Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


579 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `je`

  1. Kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  2. kleine potjes hebben ook oren (=ook kleine kinderen luisteren mee)
  3. kruisjes achter de rug hebben (=tientallen jaren oud zijn)
  4. lach als je begraven wordt (=dat is geen reden om te lachen)
  5. langzaam aan, dan breekt het lijntje niet (=je kunt beter rustig doorwerken, dan kan er het minste fout gaat)
  6. laten we elkaar geen mietje noemen (=laten we precies zeggen hoe we denken over de ander)
  7. leentjebuur spelen (=iets lenen)
  8. lieverkoekjes worden hier niet gebakken (=zin of geen zin, je moet het doen)
  9. loop naar je grootje (=ga weg!)
  10. lust je nog peultjes (=wat zeg je me daarvan!)
  11. maak je borst maar nat (=bereid je voor op een zware klus (of op veel tegenstand))
  12. mal moertje mal kindje (=als de moeder te veel toegeeft zal het kind niet deugen)
  13. malletje naar malletje (=op precies dezelfde wijze herhaald)
  14. meisjes die bloemen dragen, mag je kussen zonder te vragen (=een aanmoediging om meisjes met bloemen te kussen)
  15. men moet van zijn kantje blijven (=men mag hem niet aanraken, hij is niet aanspreekbaar)
  16. men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan (=als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
  17. met een kluitje in het riet sturen (=met een smoesje wegsturen)
  18. met hangende pootjes thuiskomen (=bewust van schuld (thuis)komen / zeer tegen zijn zin)
  19. Met hem kan je paarden stelen. (=Hij is overal voor te vinden)
  20. met hem kun je gaan vissen (=een prettig persoon in de omgang)
  21. met je hoed in je hand kom je door het ganse land (maar met je pet op je test kom je er ook best) (=met beleefdheid kun je veel bereiken)
  22. met molentjes lopen (=in de war zijn, niet goed bij het verstand zijn)
  23. mijn maag jeukt (=ik heb honger)
  24. mijn vingers jeuken (=ik heb zin om eraan te beginnen)
  25. moet je heen hooien? (=heb je geen tijd?)
  26. moet je nog peultjes (=wat zeg je daarvan!)
  27. mooie liedjes duren niet lang (=geluk is van korte duur)
  28. morgen als kaatje verjaart (=nooit , dat stel ik liever uit)
  29. naar de bar(re)biesjes gaan (=totaal verloren gaan zonder dat er iets van overblijft (bijv. een schip dat vergaat))
  30. nee heb je, ja kun je krijgen (=je kunt het altijd proberen)
  31. niet op zijn mondje gevallen zijn (=precies duidelijk maken hoe iemand over iets denkt)
  32. niet verder zien/kijken dan je neus lang is (=niet goed nadenken wat de gevolgen van iets zijn)
  33. niets dan lege briefjes hebben in te brengen (=voorstellen waarvan je vooraf al weet dat deze toch niet bekeken worden)
  34. nieuwsgierig aagje (=een nieuwsgierig persoon)
  35. nu heb je het schaap aan het schijten (=nu komen er problemen van)
  36. of je worst lust! (=antwoord als iemand `Wat?!` zegt)
  37. ogen op steeltjes hebben (=erg verbaasd zijn)
  38. om door een ringetje te halen (=keurig netjes)
  39. om een ladder te beklimmen begin je met de onderste sport. (Haastige spoed is zelden goed) (=)
  40. om een luchtje gaan (=dood gaan)
  41. onder één hoedje spelen (=samen iets oneerlijks doen)
  42. onder een staand zeiltje is het goed roeien (=met een klein vast inkomen, verdient men al gauw genoeg voor de kost)
  43. op dat mes kun je naar Keulen rijden (=dat mes is erg bot)
  44. op de kleintjes letten (=zuinig zijn. Ook de kleine uitgaven proberen terug te dringen)
  45. op een droogje zitten (=op visite zijn en niks te eten of drinken krijgen)
  46. op een goudschaaltje leggen/wegen (=heel voorzichtig afwegen)
  47. op een houtje bijten (=honger hebben)
  48. op een klein pitje zetten (=tijdelijk laten wachten, slechts langzaam laten verdergaan)
  49. op een kluitje (=dicht bij elkaar)
  50. op een kratje zitten als dat nodig is (=bereid zijn om je aan te passen aan minder luxe )

441 betekenissen bevatten `je`

  1. strenge heren regeren niet lang (=wanneer een baas niet een beetje soepel is wordt het voor hem erg moeilijk)
  2. vrienden in nood, honderd in een lood (=wanneer er zich problemen voordoen, laten vrienden je vaak in de steek)
  3. als katten muizen, mauwen ze niet (=wanneer je aan het eten bent, praat je niet zoveel)
  4. rust roest (=wanneer je niets doet gaat je vermogen achteruit)
  5. in nood leert men zijn vrienden kennen (=wanneer men in de problemen zit wordt duidelijk welke vrienden daadwerkelijk iets voor je willen betekenen)
  6. wie tot een penning geboren is kan tot geen stuiver komen (=wat het lot voor je in petto heeft kan je niet ontlopen)
  7. wat ik je brom (=wat ik je zeg!)
  8. getroffen zijn door (=wat je bijzondere gevoelens geeft, geraakt zijn door)
  9. zo gewonnen, zo geronnen (=wat je makkelijk hebt gewonnen, kun je ook makkelijk weer kwijt raken)
  10. wat het oog niet ziet, wat het hart niet deert (=wat je niet ziet en niet weet heb je ook geen last)
  11. moet je nog peultjes (=wat zeg je daarvan!)
  12. lust je nog peultjes (=wat zeg je me daarvan!)
  13. een kruimeltje is ook brood (=wees gelukkig met wat je hebt)
  14. weet wat je zegt, maar zeg niet alles wat je weet (=wees voorzichtig met woorden en je informatie)
  15. wie niet sterk is moet slim zijn (=wie geen macht of invloed heeft moet zijn slimheid gebruiken om je doel te behalen)
  16. het eerste gewin is kattengespin (=wie het eerste spelletje wint, verliest soms alle volgende spelletjes)
  17. een Pyrrhusoverwinning behalen (=winnen wat zoveel heeft gekost dat je de volgende ronde niet meer aan kan)
  18. scheepjes met zuren appelen (=wolkjes die regen of storm voorspellen)
  19. oog om oog en tand om tand (=wraak nemen voor onrecht dat je is aangedaan, door de dader precies hetzelfde aan te doen)
  20. in het oor fluisteren (=zachtjes (heimelijk) zeggen)
  21. met het water voor de dokter komen (=zeggen wat je bedoelt)
  22. zijn neus in andermans zaken steken (=zich bemoeien met zaken die je niet aangaan)
  23. een krul meer in zijn staart hebben dan een gewoon mens (=zich een beetje aanstellen)
  24. als een lopend vuurtje (=zich snel verspreidend (van een bericht of nieuwtje))
  25. kip, ik heb je (=ziezo, dat is gelukt / ik heb je te pakken!)
  26. van zijn hart geen moordkuil maken (=zijn gevoelens niet opkroppen / vrijuit zeggen wat je niet bevalt / eerlijk zeggen over hoe er over iets gedacht wordt)
  27. zijn draai vinden (=zijn plekje vinden)
  28. lieverkoekjes worden hier niet gebakken (=zin of geen zin, je moet het doen)
  29. als de stok stijf staat is de uil gaan vliegen (=zit je eenmaal met een erectie, dan is de wijsheid ver zoeken)
  30. in de ban zijn van iets (=zo erg in iets geïnteresseerd zijn dat je aandacht alleen nog maar daarop kunt richten)
  31. met zijn hoofd in de wolken (=zo gelukkig, blij zijn dat je niet goed oplet)
  32. zo vraagt men de boeren de kunst af (=zo verneem je hoe het moet)
  33. zo ziet men weer hoe een dubbeltje rollen kan (=zo zie je maar hoe het kan gaan)
  34. zoals het raait en draait (=zoals het zijn gangetje gaat)
  35. zoals het reilt en zeilt (=zoals het zijn gangetje gaat)
  36. iets tussen neus en lippen zeggen (=zonder dat je het merkt in het geheel iets zeggen)
  37. in iemands gareel lopen (=zonder enige tegenwerping doen wat iemand je opdraagt)
  38. geen geld, geen Zwitsers (=zonder geld krijg je hulp noch koopwaar of er is altijd wel geld nodig om iets gedaan te krijgen)
  39. vuile boter, vuile vis (=Zonder goed gereedschap bereik je geen goede resultaten)
  40. geen kip meer kunnen zeggen (=zoveel hebben gegeten dat je niets meer kan eten. Volkomen verzadigd)
  41. rouwranden aan zijn nagels hebben (=zwarte randjes onder vingernagels hebben)

Het dialectenwoordenboek kent 3196 spreekwoorden met `je`

  1. Gils: ge mot er zelf aachterkommen (=je moet hetzelf ontdekken)
  2. Balens: oesdoeregeda? (=hoe doe je dat?)
  3. Reeks: Hoeist (=Hoe is het met je)
  4. Roosendaals: houdoe bakkes (=hoe je mond)
  5. Sallands: hoe ej ter mit (=hoever ben je)
  6. Waregems: 'k garandeer' oi... (=ik verzeker je...)
  7. Vechtdals: past d'r op! (=ik waarschuw je)
  8. Sallands: Pas ter op! (=ik waarschuw je!)
  9. Helmonds: Dalik kriede ze... (=Ik waarschuw je...)
  10. Waregems: ksie jooi girne (=ik zie je graag)
  11. Brakels: mij gat gescheetn en alleeloeja gezoongn (=in je dromen)
  12. Munsterbilzen - Minsters: de vingse, me kènd ! (=je bent mal, meisje !)
  13. Munsterbilzen - Minsters: zen plaffeture vallen al vanzelf tau (=je bent moe)
  14. Lutters: ie bint nie goed wies (=je bent niet wijs)
  15. leuvens: euve neis krolt wei (=je bent zo nieuwsgierig)
  16. Heezers: ge bidt gin bakkes (=je bidt niet veel)
  17. Ninoofs: 't stond in 't veinsterblad (=je bron is niet betrouwbaar)
  18. Evergems: doe eu schorte goe an (=je correct aankleden)
  19. Bilzers: de goêfs; de langsde (=je gaf)
  20. Munsterbilzen - Minsters: t trèk haaj ! (=je gulp staat open !)
  21. Ninoofs: Emmer de rat'n oeëgezeetn (=je haar is slecht geknipt)
  22. Genneps: á.chterum ist kèrrmis (=je komt maar achterom)
  23. Bilzers: e kikske tiëge ze brikske (=je krijgt geen koekje)
  24. Boakels: aachterum is 't kermis (=je kunt gerust achterom komen)
  25. Munsterbilzen - Minsters: de konse mich kisse (=je mag ze kussen)
  26. Westerkwartiers: voet bij stuk holl'n (=je mening vasthouden)
  27. Ninoofs: ge moedj a piet'n (=je moet correct spelen)
  28. Tilburgs: hoe kos-te-r in (=hoe kon je binnenkomen)
  29. Brakels: èt ou kloek (=hou je goed)
  30. Waregems: oud oi koest (=hou je kalm)
  31. Zeeuws: ou jeneihen in de reeke (=hou je koest)
  32. Oudenbosch: ou d'oe gerege (=hou je maar gedeisd)
  33. West-Vlaams: oud ju mulle ! (=hou je mond)
  34. Waalwijks: Haaw oewe mond, of grof: haaw oew bakkes (=Hou je mond)
  35. Fries: hald fan dy (=hou van je)
  36. Heldens: Hald diene kiébes , hoi diene kiebes (=Houd je kop!!)
  37. Westerkwartiers: kenst doar wat met word'n ? (=kun je daarmee overweg ?)
  38. Munsterbilzen - Minsters: hübste zen toeng èngeslik ? (=kun je niet praten ?)
  39. Bilzers: kimste mèt? (=kom je mee?)
  40. Limburgs: Kum se auch (=Kom je ook)
  41. Oudenbosch: gij kun inrukke (=maak dat je weg komt)
  42. Lichtervelds: tgemak goa voîrn (=maak het je gemakkelijk)
  43. Tilburgs: meug de dé ? (=mag je dat?)
  44. Lochristis: geef moar sette (=laat je gaan)
  45. Sallands: Váke beij te bangge (=Leef nu je kan)
  46. Mestreechs: höb se nog gein pijn aon die lip (=letterlijk: heb je nog geen pijn aan je lip - betekent: beter hou je je bek eens)
  47. Achterhoeks: mo'j 's kieken (=moet je eens kijken)
  48. Budels: mej ow turftraaiers (=met je grote lompe poten)
  49. Lutters: lustoe dawwè (=lust je dat wel)
  50. Genneps: Mé.n kumt ter ok wèr ennen dag (=Neem je tijd)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen