Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

24 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `hak`

  1. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past. (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen.)
  2. al vaak met dat bijltje gehakt hebben (=het werk al vaker gedaan hebben en weten hoe het moet)
  3. daar zitten nogal wat haken en ogen aan. (=er zijn meer problemen dan je op het eerste gezicht zou denken.)
  4. de hakken in het zand zetten. (=zich opstellen als felle tegenstander van een voorstel of ontwikkeling, zonder de bereidheid te zoeken naar positieve aspecten of naar compromissen.)
  5. de hakken laten zien (=zich uit de voeten maken.)
  6. de knoop doorhakken. (=een beslissing forceren. (Afgeleid van het verhaal van de Gordiaanse knoop).)
  7. de ontbrekende schakel (=iets dat nog mist om iets compleet te maken)
  8. de sterkte van de ketting wordt bepaald door de zwakste schakel (=het geheel is niet sterker dan het zwakste onderdeel)
  9. een hak zetten (=iemand benadelen of dwarszitten)
  10. een ketting is niet sterker dan de zwakste schakel (=het geheel is maar zo sterk als het zwakste onderdeel)
  11. er met de botte bijl op inhakken (=ruw te werk gaan)
  12. er met de grove bijl in hakken (=het brutaal aanpakken)
  13. ergens op inhaken (=reageren op iets dat gezegd is en daar verder op doorgaan)
  14. haken en ogen geven (=iets heeft veel moeilijkheden)
  15. hakken in het zand (=koppig blijven)
  16. iemand een hak zetten (=met iemand een gemene streek uithalen)
  17. iemand op de hak nemen (=iemand er van tussen nemen of over iemand praten in uiting van spot)
  18. iemand op de hak nemen (=een grap over iemand maken)
  19. iets te verhakstukken hebben (=nog iets met iemand te bespreken hebben, nog iets te doen hebben)
  20. in de pan hakken (=volledig verslaan)
  21. niet veel om de hakken (=niet veel bijzonders)
  22. van de hak op de tak springen (=steeds weer van onderwerp wisselen en geen duidelijke rode draad in een verhaal hebben)
  23. veel haken en ogen (=veel problemen)
  24. waar gehakt wordt, vallen spaanders. (=waar werk verricht wordt, worden ook wel wat fouten gemaakt)

Eén betekenis bevat `hak`

  1. van de kaart zijn (=uitgeschakeld zijn - totaal versuft zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 32 spreekwoorden met `hak`

  1. Tilburgs: enen hakdòl drèèfde aon meej un piske, enen drèèftol meej un zwipke. (=een haktol drijf je aan met een peestouwtje, een drijftol met een zweepje.)
  2. Brugs: in untwien zen rapen schieten (=iemand een hak gezet)
  3. Westerkwartiers: de teeg'nstanner ien 'e paan hakk'n (=de vijand verpletteren)
  4. Munsterbilzen - Minsters: métte hakke iëver de slaut (=nipt)
  5. Westerkwartiers: 't het niks omme hakk'n (=het stelt niets voor)
  6. Haags: van de hak opput dak springe (=Van de hak op de tak springen)
  7. Zeeuws: 'n raere drooier ( Tholen ) (=Hij spring van de hak op de tak)
  8. Westerkwartiers: man, hakkepiel toch op ! (=man, donder toch op !)
  9. Boxtels: Iemans un oor aon naaie (=Iemand een hak zetten.)
  10. Gronings: is hol tot aan zien hakken (=heeft honger)
  11. Maldegems: een ne kloot afdraain (=iemand een hak zetten)
  12. Westerkwartiers: 't was met de hakk'n over de sloot (=het was maar net voldoende)
  13. Rijssens: de zukke op de hakn hebm hangn (=er slordig uit zien)
  14. Texels: 't Wos in de tiêd dotte se de zakkoek mit de biel hakte (=Lang geleden)
  15. Genneps: ge kunt me den hak fiejoole (=je kan me wat)
  16. Liwwadders: dat het niet feul om 'e hakken (=dat stelt niet veel voor)
  17. Niel: van brussel oep klain petatjes (=van de hak op de tak)
  18. Westerkwartiers: dat het weineg om' hakk'n (=dat stelt niet veel voor)
  19. Horster: geej kunt meej d´n hak vioéle (=je kunt me de pot op)
  20. Genneps: Ge ku.nt me d'n hak fiejoole (=Je kunt me nog meer vertellen)
  21. Westerkwartiers: wa's dat 'n hakk'nkruk (=wat is dat een onhandig persoon)
  22. Zeeuws: 'n siepeljangt (Schouwen-Duivenland) (=Hij springt van de hak op de tak)
  23. Koersels: He hit in men kuul gescheten (=Hij heeft mij een stevige hak gezet)
  24. Zeeuws: 'n Is mé 'n aorige sies (zuid-beveland) (=Hij springt van de hak op de tak)
  25. Westerkwartiers: één op 'e hak nemm'n (=iemand in het ootje nemen)
  26. Munsterbilzen - Minsters: mètte hakke iëver de slaut, mër geen naote viet (=nipt geslaagd is ook geslaagd)
  27. Alfus: hak um (=Had ik hem)
  28. Eindhovens: dè hak gezeed gehaj (=dat heb ik gezegd ja)
  29. Venrays: gij kunt mij den hak viole (=je kunt me wat)
  30. Budels: dur un rej-tuug wurde né over ri-je,maer wel door un stroontkaar (=een fatsoenlijk iemand zal je geen hak zetten)
  31. Westerkwartiers: vann'e hak op 'e tak spring'n (=steeds van onderwerp wisselen)
  32. Tilburgs: ak naa mar wies wèk wô..........., dan hak òk wè, war paa.......!!! (=als ik nu maar eens wist, wat ik wilde............dan had ik ook wat , of niet vader..........!!!)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen