Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

15 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `bouw`

  1. Aken en Keulen zijn niet op een dag gebouwd (=niet alles is onmiddellijk klaar - even geduld)
  2. Aken en Keulen zijn niet op één dag gebouwd. (=voor een uitgebreide klus heb je meer tijd nodig)
  3. als het huis volbouwd is breekt men de steigers af (=als het doel bereikt is, vergeet men de helpers)
  4. de Hebreeërs bouwden het, maar de Egyptenaren hebben het. (Exodus 1:11-14) (=het vuile werk door anderen opknappen en het resultaat zelf pakken)
  5. huizen bouwen op (=veel vertrouwen hebben in)
  6. huizen op iemand kunnen bouwen (=sterk op iemand kunnen vertrouwen)
  7. kastelen in de lucht bouwen (=zich illusies maken)
  8. Keulen en Aken zijn niet op een dag gebouwd. (=grote projecten kosten tijd (en vergen geduld))
  9. niet door mensenhanden gebouwd (=door God of natuur tot stand gebracht)
  10. op de garf/garve bouwen (=land bebouwen met betaling van de pacht met een deel van de oogst)
  11. op zand bouwen (=zich op niets baseren)
  12. Rome is niet in één dag gebouwd. (=relativeren: Leer geduld te hebben.)
  13. Rome is niet op een dag gebouwd (=je moet het niet overhaasten)
  14. zijn tabernakelen bouwen (=zich vestigen met het doel lang te blijven)
  15. zuinigheid met vlijt, bouwt huizen als kastelen. (=door zuinig en ijverig te zijn, kan men veel bereiken)

10 betekenissen bevatten `bouw`

  1. een kerel als Kas (=een stevig gebouwd kerel)
  2. uit de grond stampen (=erg snel iets opbouwen)
  3. iets in de vingers hebben (=ergens ervaring en deskundigheid over hebben opgebouwd, waardoor men met grote kwaliteit en zonder fouten te maken, zich hiermee bezig kan houden.)
  4. (iets) staat op losse schroeven. (=het is onzeker, er valt niet op te bouwen.)
  5. op de garf/garve bouwen (=land bebouwen met betaling van de pacht met een deel van de oogst)
  6. als een feniks uit zijn as herrijzen (=na de totale vernietiging opnieuw opbouwen)
  7. op iemands schouders staan (=op andermans werk voortbouwen)
  8. uit zijn as herrijzen (=opnieuw opgebouwd zijn na een brand)
  9. een gouden dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)
  10. een zilveren dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)

Het dialectenwoordenboek kent 10 spreekwoorden met `bouw`

  1. Lebbeeks: baa: Ei wèrrekt in den baa (=Hij werkt in een bouwbedrijf)
  2. Grobbendonks: De huirtuitse brekke kome de bouwelse beirege aflekke (=de herenthoutse kinderen komen spelen op de bouwelse bergen)
  3. Izegems: t zwin deur de bjittn joahn (=Feestje bouwen)
  4. Aalsters: skaan, fistjen baan (=we gaan een feestje bouwen)
  5. Westerkwartiers: keul'n en oak'n benn'n niet op één dag bouwd (=alles heeft zijn tijd nodig)
  6. Aalsters: E fistjen baa'n (=Een feestje bouwen)
  7. Weerts: gae zootj t'r 'n hoês op bouwe en 'n schiêthoês veltjer op um (=iemands praatjes niet zonder meer geloven)
  8. Tilburgs: die gèld heej kan hèùze bouwe die gin gèld heej kan stêene sjouwe. (=het is ongelijk verdeeld in de wereld)
  9. Munsterbilzen - Minsters: de zwelmerkes bowe hun nès mèt drek en spiere stroj en hoj (=de zwaluwen bouwen hun nestje met modder en sprietjes stro of hooi)
  10. Sevenums: De stomste boren bouwen de diekste petatten (=Slim zijn is ook niet alles)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen