Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `spreken`

  1. de kan aanspreken (=drinken)
  2. de prins spreken (=dronken zijn)
  3. er niet van kunnen meespreken (=er niets over weten)
  4. iemand onder vier ogen spreken (=praten met iemand zonder dat anderen erbij zijn)
  5. iemand spreken door het oor van een turfmand (=iemand heimelijk spreken, zodat niemand anders het hoort)
  6. kinderen en dronkaards spreken de waarheid (=ze zeggen wat ze vinden, ze zijn ongeremd)
  7. voor de vuist weg (spreken) (=zonder voorbereiden iets moeten vertellen)
  8. voor dovemans oren spreken (=spreken tegen personen die niet willen horen)

40 betekenissen bevatten `spreken`

  1. van wal steken (=beginnen met spreken, beginnen met een verhaal)
  2. dat is Beulemans Frans (=dat is slecht Frans spreken. In België zeggen de Vlamingen dat over Waals. Walloniërs op hun beurt vinden Vlaams weer slecht Nederlands)
  3. een harde noot kraken (=dingen bespreken die moeilijk liggen, een moeilijk karwei doen)
  4. een hoge toon aanslaan (=doen alsof je het voor het zeggen hebt / luid en dwingend spreken)
  5. een Babylonische spraakverwarring (=door elkaar spreken zonder naar elkaar te luisteren en elkaar niet verstaan)
  6. Man en paard noemen. (=Duidelijke taal spreken)
  7. zijn woorden kauwen (=eerst nadenken en dan pas spreken)
  8. ergens geen woorden aan vuilmaken (=er niets eens over spreken)
  9. een goed mondstuk hebben (=goed kunnen spreken)
  10. iemand aanschieten (=iemand aanspreken)
  11. iemand spreken door het oor van een turfmand (=iemand heimelijk spreken, zodat niemand anders het hoort)
  12. iemand een hart onder de gordel/riem steken (=iemand moed inspreken)
  13. iets in de groep gooien (=iets in een groep bespreken)
  14. hij heeft een appeltje met hem te schillen (=iets met iemand te bespreken hebben naar aanleiding van iets wat men die ander verwijt)
  15. iets met de mantel der liefde bedekken (=iets niet met anderen bespreken maar stilzwijgen en accepteren)
  16. een waarheid als een koe (=iets totaal vanzelfsprekends)
  17. met twee monden praten (=jezelf tegenspreken in verschillende situaties, niet eerlijk zijn)
  18. te woord staan (=luisteren naar en bereid zijn te spreken met)
  19. zijn licht niet onder de korenmaat zetten (=meespreken, je mening geven en laten merken dat je er iets van weet)
  20. over de doden niets dan goeds (=men ziet kwaadspreken over overledenen als iets heel onbeleefd, er mag niet gespot worden met de dood)
  21. het op een akkoordje gooien (=met elkaar afspreken iets op een bepaalde manier aan te pakken)
  22. ergens een vouwtje bij leggen (=niet meer over spreken)
  23. zijn woorden inslikken (=niet uitspreken)
  24. iets te verhakstukken hebben (=nog iets met iemand te bespreken hebben, nog iets te doen hebben)
  25. een liedje van verlangen zingen (=op allerlei manieren een wens uitspreken)
  26. de vuile was buiten hangen (=over onaangename zaken spreken met buitenstaanders)
  27. op zijn stokpaardje zitten (=over zijn lievelingsthema spreken)
  28. het woord voeren (=spreken (als afgevaardigde door anderen))
  29. als een blinde over de kleuren oordelen (=spreken alsof men een kenner is, over iets waar men niets van weet)
  30. een woord op zijn pas is een daalder waard (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  31. een woord op zijn pas is zo goed als geld in de tas (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  32. een tere snaar aanroeren (=spreken over iets waar men beter niet over had gesproken)
  33. voor dovemans oren spreken (=spreken tegen personen die niet willen horen)
  34. bij moeders pappot blijven (=thuis blijven - enkel spreken over iets waar men iets over weet)
  35. zijn woorden op een goudschaaltje wegen (=uiterst weloverwogen spreken)
  36. de handen dicht mogen knijpen (=van geluk mogen spreken)
  37. de mond roeren (=van zich laten horen, spreken)
  38. iemand de woorden uit de mond halen (=voor een ander spreken)
  39. iets ter tafel brengen (=voorstellen om iets te bespreken)
  40. Het hebben over blauwe aardappelen en blauwe sokken (=Zonder het aanvankelijk beseft te hebben over verschillende zaken spreken)

Het dialectenwoordenboek kent 51 spreekwoorden met `spreken`

  1. Zeeuws: ie praatn achterover (=nederlands sprekend persoon)
  2. Nijlens: da is vanaages (=dat is vanzelf sprekend)
  3. Zuid-west-vlaams: tes em gespoog'n (=de gelijkenis is sprekend)
  4. Ninoofs: Tes zijn voar gedroit en gescheeten (=Hij lijkt sprekend op zijn vader)
  5. Westerkwartiers: da's nou 'n schoolveurbeeld (=dat is nou een sprekend voorbeeld)
  6. Munsterbilzen - Minsters: tiëge de mier kalle (=aan dovemansoren spreken)
  7. Gents: tes Frans mee oar op (=gebrekkig Frans spreken)
  8. Munsterbilzen - Minsters: frans met hoeër op kalle (=koeterwaals spreken)
  9. Vlijtingens: op de lètter kalle (=Nederlands spreken)
  10. Lebbeeks: gescheet'n: 't Es eel moier gescheet'n (=Ze lijkt sprekend op haar moeder)
  11. Lichtervelds: je mag zn twièè andn toîpeleggn (=hij mag van geluk spreken)
  12. Westerkwartiers: 't is hier net 'n jeud'nkerk (=ze spreken allemaal doorelkaar)
  13. Zeeuws: achterover praaten (=hollands spreken)
  14. Hulsters (NL): van ondervinding spreken (=uit ondervinding spreken)
  15. Werviks: klaikoeten (=plat dialect spreken)
  16. Twents: iej könt 'm hoaste nich an de veern kommen (=je kunt hem bijna niet te spreken krijgen)
  17. Sint-Niklaas: ei zit mè zèn uren (=hij is boos en niet aan te spreken)
  18. Sint-Niklaas: op iemand zijn kap zitten (=kwaad zijn op, of kwaad spreken over iemand)
  19. Antwerps: A sprekt Antwaarps van gotterligge (=Hij probeerd maar kan geen Antwerps spreken)
  20. Munsterbilzen - Minsters: vör te kakke moeste iës ze brikske lotte zakke (=niet voor je beurt spreken)
  21. kortemarks: etwie deur de stroent trekkn (=kwaad van iemand spreken)
  22. Diesters: mag zen pollekes kusse (=mag van geluk spreken)
  23. Fries: as dom prate koe , raasdest do de hele dei (=als dom kon spreken, schreewde jij de hele dag)
  24. Munsterbilzen - Minsters: Opte laetter kalle (=ABN spreken)
  25. Bilzers: vér zau te zègge (=bij wijze van spreken)
  26. Haags: spreke is zilvâh zwège is gâhd (=spreken is zilver zwijgen is goud)
  27. Zeeuws: ie praat mie un hrie-ette in zn keele (=brouwen [spreken])
  28. Munsterbilzen - Minsters: stroese kal on zich hëbbe (=gespierde taal spreken)
  29. Sint-Niklaas: ne puit in de keel ein (=moelijk spreken)
  30. Gavers: uit de rote klappen (=wartaal spreken)
  31. Brugs: je mag zen antjes kussen (=hij mag van geluk spreken)
  32. Kinrooi: Ouge spraeken euveral dezelfdje taal! (=Ogen spreken overal dezelfde taal!)
  33. Izegems: Kouten van land en zand en prochieaffairens (=Over van alles spreken)
  34. Lichtervelds: tis doa beeld moa gièèn klank (=ze spreken niet met elkaar)
  35. Waregems: de krop in de keele (=erg aangedaan (tijdens het spreken))
  36. Loois: dieje mag in z'n pollekes reusse (=die mag van geluk spreken)
  37. Bilzers: Dat dae mêr op z'n hatsje klop! (=Die mag van geluk spreken!)
  38. Gulpens: opgedrage an alle lu i gullepe en a wirsziee van de Gulp, die hun dialect nog kalle (=opgedragen aan alle mensen in Gulpen en aan beide kanten van de Gulp die hun dialect nog spreken)
  39. Lichtervelds: klappn lik etwieë zoender vel up zne buuk (=spreken zonder ervaring)
  40. Zwevegems: Ge moet zuoo leuje nie klap'n. (=Je moet zo luid niet spreken.)
  41. Munsterbilzen - Minsters: et moete goej spraekers zin daaj zwijgers konne verbaetere (=spreken is zilver, zwijgen is goud)
  42. Bilzers: ooze televieze hét beeld mér gene klank (=we spreken niet meer met mekaar)
  43. brabants: din't hast in munne box (=beter om elkaar te spreken in de rust)
  44. Ursels: es ui tonge noar de smesse toch (=wanneer een kind niet wil of durft spreken)
  45. Westerkwartiers: zij maag heur hand'n stief dicht kniep'n (=zij mag zeker van geluk spreken)
  46. Westerkwartiers: dan maagst de hand'n stief dichtkniep'n (=dan mag je van geluk spreken)
  47. Munsterbilzen - Minsters: braek mich nie de maul oëpe (=verplicht me niet om te spreken)
  48. Fries: at dom prate koe, raasdest do de hele day (=als dom kon spreken, schreeuwde jij de hele dag)
  49. Twents: A'j Plat kuiern könt, mö'j ’t nie loatn! (=Als je twents kunt spreken moet je het niet laten!)
  50. Munsterbilzen - Minsters: ich kin frans, mè Frans kint mich nie (=ja, ik kan wat Frans spreken, maar niet zo goed)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen