Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


Eén spreekwoord bevat `gemakkelijk`

  1. wie zijn klomp breekt, schiet gemakkelijk uit zijn slof. (=als je wordt teleurgesteld, kun je gemakkelijk boos worden.)

37 betekenissen bevatten `gemakkelijk`

  1. vele handen maken licht werk. (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
  2. gedeelde smart is halve smart. (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  3. wie zijn klomp breekt, schiet gemakkelijk uit zijn slof. (=als je wordt teleurgesteld, kun je gemakkelijk boos worden.)
  4. dat gaat erin als klokspijs (=dat gaat er gemakkelijk in)
  5. dat is ook geen heksen (=dat is wel heel gemakkelijk)
  6. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  7. een ongeluk zit in een klein hoekje. (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  8. de derde man brengt de spraak aan (=drie hebben gemakkelijker een gesprek dan twee)
  9. op oud ijs vriest het licht (=een oude kwaal komt gemakkelijk weer boven)
  10. om de vinger winden (=er gemakkelijk baas over worden)
  11. er ingaan als klokspijs (=er gemakkelijk ingaan (voedsel of wat gezegd wordt))
  12. lopen als een kievit (=erg gemakkelijk en vlug lopen)
  13. geen katje om zonder handschoenen aan te pakken (=geen gemakkelijk persoon)
  14. een gat in zijn hand hebben (=geld te gemakkelijk uitgeven)
  15. de schapen scheren (=gemakkelijk grote winsten maken)
  16. een fijne neus hebben (=gemakkelijk iets ontdekken, snel iets aanvoelen)
  17. de vloer aanvegen met (=gemakkelijk kloppen)
  18. praten als Brugman (=gemakkelijk mensen kunnen overtuigen en vlot en boeiend kunnen vertellen)
  19. op fluweel zitten (=het erg goed en gemakkelijk hebben)
  20. het op zijn pantoffels/sloffen afkunnen (=het gemakkelijk aankunnen)
  21. zijn huid duur verkopen (=het niet gemakkelijk opgeven)
  22. het was een eitje. (=het was heel gemakkelijk.)
  23. het geld brandt hem in de zak. (=hij geeft zijn geld graag en gemakkelijk uit.)
  24. grote vissen scheuren het net (=hooggeplaatste personen worden niet zo gemakkelijk gestraft)
  25. iemand de pap in de mond geven (=iemand een gemakkelijke oplossing zomaar aanbieden)
  26. iemand geen knollen voor citroenen verkopen (=iemand niet gemakkelijk kunnen bedriegen)
  27. iets op je vingers kunnen natellen (=iets erg gemakkelijk kunnen nagaan/checken)
  28. iets op zijn sloffen aankunnen. (=iets heel gemakkelijk kunnen uitvoeren.)
  29. in troebel water is het goed vissen (=in tijden van onlust of oorlog kan men gemakkelijk voordelen halen)
  30. de gelegenheid maakt de dief (=men laat zich gemakkelijk verleiden door een goede gelegenheid)
  31. het is goed riemen snijden uit andermans leer (=met andermans eigendom kan men gemakkelijk kwistig omgaan)
  32. het is goed spinnen van een andermans garen (=met andermans eigendom kan men gemakkelijk kwistig omgaan)
  33. een harde dobber (zijn/worden) (=niet gemakkelijk (zijn/worden))
  34. het is een gladde aal (=niet gemakkelijk te vangen (figuurlijk))
  35. niet voor de poes zijn (=niet gemakkelijk zijn)
  36. aanzien doet gedenken (=wat men met eigen ogen gezien heeft, is gemakkelijker te onthouden)
  37. niet erg vast in de schoenen staan (=zich gemakkelijk laten ompraten)

Het dialectenwoordenboek kent 60 spreekwoorden met `gemakkelijk`

  1. Beerses: een fleutje van ne cent (=Iets gemakkelijks)
  2. Munsterbilzen - Minsters: daaj lot nie oppëre kop sjijte (=zij is geen gemakkelijke)
  3. Kinrooi: Veur 'ne ónkóntente mins bestaon t'r gein gemekkelikke zaetels! (=Voor een ontevreden mens bestaan er geen gemakkelijke zetels!)
  4. Diesters: een vlieg in men oeëg; e fluike van ne sent (=dat is gemakkelijk)
  5. Munsterbilzen - Minsters: tès nie vür de poes (=het is niet gemakkelijk)
  6. Bilzers: 't es allemoeël geë hoeërsnaaje (='t is niet gemakkelijk)
  7. Susters: dae is neet van God de Vader (=geen gemakkelijk heerschap)
  8. brabants: Des hendig (=Dat gaat gemakkelijk)
  9. Oudenbosch: gijet mooi praote (=dat kun jij gemakkelijk zeggen)
  10. Lichtervelds: je blet voer ê gès (=hij weent gemakkelijk)
  11. Lichtervelds: tgemak goa voîrn (=maak het je gemakkelijk)
  12. kortemarks: je blet voir e ges (=hij weent gemakkelijk)
  13. Diesters: dieën ijt hoar oep zen tande; das ne specioal,dië lot ni op zenen kop schijte ( zitte ), tes ginne sumpele (=het is geen gemakkelijke persoon)
  14. Munsterbilzen - Minsters: zene jas draeë mèt de wènd (=gemakkelijk van partij wijzigen)
  15. kortemarks: je lat ze geld nogol gletsn (=hij geeft gemakkelijk geld uit)
  16. Brugs: 't is nie ol gin oar snien wé (=het is niet gemakkelijk)
  17. Munsterbilzen - Minsters: haaj raechdür en draeë bau et vendoen ès (=gemakkelijk te vinden !)
  18. Westerkwartiers: hij wordt sloap'ndeweg riek (=hij komt gemakkelijk aan zijn geld)
  19. Overijses: das eu floikke va ne sens (=dat is gemakkelijk op te lossen)
  20. Genneps: gaon as 'n tiet (=gemakkelijk gaan)
  21. Oudenbosch: ge mot ooie as de zon schijnt (=die heeft het gemakkelijker)
  22. Westerkwartiers: dat verzaacht de pien (=daar wordt het gemakkelijker van)
  23. dordts: (Das) Kat in't bakkie (=Dat is in orde (klaar / gedaan) / Dat is gemakkelijk te doen)
  24. Lovendegems: Ne schououn (=Een luchtig persoon die gemakkelijk loense moppen tapt)
  25. Veurns: 't geld groeit op me rik nieë (=ik verdien ze niet zo gemakkelijk, mijn centjes)
  26. Lichtervelds: je lat tgès van voî ze voetn moajn (=hij laat gemakkelijk iets afnemen)
  27. Bilzers: Aste sloëpend rijk wils wiëne, moeste iës zien én sloëp te geraoke (=rijk worden is niet gemakkelijk)
  28. Munsterbilzen - Minsters: vrolaaj haage van simpel zaoke, waaj ne man (=waarom het moeilijk maken als gemakkelijk ook gaat)
  29. kortemarks: de wilde is e kwoa bieèste (=het is niet gemakkelijk om met veel geld om te gaan)
  30. Steins: 't is mich get !! (=Het is niet altijd even gemakkelijk)
  31. Opglabbeeks: det is geine kattepis (=dat is niet gemakkelijk)
  32. Veurns: een gat in j'n and'n èn (=gemakkelijk geld verteren)
  33. Erps: tes mor puitepis (=iets wat gemakkelijk is)
  34. kortemarks: ze klid met e slunsje (=ze kleed heel gemakkelijk)
  35. Brabants: da gaot as un flutje van ne cent (=dat gaat gemakkelijk)
  36. Waregems: droai'n mee de meul'n(s) (=gemakkelijk van mening veranderen)
  37. Merenaars: 't es e fluitjen van ne seng (=het is gemakkelijk)
  38. Kortemarks: tis ol gièèn oar snieën (=het is niet gemakkelijk)
  39. Munsterbilzen - Minsters: tés ammel geen hoeërsnaaje (=het is niet zo gemakkelijk)
  40. Leuvens: dad es e floikke van ne cent (=dat is gemakkelijk te doen)
  41. Tilburgs: dendiejen kun de gemak zat opjööne (=die kun je gemakkelijk opjutten)
  42. West-Vlaams: Tès ol gin oar snien, (tès ol die splette leggen) (=Het is niet gemakkelijk)
  43. Izegems: 't hoan veel zehhers in ne zak, en noh mjir in e peirdemandn zonder hat (=pratn is gemakkelijk)
  44. Munsterbilzen - Minsters: iemes blaaj maoke mètten doj mèsj (=zich gemakkelijk laten afschepen)
  45. West-Vlaams: 't is ol gin oar snien (='t is niet zo gemakkelijk)
  46. Oudenbosch: das un luizeleve op un zeer ooft (=die heeft het gemakkelijk)
  47. Diesters: get et lijveke vast (=ge hebt een gemakkelijk leven)
  48. Volendams: Dut weejt nag wet! (=Dit gaat nog niet gemakkelijk!)
  49. Venloos: Zich d'n bats schore (=Zich ergens gemakkelijk vanaf maken)
  50. Westerkwartiers: ze het 'n luuzeleempje (=zij heeft een gemakkelijk baantje)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen