen en smakken zijn waterbakken (=dat soort dingen kan veel doorstaan)
  29. dat houdt me op de been (=dat zorgt ervoor dat ik door kan blijven gaan; daardoor houd ik het vol)
  30. bomen ontmoeten elkaar niet, mensen wel (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot)
  31. er dik in zitten (=de kans is groot dat het zo is)
  32. de gelegenheid bij de haren grijpen (=de kans niet laten voorbijgaan)
  33. aan een zijden draadje hangen (=de kansen zijn nog niet verkeken, maar het scheelt erg weinig)
  34. fris gewaagd is half gewonnen (=de moedigste heeft de meeste kansen om iets te winnen)
  35. het gras voor de voeten wegmaaien (=de woorden uit de mond nemen - alle kansen ontnemen)
  36. zijn achilleshiel zijn (=de zwakke kant/plek van iemand zijn)
  37. de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
  38. het zit eraan bij hem/haar (=diegene kan het betalen, er is genoeg)
  39. men kan niet door een muur lopen, behalve als er een deur in zit (=dingen kunnen alleen gedaan worden als er een reële kans toe is)
  40. de tijd vliet snel gebruik hem wel (=doe wat je moet doen, terwijl je nog kan)
  41. de nekslag geven (=door iets wordt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan)
  42. de ochtendstond/morgenstond heeft goud in de mond (=door vroeg te beginnen kan men meer werk verrichten)
  43. zuinigheid met vlijt, bouwt huizen als kastelen (=door zuinig en ijverig te zijn, kan men veel bereiken)
  44. voor het inkoppen hebben (=een eenvoudige kans om in een discussie een punt te maken dankzij een voorzet van een ander)
  45. een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
  46. een goed begin is het halve werk (=een goed begin vergroot de kans op een goede afwerking)
  47. een goede buur is beter dan een verre vriend (=een goede buur kan je beter helpen dan een verre vriend)
  48. hoge ogen gooien (=een goede kans maken op iets)
  49. alles op één kaart zetten (=een groot risico nemen door op slechts één kans te gokken)
  50. een vogel voor de kat (=een hulpeloos slachtoffer, dat niet meer gered kan worden)

Het dialectenwoordenboek kent 606 spreekwoorden met `kan`

  1. Bilzers: ne bliëker (=kandelaar met oor)
  2. Sint-Laureins: iemand ten kandeele gaan (=iemand te lijf gaan)
  3. Waregems: te kandeêle goan (=onbehouwen, brutaal aanpakken)
  4. Kaatsheuvels: Witte wè ge kaant, niks kande, dè kande! (=Weet je wat je kunt, niets kun je, dat kun je!)
  5. Munsterbilzen - Minsters: de kie wonten gehied of op den teir gehod opte bêm onder de kannedasse (=de koeien werden gehoed of plaatselijk vastgepind in de beemden onder de kanadabomen)
  6. Gronings: hest weer veur'n kander (=heb je het weer voor elkaar)
  7. Bathmens: Det kan'k ni wach'n (=Daar heb ik geen tijd voor)
  8. Lebbeeks: kandespierestaankompakse (=Ik hang de hesp hier, is het de uwe kom pak ze)
  9. Waregems: te kandeêle (te keeëre) goan (=te lijf gaan, met geweld onder handen nemen)
  10. Neerharens: Doa veurt e sjeeëp op de knaal (=Daar vaart een schip op het kanaal)
  11. Antwerps: a kan just van broëd strongt moake (=hij kan niets)
  12. Zeeuws: je kan teranangen (=je kan me wat)
  13. Brakels: ij kan teragter fluit'n (=hij kan het vergeten)
  14. Herentals: kan me nie schille, (boeie) (=kan me niet schelen)
  15. Genneps: Ik kan nie hekse (=Ik kan niet toveren)
  16. Koersels: Ich kan geweire (=Ik kan verder zonder hulp)
  17. Hals: Daane kan er e pansjken oen hange (=Die kan zeveren)
  18. Aspers: da kan mijnen bruinen nie trekken (=dat kan ik niet betalen)
  19. Munsterbilzen - Minsters: kan ich ter stoeët op maoke ? (=kan ik daar op rekenen ?)
  20. Lichtervelds: mnen eezle kan da nie trekkn (=ik kan dat niet betalen)
  21. Sint-Niklaas: kan der nie opkommen (=ik kan het mij niet herinneren)
  22. Putters: die kan 't nie liejen (=hij kan het niet betalen)
  23. Flakkees: Wat joe ken. ken ik aok. (=Wat jij kan, kan ik ook.)
  24. Ouddorps: Hie hei 'n gladde rik (=Hij kan veel hebben)
  25. Westerkwartiers: 't ken aalmoal net (=het kan allemaal precies)
  26. Bilzers: dasse daudgeboëre kénd (=daar kan niets van komen)
  27. brabants: Da hedde wellus (=Dat kan gebeuren)
  28. Antwerps: dakannekikkeni (=dat kan ik niet)
  29. Overmeers: 'n kanne ole (=een kan petrolium)
  30. Gronings: van ain en te hoop (=kan je niet vertalen)
  31. Brakels (gld): Ut nukt me niks (=kan mij niets schelen)
  32. Hams: 'tschaap is de preut af (=ik kan niet meer)
  33. Wetters: kzitte strop (=ik kan niet meer verder)
  34. Sallands: Váke beij te bangge (=Leef nu je kan)
  35. Heuvellands: calischeklutser (=persoon waarop men niet rekenen kan)
  36. Westfries: Krappe sokken (=Het kan/ past maar net)
  37. Denderleeuws: ik kan zingen gelek e pjied mo kan zoe noag ne loepen (=ik kan zingen zoals een paard maar kan niet zo hard lopen)
  38. Munsterbilzen - Minsters: da kan mich nie boemme (='t kan me niets schelen)
  39. Munsterbilzen - Minsters: doë kan ich nie van iëver (=dat kan ik niet vatten)
  40. Kortrijks: Ie kan nog ip geen ei skipp'n (=hij kan niet voetballen)
  41. Opglabbeeks: 't kan mich neet shêle (=het kan me niet schelen)
  42. Amsterdams: Het kan me niet verrotten (=Het kan me niet schelen)
  43. Nijlens: het kan me ni schille (=het kan mij niet schelen)
  44. kortemarks: je kan eetn lik ne dykedelvre (=hij kan veel eten)
  45. Waregems: ie 'n kan 't nie lei'n, ie 'n kan ter nie teeën (=hij kan het niet verdragen)
  46. Deinzes: Da jontse kan no'al u betse pullen! (=Dat jongetje kan drinken)
  47. Epers: Dät kan net eender wat wéézn (=Dat kan van alles zijn)
  48. Sint-Niklaas: die kan over alles meeklappen (=die kan over alles meepraten)
  49. Antwerps: kan me nie verdoemme, jao, flutla ! (=kan me niet schelen)
  50. Zeeuws: ai tnie ouwen kan dan lit j tme vaaln (=k kan tniet houden)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen