Spreekwoorden met `Mins`

Zoek

3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Mins`

  1. die de Minste tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het hoogste woord)
  2. in februari klagen de boeren het Minst. (=boeren klagen altijd maar februari heeft de minste dagen om in te klagen (grapje))
  3. kies het Minste van twee kwaden (=als er enkel slechte oplossingen zijn, kiest men de minst slechte)

14 betekenissen bevatten `Mins`

  1. kies het minste van twee kwaden (=als er enkel slechte oplossingen zijn, kiest men de Minst slechte)
  2. in februari klagen de boeren het minst. (=boeren klagen altijd maar februari heeft de Minste dagen om in te klagen (grapje))
  3. het slechtste wiel van de wagen kraakt meest. (=de Minst competente persoon is vaak ook de luidste)
  4. holle vaten klinken het hardst. (=de Minst competente persoon is vaak ook de luidste)
  5. ijdele tonnen rollen het hardst. (=de Minst competente persoon is vaak ook de luidste)
  6. sijmen betaalt (=diegene die het Minste verdient draagt de kosten)
  7. een hazenslaapje (=een slaap, die zo licht is, dat men bij `t Minste geluid wakker wordt)
  8. er loopt hem een luis over de lever (=hij windt zich al over het Minste op)
  9. langzaam aan, dan breekt het lijntje niet (=je kunt beter rustig doorwerken, dan kan er het Minste fout gaat)
  10. horzels steken niet en hommels doden niet. (=mensen met een grote mond dragen het Minste bij)
  11. van twee kwaden de beste kiezen (=uit twee onaangename dingen de Minst slechtste kiezen)
  12. holle vaten bommen/klinken het hardst (=wie er het Minste verstand van heeft, verkondigt het luidst zijn mening)
  13. blaffende honden bijten niet (=zij die het hardst roepen, zijn het Minst gevaarlijk)
  14. zonder slag of stoot (=zonder het Minste probleem)

50 dialectgezegden bevatten `Mins`

  1. 'n zok van ne Mins (='n zachtaardig persoon) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. 'ne naakse Mins kujje neet in zien tes veule (=van iemand die niks heeft, hoef je niks te verwachten) (Weerts)
  3. alles kan, behalve eine naakse Mins inne tes pisse (=alles is mogelijk) (Heitsers)
  4. as edere Mins 'nen ângere gelökkig zoo-j make, woor edereîn gelökkig (=verbeter de wereld, begin bij je zelf) (Weerts)
  5. aste moes wiëte wo ich wiët, dan worste ook ne slimme Mins (=niemand weet beter dan ik!) (Bilzers)
  6. azuu nen omgezonde Mins (=wat een vervelend iemand) (Hams)
  7. bekiek nau de lengte en brètte (=breedte) van ne luie Mins (=hier staat een heel lui persoon) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. bel nint Mins (=welnee mens...) (Lekkerkerks)
  9. Biej edere Mins is eigelik e kentjen aaf! (=Bij ieder mens is eigenlijk een kantje af!) (Kinroois)
  10. da wiët gene Mins (=dat mag Joost weten) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. dae Mins hét mei verstand én éne vinger, dan dich én zen heil hand (=die is slimmer dan 2 mensen gelijk gij) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. das ès mich ë sjau Mins (=dat is me een zwaar geval) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. dat Mins is ' n steekje an lös (=dat mens is niet helemaal goed) (Westerkwartiers)
  14. dat Mins is onleesboar (=dat mens is niet te doorgronden) (Westerkwartiers)
  15. dat Mins wil 't midd'nste en de beide end'n (=dat mens is erg hebberig) (Westerkwartiers)
  16. de bès ë léstig Mins (=je bent een moeilijk en ambetant persoon) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. de bès nog slimmer asne Mins (=dat is slim bekeken, zo had ik het nog niet bezien) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. de ienwendege Mins verstaark'n (=voedsel nuttigen) (Westerkwartiers)
  19. de kons nie vër alleman goed doen...kiek mèr ës noeë Slievenheir, dat wor zau ne goejë Mins en toch hëbbë zë dae nog aoën ët kreis genèchëld (=je kan zoe goed zijn als je wil, als het tegenzit ben je toch de peaneut) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. Dé wit gin Mins (=Dat mag Joost weten) (Budels)
  21. de zies haaj god noch goeje Mins (=er is hier niemand te zien) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. dea Mins ait et kowed (=niet uit de voeten kunnen) (Tiens)
  23. Den dy van enne Mins (=Het lot van een mens) (Walshoutems)
  24. Den hond hit gebete moe nen aare (anere) Mins batse hit (=Zegt men van een mager persoon) (Stals)
  25. doë zieste god noch goeje Mins (=daar is nooit iemand te zien) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. Dur is niks gekker as un Mins (=Er is niets zo gek als een mens.) (Volendams)
  27. Edere Mins heet 'r recht op óm gelökkig te zeen! (=Ieder mens heeft er recht op om gelukkig te zijn!) (Kinroois)
  28. een zok van ne Mins (=een zacht persoon) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. effëkë goën permënieëre ès goed vër beis of Mins (=een kleine wandeling kan gelijk wie deugd doen) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. Ein kort gebed en ein lange braodwors dene de reizende Mins (=bij grote ondernemingen kan men zich beter op het essentiële richten) (Venloos)
  31. Eine Mins dae neet t' roet geit, dae kumtj nurges (=Een man die niet naar buiten gaat komt nergens) (Kinroois)
  32. ge zet nen èèle Mins (=je bent flauw!) (Wommersoms)
  33. haaj ès gene godsetëge Mins te zien (=hier is geen mens te bekennen) (Munsterbilzen - Minsters)
  34. hae frit waaj ë vérkë, zup waaj nen tempelier, sjit waaj ën koe en groos waaj ne Mins (=vreten, zuipen en schijten als de beesten) (Munsterbilzen - Minsters)
  35. iemëd wo dink datter nie genoeg hèt, ès nen erme Mins (=zij die veel hebben, zijn soms nog niet tevreden) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. kiek haaj ès rondtech, haaj ès gene godsëtëge Mins te zien (=in heel Bilzen is geen ziel te bekennen) (Bilzers)
  37. M'nne Mins / M'nne mens (=Mijn echtgenoot) (Helenaveens)
  38. Mins genaoj (=Lieve hemel!) (Weerts)
  39. n zok vanne Mins (=een zachtaardig iemand) (Munsterbilzen - Minsters)
  40. ne goeje Mins lot zën hat spraeke, ne koje alleen zëne mond (=laat je hart spreken!) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. ne laevende Mins ziet get aof (=wat je zo al elke dag tegenkomt!) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. ne laevëtëge Mins kan get tiëgekoëme (=in je leven kom je toch veel (tegenspoed) tegen) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. ne laevëtëge Mins kan mei aofzien assë daud piëd (=het valt niet altijd mee in het leven) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. ne laevëtëge Mins kan toch get aoën zëne tram hëbbe (=wie heeft nooit wat aan de hand) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. ne laevetige Mins kan iet mètmaoke! (=een mens maakt wat mee in zijn leven!) (Bilzers)
  46. ne laevëtigë Mins toch ! (=wat kan een mens toch afzien) (Munsterbilzen - Minsters)
  47. ne zaolige Mins (=een rustig opgewekt persoon) (Munsterbilzen - Minsters)
  48. nën aaë Mins ès gene joenge mei (=ik ben zo stijf als een plank) (Munsterbilzen - Minsters)
  49. te vrig gezaach, te laot bedaach, hèt minnig Mins èn de misiëre gebraach (=bezint eer je begint!) (Munsterbilzen - Minsters)
  50. um 'nen êrreme Mins zien liêf, pésj alles (=tevreden zijn met een gift) (Weerts)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen