Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


579 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `je`

  1. aan alle kapelletjes aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
  2. aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
  3. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  4. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  5. Aan een oud dak moet je veel herstellen (=Verouderde zaken vergen nu eenmaal onderhoud)
  6. aan een touwtje hebben (=in zijn macht hebben)
  7. aan een zijden draadje hangen (=de kansen zijn nog niet verkeken, maar het scheelt erg weinig)
  8. aan het laatje zitten (=bij de bron zitten / geld hebben)
  9. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden / beloven, maar steeds weer uitstellen)
  10. aan je palen trekken (=zonder mededeling inpakken en wegwezen)
  11. aan zijn eindje vasthouden (=zijn standpunt handhaven)
  12. aap wat heb je mooie jongen (=sarcastische opmerking over iemand die wat al te trots is op iets)
  13. achter de gordijntjes smullen (=in stilte opeten)
  14. al vaak met dat bijltje gehakt hebben (=het werk al vaker gedaan hebben en weten hoe het moet)
  15. alle beetjes helpen (=ook kleine dingen dragen bij aan het grote geheel)
  16. alle gekheid op een stokje (=maar nu liever ernstig)
  17. alle heilige huisjes aandoen (=alle cafés bezoeken)
  18. alle vrachtjes helpen (=veel kleintjes maken een grote)
  19. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  20. als de vos de passie preekt boer pas op je ganzen (=een huichelaar is niet te vertrouwen)
  21. als een lopend vuurtje (=zich snel verspreidend (van een bericht of nieuwtje))
  22. als een pareltje in het goud zitten (=zich tussen aangename personen (buren) bevinden)
  23. als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  24. als je alles van tevoren wist, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  25. als je geschoren wordt, moet je stilzitten (=als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan)
  26. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  27. als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen (=dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd)
  28. Als je veel eet, dan ben je lelijk als je dood bent. (=Waarschuwing tegen te veel eten.)
  29. als puntje bij paaltje komt (=als het erop aankomt)
  30. als sardientjes in een blik (=stijf boven op elkaar; dicht opeen)
  31. als warme broodjes over de toonbank gaan (=zeer goed verkopen)
  32. alsof er een engeltje over je tong piest (=iets lekker vinden)
  33. altijd het oude liedje (=steeds weer hetzelfde)
  34. altijd hetzelfde deuntje zingen (=steeds weer hetzelfde herhalen)
  35. appeltje eitje (=erg makkelijk)
  36. aprilletje zoet, heeft nog wel eens een witte hoed (=in het begin (de hoed) van april kan het nog wel eens sneeuwen)
  37. bang voor zijn hachje zijn (=weinig durven en bang zijn om gevaar te lopen)
  38. barbertje moet hangen (=ongeacht of iemand schuldig is moet die gestraft worden)
  39. ben je belatafeld (=ben je gek)
  40. bij elk heilig huisje aanleggen (=alle cafés bezoeken)
  41. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  42. Bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. (=Bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  43. bij het walletje langs (=op het nippertje, zuinig)
  44. Bij kleine hapjes leert men een hond eten. (=Geleidelijk aan kun je zelfs aan onmogelijke dingen wennen.)
  45. Bij kleine lapjes leert men de hond leer eten. (=Geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
  46. bij nacht zijn alle katjes grauw en alle mondjes even nauw (=als het erop aankomt zijn we allen gelijk)
  47. binnen de lijntjes kleuren (=netjes handelen, niets doen wat niet mag)
  48. blijf uit zijn kielwater of je raakt in zijn zog (=blijf uit zijn buurt, want je wordt er slechter van)
  49. boompje groot, plantertje dood (=sommige dingen hebben effecten die je niet kunt voorzien)
  50. boontje komt om zijn loontje (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand altijd wel een keer moeten gaan dragen)

441 betekenissen bevatten `je`

  1. as is verbrande turf (=aan een belofte (as = als) heb je niets)
  2. op het sleeptouw houden (=aan het lijntje houden)
  3. op tui houden (=aan het lijntje houden)
  4. aan de veren kent men de vogel (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  5. fiolen van toorn over iemand uitstorten (=aan iemand duidelijk laten blijken dat je kwaad op diegene bent)
  6. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  7. van een mooi bord kun je niet eten (=aan uiterlijk alleen heb je niets)
  8. als de ganzen (=achter elkaar op een rijtje)
  9. vragen kost geen geld (=al heb je weinig kans, je kan het in elk geval maar vragen)
  10. zonder geluk vaart niemand wel (=alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)
  11. have en goed (verliezen) (=alles wat je hebt (verliezen))
  12. als je geschoren wordt, moet je stilzitten (=als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan)
  13. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren)
  14. als het schip lek is, gaan de ratten van boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
  15. botten blijven platvis (=als je dom bent dan blijf je dat)
  16. laat uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet (=als je een ander geld geeft kun je dat beter stilhouden want anderen hoeven het niet te weten)
  17. wie kaatst kan/moet de bal verwachten (=als je een ander plaagt, kun je verwachten dat die jou terug gaat plagen)
  18. wie a zegt moet ook b zeggen (=als je eenmaal ergens aan begonnen bent, moet je het ook afmaken)
  19. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt altijd wat (=als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel)
  20. wie scheep is moet varen (=als je ergens aan begonnen bent moet je er mee voortdoen)
  21. wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het meest (=als je ergens nauw bij betrokken bent, geniet je het meeste voordeel ervan)
  22. opgestaan is plaats vergaan (=als je even wegloopt kan iemand anders op je stoel gaan zitten)
  23. grijze haren zijn kerkhofsbloemen (=als je grijze haren krijgt, ben je niet zo ver van het kerkhof)
  24. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  25. wie zwijgt, stemt toe (=als je het ergens niet mee eens bent, moet je het zeggen)
  26. niet geschoten is altijd mis (=als je het niet probeert, komt er ook niks van)
  27. Men kan geen paard al lopende beslaan. (=Als je het werk goed wil doen, moet je er de tijd voor nemen)
  28. een spiering is vis als er anders niet is (=als je honger hebt, ben je niet kieskeurig / bij gebrek aan beter)
  29. elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar (=als je iedere dag een beetje doet komt het karwei uiteindelijk klaar)
  30. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  31. belofte maakt schuld (=als je iets beloofd hebt moet je dat ook nakomen)
  32. ongevraagd, ongeweigerd (=als je iets doet waarvoor geen toestemming is gevraagd kan het achteraf niet meer geweigerd worden omdat het al gebeurd is)
  33. wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten (=als je iets doms doet, moet je de gevolgen dragen (liefst zonder klagen))
  34. waar een wil is is een weg (=als je iets echt wilt, dan zul je ook slagen /de weg vinden naar je doel)
  35. een man een man, een woord een woord (=als je iets hebt beloofd, dan moet je je daar ook aan houden)
  36. van uitstel komt afstel (=als je iets niet meteen doet, loop je het risico dat het nooit meer gebeurt)
  37. uitstel is geen afstel (=als je iets uitstelt wil dat nog niet zeggen dat je het nooit meer gaat doen)
  38. jong te paard, oud te voet (=als je in je jeugd erg wordt verwend, krijg je het later erg moeilijk)
  39. In de nood eet de duivel vliegen. (=Als je in nood verkeert, stel je je tevreden met dingen die je anders zou weigeren.)
  40. wee de wolf die in een kwaad gerucht staat (=als je je goede naam verliest is die haast niet terug te winnen)
  41. hoop doet leven (=als je kan hopen op betere tijden, dan krijg je toch weer levenslust / zo lang je nog hoop hebt zijn er ook nog mogelijkheden)
  42. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)
  43. als de zon een mestvaalt beschijnt, dan verspreidt deze een onaangename geur (=als je met goede wil ergens te veel aandacht aan besteedt kan het verkeerd opgevat worden. / Met alle goede wil van de wereld kun je sommige zaken nog niet verbeteren)
  44. veel varkens maken de spoeling dun (=als je met veel bent, moet je ook met veel delen)
  45. Waar geen aardappelen gepoot worden, zullen er ook geen groeien (=Als je niet een goed begin voor iets legt, zal er ook niets van worden)
  46. geen bericht is goed bericht (=als je niet weet hoe het met iets of iemand gaat, kun je ervan uitgaan dat het goed gaat, zolang je geen slecht bericht ontvangt)
  47. gissen doet missen (=als je niet zeker bent van je zaak maar gokt, gaat het meestal fout)
  48. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  49. ouderdom komt met gebreken (=als je ouder wordt ga je van alles mankeren)
  50. gedeelde smart is halve smart (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)

Het dialectenwoordenboek kent 3196 spreekwoorden met `je`

  1. Volendams: amme zak (=jeetje)
  2. Bocholtz: jedderenge (=iedereen)
  3. Zeeuws: je zou z uut de koealen nie jeagen (=onnozel iemand)
  4. Londerzeels: a jeanke van Brussel (=een verfijnde man)
  5. Geels: in de jeer dabbe (=in de aarde (grond) graven)
  6. Waregems: ie jeet fits, jeet deure (=hij heeft het begrepen)
  7. Aalters: jees ze volgestookn (=Hij heeft ze bezwangerd)
  8. Noorderkempisch: Van wie zijde gai jeentje (=Wie zijn jou ouders)
  9. Oudenbosch: die jebbe ze mooi bij z ne veter gat (=die is te grazen genomen)
  10. Booms: Mie blaas et licht ôt, jef stekt de stoof in de kas (=(krachtterm))
  11. Ostêns: jeddenaap geschootn (=hij heeft een blunder van formaat gemaakt)
  12. Roeselaars: jee zien oariengn an (=Hij is dronken)
  13. kortemarks: jee ze gettn an (=hij is dronken)
  14. brabants: Van wie bende gij dur jeenuh (=Wie zijn je vader en moeder)
  15. Zoutleeuws: Zef, Zul en Sarel dronke zeneivel eit en zat (=jef, Julle en Charel dronken jenever uit een kop)
  16. Lichtervelds: jeet em buutngebonzjoerd (=hij heeft hem buitengegooid)
  17. Lichtervelds: jeet de kreevl in ze gat (=hij kan moeilijk stilzitten)
  18. Lichtervelds: jeet gat schoîne (=hij krijgt een buitenkans)
  19. Lichtervelds: jeet oîgn up ze gat (=hij ziet alles)
  20. Lichtervelds: jeet e broertje doîd an werkn (=hij werkt niet graag)
  21. kortemarks: jeet an ze flossche (=hij heeft het zitten)
  22. kortemarks: jeet in ze kloîtn gespeeld (=hij heeft het opgegeten)
  23. Roeselaars: jee ne slag in sien leenget (=loopt krom)
  24. Gents: a jee een stuk in zijn leeze. (=hij is zat)
  25. Lichtervelds: jee gezoenteit te koîpe (=hij is kerngezond)
  26. kortemarks: jee gièèn sensje ne mièè (=hij is uitgeput)
  27. Lichtervelds: jeet andn lik koolschippn (=hij heeft grote handen)
  28. Lichtervelds: jeet de beutr upgeetn (=hij is de dupe)
  29. Kortemarks: jeet weer in ze gat (=hij is slechtgezind)
  30. Lichtervelds: jeet gat ofgeneepn (=hij was nog net op tijd)
  31. Lichtervelds: jeet gat schoîne (=hij ziet een buitenkans)
  32. kortemarks: jeet int snotje (=hij heeft het in de smiezen)
  33. Lichtervelds: jeet spek an zn bièèn (=hij heeft het zitten)
  34. kortemarks: jeet e vliemnd stik in ze voetn (=hij is dronken)
  35. Lichtervelds: jeet gat schoîne (=hij ziet de kans schoon)
  36. Lichtervelds: jeet een êrte lik e koekkebroîd (=hij is goedhartig)
  37. Lichtervelds: jeet e droîge leevre (=hij drinkt veel)
  38. Kortemarks: jeet e droîge leevre (=hij drinkt veel)
  39. Kortemarks: jeet e farce teegngekomn (=hij had iets voor)
  40. Lichtervelds: jeet tgoapertje (=hij staat voor aap)
  41. kortemarks: jeet gat ofgeschootn (=hij was nog net op tijd)
  42. Roeselaars: jeet e goe peele (=hij is dik)
  43. kortemarks: jeet oale gevoerd teegn wiend (=hij heeft sproetjes)
  44. kortemarks: jeet oîrn lik talloîrn (=hij heeft grote oren)
  45. Lichtervelds: jee veel wiend in zne broek (=hij heeft veel pretentie)
  46. kortemarks: jee ze schippe ofgekuust (=hij is weg)
  47. kortemarks: jee gièène noagle voer an ze gat te schartn (=hij is straatarm)
  48. kortemarks: jee ze kêise uutgebloazn (=hij is gestorven)
  49. kortemarks: jee ne poatre geschilderd gewist (=hij werd bedrogen)
  50. Hals: A jee zè leper gelèèd (=Hij is overleden)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen