Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


333 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `hebben`

  1. `t Mag vloeien, `t mag ebben. Die niet waagt zal `t niet hebben (=Je moet niet denken als je niets onderneemt dat ze het dan bij je thuis komen bezorgen)
  2. aan de pan gelikt hebben (=slecht terechtkomen of veel schade hebben)
  3. aan een touwtje hebben (=in zijn macht hebben)
  4. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden / beloven, maar steeds weer uitstellen)
  5. Abraham gezien hebben (=50 jaar of ouder zijn)
  6. achter de kiezen hebben (=opgegeten hebben)
  7. achter de knopen hebben (=opgegeten hebben)
  8. al vaak met dat bijltje gehakt hebben (=het werk al vaker gedaan hebben en weten hoe het moet)
  9. al voor heter vuren gestaan hebben (=er erger meegemaakt hebben)
  10. al zijn kruit verschoten hebben (=geen verdere oplossingen meer weten - niet meer verder kunnen)
  11. als hadden geweest is, is hebben te laat. (=niet zeuren over gedane zaken)
  12. bij de neus hebben (=iets wijsmaken)
  13. bij de vleet (iets hebben) (=erg veel (van iets hebben))
  14. boter op je hoofd hebben (=zelf ook schuldig zijn)
  15. brede schouders hebben (=veel kunnen verdragen)
  16. dat zal hem geen windeieren hebben gelegd (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben)
  17. de aap beet/binnen/weg hebben (=het geld ontvangen hebben)
  18. de baard in de keel hebben (=overgang van kinderstem naar volwassen stem)
  19. de bokkenpruik op hebben (=slecht gehumeurd zijn)
  20. de boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben)
  21. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  22. de boter en de kaas te dik gesneden hebben (=te veel verteerd hebben)
  23. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  24. De domste boeren hebben de dikste aardappelen (=Met geluk komt men vaak verder dan met verstand)
  25. de drie h s op de rug hebben (=vast zitten, niet weg kunnen komen)
  26. De haan en de vos hebben elkaar te gast (=Twee bedriegers zijn steeds op hun eigen voordeel uit)
  27. de Hebreeërs bouwden het, maar de Egyptenaren hebben het. (Exodus 1:11-14) (=het vuile werk door anderen opknappen en het resultaat zelf pakken)
  28. de klok hebben horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt (=ergens over gehoord hebben, zonder er echt iets van af te weten)
  29. de kriebel in zijn gat hebben (=niet kunnen stilzitten)
  30. de kronkel in de darm hebben (=hevige buikpijn (koliek) hebben)
  31. de lading binnen hebben (=dronken)
  32. de langste adem hebben (=iets het langst volhouden)
  33. de mier aan iets/iemand hebben (=een erge hekel hebben)
  34. de muren hebben oren (=er kan ongewenst worden meegeluisterd door anderen)
  35. de overhand hebben (=iets is meer aanwezig dan het ander / meer invloed hebben)
  36. de pee in hebben (=erg gehumeurd zijn)
  37. de pest aan iets (gezien) hebben (=er een hekel aan hebben)
  38. de pik op iemand hebben (=iemand voortdurend plagen of aanvallen)
  39. de ring van gyges hebben (=zich onzichtbaar kunnen maken)
  40. de schurft aan iets hebben (=iets erg vervelend vinden)
  41. de slappe lach hebben/krijgen (=niet kunnen stoppen met lachen)
  42. de smoor in hebben (=er een geweldige hekel aan hebben)
  43. de teugels in handen hebben/houden (=de leiding hebben/houden)
  44. de tijd aan zich hebben (=weinig of niets te doen hebben)
  45. de touwtjes in handen hebben (=de controle hebben)
  46. de wereld in een doosje hebben (=tevreden en gelukkig zijn met wat iemand heeft)
  47. de wijsheid in pacht hebben (=erg verstandig zijn of althans doen alsof)
  48. de wind eronder hebben (=de ondergeschikten hebben angst)
  49. de wind in de zeilen hebben (=voorspoed hebben)
  50. Denken moet je aan een paard overlaten, die hebben een groter hoofd. (=Je moet niet te veel denken)

339 betekenissen bevatten `hebben`

  1. een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
  2. het land aan iets hebben (=aan iets een hekel hebben)
  3. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  4. De zon niet in het water kunnen zien schijnen (=Afgunst hebben (jaloers zijn) op een ander)
  5. voor heter vuren gestaan hebben (=al groter problemen gekend hebben)
  6. kunnen lezen en schrijven (=al lange tijd goede diensten bewezen hebben)
  7. gepokt en gemazeld zijn (=al veel ervaring hebben)
  8. een glaasje op hebben (=alcohol te hebben genuttigd)
  9. het gelag betalen (=alle kosten moeten betalen terwijl ook anderen er schuld aan hebben)
  10. de Mammon dienen (=alleen maar belangstelling hebben voor geld)
  11. lief en leed delen (=allerlei plezierige en droevige dingen met elkaar beleefd hebben)
  12. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)
  13. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  14. in zijn achterhoofd hebben (=als reserve klaar hebben)
  15. onder een gelukkig gesternte geboren zijn (=altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
  16. Op de magerste paarden bijten de dazen. (=Arme mensen hebben vaak pech)
  17. in de rats zitten (=bang zijn of angst hebben / in de problemen zitten)
  18. waar twee kijven hebben twee schuld (=beide personen hebben schuld als ze ruzie met elkaar maken)
  19. aan het laatje zitten (=bij de bron zitten / geld hebben)
  20. voeling hebben (=contact hebben)
  21. dat zal hem geen windeieren hebben gelegd (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben)
  22. dat zijn aambeien met slagroom (=dat zijn dingen die niets met elkaar van doen hebben)
  23. onder de pannen zijn (=de (geld)zaken goed voor elkaar hebben)
  24. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  25. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  26. de bezem in de mast voeren (=de baas zijn en leiding hebben)
  27. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  28. tussen mal en dwaas zijn (=de bakvisleeftijd hebben)
  29. de touwtjes in handen hebben (=de controle hebben)
  30. het stuur kwijt zijn (=de controle verloren hebben)
  31. zijn ei kwijt kunnen (=de gelegenheid hebben zich te uiten; of, zijn creativiteit kunnen gebruiken)
  32. goede papieren hebben (=de goede eigenschappen hebben (voor een baan))
  33. aan het roer zitten/staan (=de leiding hebben)
  34. de teugels in handen hebben/houden (=de leiding hebben/houden)
  35. iemand kunnen maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
  36. de wind eronder hebben (=de ondergeschikten hebben angst)
  37. er de wind onder hebben (=de schrik erin hebben zitten bij ondergeschikten)
  38. een streep door de rekening halen (=de schuld van iemand kwijtschelden en het er niet meer over hebben)
  39. in gebreke zijn (=de taak niet naar behoren uitgevoerd hebben)
  40. niets te verletten hebben (=de tijd hebben)
  41. zijn schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orde hebben of voldoende hebben om niet meer te hoeven werken)
  42. kreupel wil altijd voordansen (=de zwaksten willen het hoge woord hebben)
  43. het kind van de rekening (=degene die schade lijdt, terwijl anderen niets hebben)
  44. uit dezelfde klei gebakken zijn (=dezelfde afkomst hebben)
  45. eén lijn trekken / Dezelfde lijn trekken (=dezelfde mening hebben)
  46. platgetreden paden/wegen (=dingen die anderen al eerder gedaan hebben)
  47. niet brandschoon zijn (=dingen misdaan hebben)
  48. alle hoop de bodem in (laten) slaan (=door iets geen enkele hoop meer (laten) hebben)
  49. de derde man brengt de spraak aan (=drie hebben gemakkelijker een gesprek dan twee)
  50. de gekken krijgen de kaart (=dwaze en onverstandige mensen krijgen hun gelijk of ze dat hebben of niet)

Het dialectenwoordenboek kent 715 spreekwoorden met `hebben`

  1. Westerkwartiers: per slöt van reek'n (=alles overwogen hebbend)
  2. Tilburgs: hiet te liege (=de naam hebbend, altijd te liegen)
  3. Bilzers: ze hebbenem tegoei gebich (=ze hebben hem de les gespeld)
  4. Clings: spookes hein (=ambras hebben)
  5. West-Vlaams: buzze ein (=geluk hebben)
  6. turnhouts: schriebes hemme (=honger hebben)
  7. Olens: t' plotteke (=griep hebben)
  8. Waregems: van stroate zijn (=relatie hebben)
  9. Leeds: van optrok zijn (=succes hebben)
  10. Munsterbilzen - Minsters: m (=schrik hebben)
  11. brabants: Voart ebbe (=Heimwee hebben)
  12. Westerkwartiers: wij hemm'n 't wel had (=hebben - wij hebben het wel gehad)
  13. Zeilbergs: Bessem hebben (=Het rijk alleen hebben)
  14. Graauws: genen puit te biechten hebben (=niets in te brengen hebben)
  15. Eys: an der dönne zië (=diarree hebben)
  16. Zottegems: van wezen zijn (=inzicht hebben)
  17. Moorsel: met bisjten zitten (=jicht hebben)
  18. Leids: ongelijk is een boggel (=ongelijk hebben)
  19. Munsterbilzen - Minsters: ze kniepe (=schrik hebben)
  20. Mestreechs: un tét kriege (=verloren hebben)
  21. Venloos: Eine aanhenger hebbe (=Verkering hebben)
  22. Hams: Zjaar verkuepen (=Streken hebben)
  23. Leefdaals: de poepers ebbe (=schrik hebben)
  24. Sevenums: stiêf kneûk hebben (=stramme botten hebben)
  25. Amsterdams: geen sjoege van hebben (=er geen verstand van hebben)
  26. Munsterbilzen - Minsters: de floepers höbbe (=angst hebben)
  27. Zelzaats: Den santéboetiek (=Al het hebben en houden)
  28. Antwerps: meuge beffe zonder baffe (=boffen (veel geluk hebben))
  29. Bargoens: geen cent te makke (=niets hebben)
  30. Munsterbilzen - Minsters: doë kraajgste hiën van (=buffels hebben iets BIZONder)
  31. Sint-Niklaas: das (u)olderen foar (=dat hebben ze graag)
  32. Bilzers: métten sjeef oog bezien (=er twijfel over hebben)
  33. Susters: doosj höbbe wie eine Maleier (=erge dorst hebben)
  34. Bilzers: ne kiëmel ( bok ) gesjoeëte (=een misstap begaan hebben)
  35. Veurns: van de kokkemoare bereen zien (=een nachtmerrie hebben)
  36. Venloos: Op einen aos houwe (=Een tegenvaller hebben)
  37. Ostêns: da spil en, da brol en (=de regels hebben)
  38. Geels: hoarpijn hemme (=een kater hebben)
  39. Munsterbilzen - Minsters: get on zene meteur höbbe (=een zwak hart hebben)
  40. Gelaens (Geleens): 't Sjmaor in höbbe (=De pest in hebben)
  41. Zurriks: Over de derde schei schiete (=Diarree hebben)
  42. Fries: it net oan tiid hawwe (=geen tijd hebben)
  43. Boksmeers: Ik zuuk ut nie (=Geen zin hebben)
  44. Munsterbilzen - Minsters: zwëmme ènnet geld (=geld genoeg hebben)
  45. Overpelts: dik zijn (=genoeg geeten hebben)
  46. Nunspeets: Hij hef n'armen as twee zink'n n'emmers (=Gespierde armen hebben)
  47. Maldegems: van toetn noch blaazn weten (=geen idee hebben)
  48. Munsterbilzen - Minsters: ènt bos grautgebraach zin (=geen manieren hebben)
  49. Liwwadders: gien bedenkingen hewwe (=geen scrupules hebben)
  50. Ronsisch: Geneipen zieten (=Het geldelijk moeilijk hebben)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen