Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


579 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `je`

  1. Boontjes uit water eten. (=Een eenvoudige maaltijd.)
  2. boter op je hoofd hebben (=zelf ook schuldig zijn)
  3. Boter op je hoofd smeren en droog brood eten. (=In de war zijn.)
  4. botertje aan de boom zijn / het is botertje tot de boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  5. botje bij botje leggen (=samen geld bijeen leggen om te betalen)
  6. buiten zijn boekje gaan (=meer doen dan toegelaten)
  7. commandeer je hond en blaf zelf (=dat bevel weiger ik uit te voeren)
  8. daar heb je het gedonder in de glazen (=daar begint de miserie)
  9. daar helpt geen lievemoederen/moedertje lief aan (=niets helpt, ook vriendelijke woorden niet)
  10. daar is een haartje in de boter (=daar is ruzie of wrijving)
  11. daar is geen oogje vet meer op (=dat is niet veel meer waard)
  12. daar kan je gif op innemen (=je mag er zeker van zijn dat het gaat gebeuren)
  13. daar kun je donder op zeggen (=daar mag je zeker van zijn)
  14. daar kun je ketelaar van blijven (=dat zal niets opbrengen)
  15. dank je de koekoek (=mij niet gezien!)
  16. dat gaat je niet in de kouwe/koude kleren zitten (=dat is heel ingrijpend. Daar ben je niet snel overheen (bijvoorbeeld een traumatische ervaring))
  17. dat ging van een leien dakje (=dat ging vanzelf)
  18. dat haal je de koekoek (=mij niet gezien!)
  19. dat horen en zien je vergaat (=erg luid)
  20. dat is de aard van het beestje (=dat is typisch iets voor die persoon; zo zit hij of zij nu eenmaal in elkaar)
  21. dat is een eitje (=het is heel eenvoudig)
  22. dat is een klontje boter uit zijn pap (=dat kost een flink deel van zijn fortuin)
  23. dat is naatje/pet (=dat is waardeloos)
  24. dat kan Bruin(tje) niet trekken (=dat kunnen we ons niet veroorloven (afgeleid van een populaire naam voor trekpaarden))
  25. dat maakt van jezus nog een ketter (=dat is zelfs bij de meest integer mens een schanddaad)
  26. dat mag met een krijtje aan de balk (=dat is een ongewone gebeurtenis)
  27. dat moet je niet uitpoetsen/uitvlakken (=dat is ernstiger dan het lijkt)
  28. dat raak je aan de straatstenen niet kwijt (=dat is niet te verkopen)
  29. dat varkentje zullen we even wassen (=deze opdracht zullen we even uitvoeren)
  30. dat was op het nippertje (=dat is maar net gelukt)
  31. dat zaakje zal wel doodbloeden (=die kwestie zal geleidelijk aan wel worden vergeten)
  32. de aard van het beestje (=het karakter van iemand)
  33. de bloemetjes buiten zetten (=uitbundig vieren)
  34. de bordjes zijn verhangen (=de omstandigheden zijn veranderd)
  35. de eigen boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
  36. de eindjes (niet) aan elkaar knopen (=(niet) rond komen (met z'n inkomen))
  37. de engeltjes schudden hun kussens uit (=het sneeuwt)
  38. de kantjes er van aflopen (=zijn best niet doen)
  39. de kastanjes voor iemand uit het vuur halen (=voor iemand anders het gevaarlijke werk of een lastig klusje doen)
  40. de kat(jes) in 't donker knijpen (=kwaad doen waar niemand het ziet)
  41. de kleintjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  42. de laatste loodjes wegen het zwaarst (=het afwerken is vaak het lastigst)
  43. de peentjes opscheppen (=de boel opruimen)
  44. de puntjes op de i zetten (=de details erbij zetten - orde op zaken stellen)
  45. de touwtjes in handen hebben (=de controle hebben)
  46. de vingers jeuken hem (=het bijna niet kunnen laten er op los te slaan)
  47. de wereld in een doosje hebben (=tevreden en gelukkig zijn met wat iemand heeft)
  48. denken moet je aan een paard overlaten, dat heeft een groter hoofd (=niet te veel denken maar doen)
  49. Denken moet je aan een paard overlaten, die hebben een groter hoofd. (=Je moet niet te veel denken)
  50. doekje voor het bloeden (=een schrale troost, of een ontoereikende, slechts symbolische maatregel)

441 betekenissen bevatten `je`

  1. kalmte zal je redden (=als je rustig blijft gaan de dingen beter)
  2. de liefde kan niet van één kant komen (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  3. wie zijn klomp breekt, schiet gemakkelijk uit zijn slof (=als je wordt teleurgesteld, kun je gemakkelijk boos worden)
  4. goed voorbeeld doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  5. goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  6. wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft (=als je zoveel geeft zoveel je kunt, dan kan niemand je iets verwijten)
  7. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  8. Heeft de duivel het paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in de macht van slechte mensen, dan wordt het alleen maar erger)
  9. Heeft de duivel 't paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  10. ben je belatafeld (=ben je gek)
  11. van de ratten besnuffeld/gebeten zijn (=ben je nu helemaal gek!)
  12. maak je borst maar nat (=bereid je voor op een zware klus (of op veel tegenstand))
  13. op een kratje zitten als dat nodig is (=bereid zijn om je aan te passen aan minder luxe )
  14. ons kent ons (=betrekkelijk afgesloten clubje mensen dat onderling de zaken regelt)
  15. om kaneelwater lopen (=beuzelwerk doen - van het kastje naar de muur gestuurd worden)
  16. aan het (sleep)touw houden (=bezig houden / aan het lijntje houden)
  17. blijf uit zijn kielwater of je raakt in zijn zog (=blijf uit zijn buurt, want je wordt er slechter van)
  18. daar is kop noch staart aan te vinden (=daar geraak je niet uit wijs)
  19. dat kan al het water van de zee niet afwassen (=daar is niets aan te doen - dat kan je niet wegpraten)
  20. daar kun je donder op zeggen (=daar mag je zeker van zijn)
  21. daar zal wat zwaaien (=daar zal een hartig woordje gesproken worden)
  22. die haring braadt niet (=dat (meestal geniepige) plannetje schijnt niet te lukken)
  23. dat slaat als een knots op een kangoeroe (=dat choqueert je)
  24. morgen brengen (=dat geloof je toch zelf niet! dat doe ik beslist niet!)
  25. dat is geen geld (=dat is erg goedkoop als je ziet wat je ervoor krijgt)
  26. dat gaat je niet in de kouwe/koude kleren zitten (=dat is heel ingrijpend. Daar ben je niet snel overheen (bijvoorbeeld een traumatische ervaring))
  27. dat is iemand met een gebruiksaanwijzing (=dat is iemand waarvan je weet hoe je met diegene om moet gaan)
  28. dat kan ik wel in mijn holle kies stoppen (=dat is wel een heel klein beetje)
  29. iets op je lever hebben (=dat je nog iets wilt uiten, dat er iets is dat je heel erg dwars zit en dat gezegd moet worden)
  30. als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen (=dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd)
  31. volgens Bartjens (=de allereenvoudigste rekenstof (als referentie aan onderwijzer Willem Bartjens die een bekend rekenboekje schreef))
  32. driemaal is scheepsrecht (=de derde keer zal je wel gaan lukken)
  33. morgen des levens (=de jeugd)
  34. de jongste ezel moet het pak dragen (=de jongste moet de vervelende klusjes opknappen)
  35. bomen ontmoeten elkaar niet, mensen wel (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot)
  36. De beste paarden staan op stal. (=De leukste meisjes gaan niet uit)
  37. De prins op het witte paard. (=De man uit je dromen)
  38. de prins op het witte paard (=de man van je dromen)
  39. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  40. vreemde ogen dwingen (=de ogen van een vreemde heeft meer invloed op je dan van een bekende)
  41. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  42. de tijd kent geen genade (=de tijd gaat sneller voorbij dan je denkt)
  43. bezint eer ge begint (=denk goed na over de gevolgen voordat je actie onderneemt)
  44. je doet de boter in de pan, maar bakt er niks van (=denken dat je iets begrijpt, terwijl je dat niet doet)
  45. thuis is in je schuur (=dit wordt gezegd als je weinig thuis bent)
  46. de tijd vliet snel gebruik hem wel (=doe wat je moet doen, terwijl je nog kan)
  47. een hoge toon aanslaan (=doen alsof je het voor het zeggen hebt / luid en dwingend spreken)
  48. doen alsof je neus bloedt (=doen alsof je van niets weet)
  49. zijn trekken thuis krijgen (=door anderen op dezelfde manier behandeld worden als je hun behandelde (bv met een streek))
  50. door vragen wordt men wijs (=door het stellen van vragen kun je veel te weten komen en veel kennis opdoen)

Het dialectenwoordenboek kent 3196 spreekwoorden met `je`

  1. Lichtervelds: jee gièène noagle voer an ze gat te schartn (=hij is straatarm)
  2. Lichtervelds: jee veel nootn up zne zang (=het is een druktemaker)
  3. kortemarks: jee ze nie ollemoale toîpe (=hij is niet goed wijs)
  4. kortemarks: jee veel wiend in zne broek (=hij heeft veel pretentie)
  5. West-Vlaams: jeet een tonge van lientjes (=hij kan praten als geeneen)
  6. Lichtervelds: jeet er zne deugd in (=hij beleeft er plezier aan)
  7. kortemarks: jeet e robbeltje get (=hij heeft een beroerte gekregen)
  8. Lichtervelds: jee gescheetn (=hij heeft het verknald)
  9. Lichtervelds: jee veele mul (=hij heeft veel geld)
  10. Lichtervelds: jee doa gescheetn (=hij is er niet meer gewenst)
  11. kortemarks: jee ne zindr up (=hij is dronken)
  12. kortemarks: jee moa tgeld te scheppn (=hij is zeer rijk)
  13. kortemarks: jee ze joengn upgeetn (=hij draagt een baard)
  14. Munsterbilzen - Minsters: jef, wanter hèttet grütste krijs èn zen broek (=wie is de heiligste persoon van Bilzen)
  15. Waregems: jee em zieëredoan (=hij heeft zich bezeerd (pijn gedaan))
  16. Lichtervelds: jee mièèr oar up zne kinne dan up zn oîfd (=het is een kaalkop)
  17. kortemarks: jee ne slag gedoan (=hij heeft een goede zaak gedaan)
  18. Lichtervelds: jeet e gat in zn and (=hij geeft nodeloos geld uit)
  19. Lichtervelds: jeet dn uppergoaj ofgeschootn (=hij heeft een grote fout gemaakt)
  20. Lichtervelds: eetend in zne kop, jeet nie in ze gat (=hij heeft een sterk karakter)
  21. kortemarks: jeet in me roapn gescheetn (=hij heeft het bij me verkorven)
  22. Kerkraads: deë jeet inne óp d'r wekker (=die kan lastig zijn)
  23. Lichtervelds: jeet weer in ze gat (=er is niets mee aan te vangen)
  24. Kortemarks: jeet er zne deugd in (=hij beleeft er plezier aan)
  25. Lichtervelds: jeet spek an ze bièènn (=hij is er de dupe van)
  26. Kortemarks: jeet e verlottn keelegat (=hij kan zeer warm voedsel verorberen)
  27. Kortemarks: jeet e gat lik e broîmande (=hij heeft een dik achterste)
  28. kortemarks: jeet in me roapn gescheetn (=hij heeft bij mij afgedaan)
  29. kortemarks: jeet em loatn vliendern (=hij heeft zich laten bedriegen)
  30. Lichtervelds: jee gièèn zittnd gat (=hij kan moeilijk niets doen)
  31. lichtervelds: jee gièène noagle voer an ze gat te schartn (=hij kent veel armoede)
  32. Lichtervelds: jee gièènen noagle voer an ze gat te schartn (=hij leeft in armoede)
  33. kortemarks: jee stroent in zn oîgn (=hij ziet het niet duidelijk)
  34. kortemarks: jee ne slag van de meuln get (=hij is niet goed wijs)
  35. Heusdens: De boer ha 17 jung en os Merei heitte Tul os en,ooch nog Seefa en osse jef heitte Fuin en osse Louis heitte Juul , da war fur het nie gemekklijk te maken (=de boer had 17 kinderen , allemaal jaar op jaar , 3 dochters heette Maria en werden , Tul , Mereë en Seefa genoemd, Onze Jozef heette Feun , onze Louis heete jef en onze Henrie heette Juul, toch niet gemakkelijk he)
  36. Bilzers: knots versliëte, zaag jef, èn hae goejde zen vroo mètte sjroepdoek ènde vaulbak (=wat niet meer dient, gaat rechtstreeks in de vuilbak)
  37. kortemarks: jeet er ze klièèrn an gescheurd (=hij heeft bij een transactie geld verloren)
  38. kortemarks: jee nog noît e strooj van dêirde gerapt (=hij is te lui om te werken)
  39. kortemarks: jee nieten in de pap te brokkn (=hij heeft er niets te zeggen)
  40. Westlands: Hebbie cente bij je (=Of je je protomonee bij je hebt)
  41. Mays: heddoew aai op? (=heb je je ei gegeten?)
  42. Ostêns: je mag je mulle oeden (=je mag zwijgen)
  43. Mechels (NL): Doe most dig mentenére (=je moet je doorzetten)
  44. Brakels: ge moet ou voen' (=je moet je gedragen)
  45. Liwwadders: hou dien hasses (=je moet je mond houden)
  46. Westerkwartiers: moest dij delgeev'm (=je moet je overgeven)
  47. Zaans: je mellek kookt over (=je hemd hangt uit je broek)
  48. Spakenburgs: heije in je broek u kakt (=heb je in je broekgepoept)
  49. Volendams: ej je niet dan kej je niet (=als je geen geld heb, kan je niet mee)
  50. Huizers: hij je nijt dan kan je oëk nijt (=heb je niets dan kun je ook niets)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen