Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


372 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ei`

  1. 't Mag vloeien, 't mag ebben. Die niet waagt zal 't niet hebben. (=Je moet niet denken als je niets onderneemt dat ze het dan bij je thuis komen bezorgen.)
  2. aan alle heilige huisjes aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
  3. aan de heidenen overgeleverd (=in zware moeilijkheden - in de macht van mensen zonder scrupules)
  4. aan de leiband lopen (=erg volgzaam zijn)
  5. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen. (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico's)
  6. aan het andere eind van de wereld (=heel ver weg)
  7. aan het eind van zijn Latijn zijn. (=uitgeput zijn. Al zijn ideeën voor oplossingen uitgeprobeerd hebben.)
  8. aan het kortste eind trekken (=in de ongunstigste positie zijn / verliezen)
  9. aan het langste eind trekken (=in de voordeligste positie zijn)
  10. aan iemands leiband (=door iemand geleid)
  11. aan zijn eindje vasthouden (=zijn standpunt handhaven)
  12. achteruit zeilen (=achteruit gaan)
  13. ad majorem dei gloriam (=tot meerdere eer van God)
  14. al is de leugen nog zo snel de waarheid achterhaalt ze wel (=leugens komen altijd uit)
  15. alle gekheid op een stokje (=maar nu liever ernstig)
  16. alle heilige huisjes aandoen (=alle cafés bezoeken)
  17. alle wegen leiden naar Rome (=er zijn veel manieren om je doel te bereiken / de uitkomst is altijd hetzelfde)
  18. alle zeilen bijzetten (=de uiterste best doen om iets toch te bereiken)
  19. alles kort en klein slaan (=de hele inboedel kapot slaan)
  20. als bliksemafleider fungeren (=iemand die of iets dat de boze bui van iemand kan afleiden)
  21. als de boeren niet meer klagen en de pastoors niet meer vragen, dan nadert het einde der dagen (=sommige mensen veranderen nooit.)
  22. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  23. als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan. (=drank verdringt gezond verstand.)
  24. als de zon een mestvaalt beschijnt, dan verspreidt deze een onaangename geur. (=als je met goede wil ergens te veel aandacht aan besteedt kan het verkeerd opgevat worden. / Met alle goede wil van de wereld kun je sommige zaken nog niet verbeteren.)
  25. als een lam ter slachtbank geleid worden (=weerloos zijn)
  26. als een olifant in de porseleinkast (=buitengewoon onvoorzichtig of tactloos)
  27. als een pilaarheilige (=onbeweeglijk, stijf)
  28. als het bier is in de man dan is de wijsheid in de kan (=van dronkaards verwacht men geen verstandige woorden)
  29. als het huis volbouwd is breekt men de steigers af (=als het doel bereikt is, vergeet men de helpers)
  30. appeltje eitje. (=erg makkelijk.)
  31. arbeid adelt. (=van hard te werken word je een nobeler/beter mens)
  32. arbeiden als een galeislaaf (=erg hard werken)
  33. arbeider in de wijngaard des heren (=geestelijk beroep (priester,dominee) uitoefenend)
  34. bakzeil halen. (=toegeven dat je ongelijk hebt / aanzienlijk minder hoge eisen stellen dan je eerder deed.)
  35. bang zijn voor zijn eigen schaduw (=overdreven bang zijn)
  36. beidt Uw tijd, duur Uw uur. (=op de toren van de Amsterdamse koopmansbeurs.)
  37. beneden alle peil. (=stijlloos.)
  38. beter een half ei dan een lege dop. (=beter iets dan helemaal niets)
  39. beter kleine meester dan grote knecht (=liever een bescheiden zelfstandige dan een grote knecht bij een baas)
  40. beter onbegonnen dan ongeeindigd (=beter niet beginnen als men het niet kan afwerken)
  41. beter rapen aan eigen dis dan elders vlees of vis (=Oost West thuis best)
  42. bij elk heilig huisje aanleggen (=alle cafés bezoeken)
  43. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  44. bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen (=iemands ware karakter blijkt pas als het erop aankomt)
  45. boven het hoofd groeien (=onoverkomelijk worden)
  46. daar groeit het gras in de straten (=daar is het erg saai.)
  47. dan is Leiden in last. (=dan zijn er problemen!)
  48. dat ging van een leien dakje. (=dat ging vanzelf.)
  49. dat is een eitje (=het is heel eenvoudig)
  50. dat is een waarheid als een koe (=dat is overduidelijk waar)

704 betekenissen bevatten `ei`

  1. de wijde wereld ingaan/intrekken (=(onbezorgd) op reis vertrekken)
  2. in zijn holle kies kunnen stoppen (=(van eten) nauwelijks de moeite waard zijn)
  3. er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan. (=aan alles komt een einde.)
  4. op kop staan (=aan de leiding staan)
  5. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  6. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  7. staan op (=absoluut eisen)
  8. zijn leven in de waagschaal stellen (=actie ondernemen waarbij het eigen leven in gevaar kwam)
  9. op jaren komen (=al een zekere leeftijd bereiken)
  10. vragen kost geen geld (=al heb je weinig kans, je kan het in elk geval maar vragen)
  11. het doel heiligt de middelen (=alle middelen zijn toegelaten, zolang het doel maar bereikt wordt)
  12. kromme sprongen maken (=alle moeite doen om zich uit een situatie te redden)
  13. lief en leed delen (=allerlei plezierige en droevige dingen met elkaar beleefd hebben)
  14. iemand over de hekel halen (=allerlei slechte dingen vertellen over iemand)
  15. voor niets gaat de zon op. (=alles kost geld en moeite, behalve datgene wat van de zon komt)
  16. komt men over de hond, dan komt men over de staart. (=als de grootste moeilijkheden overwonnen zijn, dan komt de rest vanzelf.)
  17. als de herder verdwaalt dolen de schapen. (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten)
  18. vele handen maken licht werk. (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
  19. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand. (=als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  20. alle waar naar hun geld zijn (=als een product duurder is, is het meestal van betere kwaliteit)
  21. de spits afbijten (=als eerste beginnen met iets (moeilijks))
  22. men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan. (=als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
  23. als het huis volbouwd is breekt men de steigers af (=als het doel bereikt is, vergeet men de helpers)
  24. het is maar een weet (=als het eenmaal bekend is, is het niet moeilijk meer)
  25. als een warm mes door de boter. (=als iets erg makkelijk of geleidelijk gaat.)
  26. lieg ik, dan lieg ik in commissie. (=als ik niet de waarheid vertel komt dat omdat ik niet beter weet of vertel wat anderen vertellen)
  27. elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar. (=als je iedere dag een beetje doet komt het karwei uiteindelijk klaar)
  28. ongevraagd, ongeweigerd. (=als je iets doet waarvoor geen toestemming is gevraagd kan het achteraf niet meer geweigerd worden omdat het al gebeurd is)
  29. jong te paard, oud te voet. (=als je in je jeugd erg wordt verwend, krijg je het later erg moeilijk)
  30. in de nood leert men zijn vrienden kennen (=als je in moeilijkheden zit merk je wie echt je vriend is)
  31. gedeelde smart is halve smart. (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  32. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen. (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt.)
  33. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  34. een bodemloos vat zijn (=altijd te weinig van iets zijn of opraken)
  35. als de armoede binnenkomt vliegt de liefde het venster uit (=armoede betekent vaak het einde van vriendschappen en relaties)
  36. waar twee kijven hebben twee schuld. (=beide personen hebben schuld als ze ruzie met elkaar maken)
  37. aan elkaar gewaagd zijn (=beiden vrijwel evenwaardig zijn)
  38. wie hoog klimt kan laag vallen. (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  39. maak je borst maar nat. (=bereid je voor op een zware klus (of op veel tegenstand).)
  40. op een kratje zitten als dat nodig is (=bereid zijn om je aan te passen aan minder luxe )
  41. een reef in het zeil doen (=besnoeien in de uitgaven)
  42. per fas et nefas (=bij al wat heilig is)
  43. op de poot spelen (=bij de kleinste tegenslag flink te keer gaan/razen)
  44. de kerk in het midden laten (=bij een meningsverschil geven beide personen wat toe om het eens te worden)
  45. zijn hart uitstorten (=bij iemand alles (in vertrouwen) vertellen over de moeilijkheden)
  46. nood breekt wet. (=bij moeilijke omstandigheden is er meer geoorloofd)
  47. op je laatste benen lopen. (=bijna niet meer kunnen van vermoeidheid.)
  48. goede raad is duur. (=bijna te moeilijk om raad te kunnen geven)
  49. ziende blind zijn (=bijvoorbeeld iemand wel kennen maar tch niet de verkeerde eigenschappen zien)
  50. als Hollands welvaren (=blakend van gezondheid)

Het dialectenwoordenboek kent 335 spreekwoorden met `ei`

  1. Bocholtz: kluute (=eierkolen)
  2. Liemers: Een ei 's gin ei, twee eiere 's 'n half ei, drie eiere 's pas 'n heel klein eitje (=Groot gebruiker van eieren alleen met Pasen.)
  3. Kinrooi: Dae gaer eier itj kan daodoor nog gein eier lègke! (=Die graag eieren eet kan daardoor nog geen eieren leggen!)
  4. Drents: kaokeln is gien kuunst, maor eierleggen wal (=kakelen is geen kunst, maar eieren leggen wel -> makkelijker gezegd dan gadaan)
  5. Twents: Heb ie eier'n in 'n kettel (=Heb je haast)
  6. Zeeuws: un alleve wer-eid is ok un leuhen (=onwaar)
  7. Zeeuws: je mikt ut noha van eiers (=bont maken)
  8. Zeeuws: tliekt we of atn der suuker an eid (=iemand die gezien is)
  9. Zeeuws: dat ei is stienkvuul (=rot ei)
  10. Zeeuws: ie miktut noh a van eiers (=bont maken)
  11. Zeeuws: ie koos eiers voe zn held (=kiezen)
  12. Hulshouts: der komt der do eiene owet de histe gestesseld (=er komt iemand uit de struiken gekropen)
  13. Loois: die aaren eweg ! (=doe die eieren weg !)
  14. Westels: draa raa aare (=drie rauwe eieren)
  15. kortemarks: tsien de stoetste weezels die tmeest eiers zuupn (=het leven is voor de durvers)
  16. Antwerps: diën eidal hiël wa woaterkes deurzwoemme (=die heeft al heel wat beleefd)
  17. Zalks: woarumme ei'j mien det niet ezegd (=waarom heb je mij dat niet gezegd)
  18. West-Vlaams: d'eiers gan roven (=de eieren gaan rapen)
  19. Hams: eiren goan geiren (=eieren gaan rapen)
  20. Overmeers: ne kurf eiren (=een korf eieren)
  21. Mechels (BE): drau rau aure (=drie rauwe eieren)
  22. Evergems: è rèè èèèrs (=heb je rauwe eieren)
  23. Walshoutems: E getutst ei (=Een kapot ei)
  24. Zeeuws: je mikt ut noha van eiers (=niet te erg maken)
  25. Balens: de vogels langen (=de eieren van de vogels roven)
  26. Westerkwartiers: ik kon met 'em ei'n en ploeg'n (=ik kon goed met hem overweg)
  27. Waregems: eie noo van z'leevn!/ zoe je nie omverre voln! (=zou je niet (in zijn/haar plaats) verontwaardigd zijn)
  28. Tilburgs: Kwok un aai ha, dan aat ik aaier mee ham, ak ham ha. (=ik zou willen dat ik een ei had, dan at ik eieren met ham, als ik ham had.)
  29. Horster: de henne die làgte! (=de kippen legden veel eieren)
  30. Eibergs: mooi dikke en neet bang (=nergens bang voor)
  31. Eibergs: Hoar op de diek (=Een vrouw in zicht)
  32. Kessels: maak dich neet druek om ungelagde eier (=maak je niet druk)
  33. Mays: heddoew aai op? (=heb je je ei gegeten?)
  34. Sint-Niklaas: een tikenei (=een ei van een kip)
  35. West-Vlaams: De weirld is ne grwote zwienebak, en die meest sloebert ee meest! Verwant met: de stoetste wezels zuupen de grootste eiers. (=Egoisme volkswijsheid)
  36. Westerkwartiers: hij lopt op eier (=hij loopt zeer behoedzaam)
  37. Sint-Niklaas: ne mankepoot; ei mankt; ei inkt; ei pîkkelt (=hij gaat moeilijk)
  38. Urkers: eaw jie al een ei at? (=heb je al een ei gehad?)
  39. Aalsters: droi ra oiren in e penneken gekloesjt (=3 rauwe eieren in een panneken geklutst)
  40. Tilburgs: as un kiep leej, stao-se (=als een kip (eieren) legt, staat ze)
  41. Waregems: ie doe één 't vlas// één de kooln// één d'eiers (in 3 x uitgespr. als één) (=hij is handelaar in vlas// in kolen// in eieren)
  42. Liessents: kwaap (=net uit het ei gekropen vogeltje)
  43. Mays: slaoi mèjun aai (=sla met ei)
  44. Tilburgs: Kwok ham ha, dan aat ik aaier mee ham ak aaier ha (=Ik zou willen dat ik ham had, dan at ik eieren met ham, als ik tenminste eieren zou hebben)
  45. Steins: ei stök in die vaan höbbe (=dronken zijn)
  46. Zeeuws: ie ei dn bobber in (=kwaad)
  47. Zeeuws: ie ei dn bobber in (=sjaggerijnig)
  48. Melseels: ei is't gon zeigen, ei ee zenne kijker geloaten (=hij is overleden)
  49. Kaatsheuvels: sloaj mee aai mee erpel (=sla met ei en aardappelen)
  50. Haarsteegs: Hij komt mee zun aaier nao Paose (=Te laat met iets aankomen,hij komt met zijn eieren na Pasen.)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen