Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

15 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `groei`

  1. boven het hoofd groeien (=onoverkomelijk worden)
  2. daar groeit het gras in de straten (=daar is het erg saai)
  3. Dat groeit uit het raam (=Dat kan men niet geheim houden)
  4. er geen gras over laten groeien (=onmiddellijk profiteren, uitvoeren)
  5. gras gaat niet harder groeien als je eraan trekt (=sommige dingen hebben tijd nodig)
  6. groeien als kool (=snel opgroeien)
  7. het geld groeit niet op de rug (=geld komt niet zomaar binnen, er moet hard voor gewerkt worden)
  8. het gras kunnen horen groeien (=erg verwaand zijn - ook gezegd als het ergens muisstil is)
  9. luisteren naar groeien van het gras (=erg lui zijn)
  10. ook tussen de mooie bloemen groeien brandnetels (=de schoonheid van de omgeving biedt geen garantie voor onaangename zaken)
  11. over het hoofd groeien (=niet meer onder controle te houden)
  12. tegen de verdrukking in groeien (=ondanks zware omstandigheden toch vooruit komen)
  13. voor galg en rad opgroeien (=vanaf de jeugd een levenspad volgen dat later waarschijnlijk naar criminaliteit leidt)
  14. Waar geen aardappelen gepoot worden, zullen er ook geen groeien (=Als je niet een goed begin voor iets legt, zal er ook niets van worden)
  15. zijn kinderen in het wild laten opgroeien (=zijn kinderen geen (of een slechte) opvoeding geven)

5 betekenissen bevatten `groei`

  1. De aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  2. daar geboren en getogen (=daar geboren en opgegroeid)
  3. de economie zit in de lift (=de economie groeit)
  4. pas op de plaats maken (=geen voortgang maken. Geen groei of ontwikkeling doormaken)
  5. groeien als kool (=snel opgroeien)

Het dialectenwoordenboek kent 40 spreekwoorden met `groei`

  1. Texels: Speejers ben deejers (=Babies die spugen, groeien vaak goed)
  2. Opglabbeeks: 't groeijtem buve de kop uut (='t wordt hem te veel)
  3. Sint-Katelijne-Waver: Gaa meugt draa kiêre groeie (=Jij mag drie keer raden)
  4. Luyksgestels: hoiet nie dan kolle't (=groeit het hooi niet dan groeit de kool)
  5. Lichtervelds: je groejt dattn wikkelt (=hij groeit vlug)
  6. Diesters: ne scheut krijge (=fel groeien ( persoon))
  7. Waregems: peide gij da 't geld ip mijne rugge groeigt (=denk je dat ik geld in overvloed heb)
  8. Bilzers: de molp és ont staute (=er groeit wat bij haar)
  9. Lebbeeks: was: Dei plante zijn in de was (=Die planten groeien goed)
  10. Bilzers: ze és hür beloengskes al op ont bloëze (=ze groeien)
  11. Oudenbosch: ze laote d r gin gras over de patjes groeie (=dat is niet aan dovemansoren gezegd)
  12. Munsterbilzen - Minsters: de heirs et graos wasse (=alles groeit geweldig snel)
  13. Westlands: Lucht zet vrucht (=Ramen open betere groei van de tomaat)
  14. Zaans: Ik ben me geld niet loof (=Het geld groeit me niet op de rug)
  15. Bilzers: en asver daud zin, groeiter graoës op ooze bauk (=op herkhof onder de zoden liggen)
  16. Fries: hy is wat efterlik, wat efterop yn 'e groei... (=Hij is wat achterlijk in z'n groei)
  17. Antwerps: dêr groeit gras op zaainen boajk (=hij is begraven)
  18. Munsterbilzen - Minsters: 't kan nie op ! (=de bomen groeien tot in de hemel)
  19. Horster: doa zit de krot ì (=iets dat niet wil groeien)
  20. Sevenums: Fiêze verkes waeren nit vet (=Wie weinig lust zal slecht groeien)
  21. Westerkwartiers: ruuge vreters dij'n 't best (=ruige eters groeien het best)
  22. West-Vlaams: je lat der gin gras over groein (=je wacht er niet mee)
  23. Bilzers: kénder traeje opze kleed mér graute opzen hat (=bij het groeien worden kinderen veel agressiever)
  24. Oudenbosch: ut groeit as ne koeisteert : recht naor beneje (=zo simpel is het)
  25. Mestreechs: eet, mie keend, daan weurste gèt! (=eet, m'n kind, je moet nog groeien!)
  26. Lichtervelds: tgeld groeit nie up mne rik (=ik ben niet rijk)
  27. Zaans: Ik hew gien peerdje skaitgeld (=Het geld groeit me niet op de rug)
  28. Westerkwartiers: 't groeit mij boov'm de kop (=ik heb het overzicht niet meer)
  29. Veurns: 't geld groeit op me rik nieë (=ik verdien ze niet zo gemakkelijk, mijn centjes)
  30. Oudenbosch: dur groeit gras op zunne buik (=op het kerkhof begraven liggen)
  31. Rotterdams: 't mos groeit tusse m'n benen (=ik sta hier al heel lang te wachten)
  32. Lokers: ge moe poaurten of ij verlies zijne was (=je moet delen met hem want anders zal hij niet meer verder groeien)
  33. Sint-Niklaas: der groei gras op zènnen buik (=hij is begraven)
  34. Westerkwartiers: zij let d'r gien gras over groei'n (=zij pakt het meteen aan)
  35. Lichtervelds: je slapt dat gès in ze gerre groeit (=hij slaapt heel lang)
  36. West-Vlaams: 't hoar zoudt deur joen klakke groeien (=heel veel kosten maken zodat je geld opraakt)
  37. Westfries: wie vroit die sloit, maar wie vroit mit zin die groeit 'r teugenin (=gezegd over liefdesleven)
  38. Tilburgs: hij hò un pòtverdommeke laote staon èn sondags droeg ie un nondejuuke. (=hij had een klein sikje laten groeien en 's zondags droeg hij een vlinderdasje.)
  39. Ledegems, Kappels: je zoet geevn dat 't oar ut jon klakke groeit (=veel moeten betalen tot je niet veel meer over hebt)
  40. Sint-Niklaas: ge peist da gaalt 't op minne rug groeit zeker (=gij denkt dat ik geld teveel heb zeker)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen