Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


6 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `dronken`

  1. Als het kalf verdronken is dempt men de put (=Pas na een ramp wordt actie ondernomen)
  2. als het kalf verdronken is, dempt men de put (=pas als het te laat is, neemt men maatregelen)
  3. een dronken vrouw is een engel in bed (=drank draagt bij aan het beëindigen van de tegenstand)
  4. uit de hengstebron gedronken hebben (=erg veel gedichten schrijven)
  5. zo dronken als een kartouw (=stomdronken)
  6. zo dronken als een reiger (=stomdronken)

26 betekenissen bevatten `dronken`

  1. die is vis (=die is dronken)
  2. de lading binnen hebben (=dronken)
  3. boven zijn theewater (=dronken)
  4. voor Pampus liggen (=dronken of bewusteloos zijn)
  5. met een nat zeil thuiskomen (=dronken thuiskomen)
  6. een laars aanhebben (=dronken zijn)
  7. lazarus zijn (=dronken zijn)
  8. in de olie zijn (=dronken zijn)
  9. een snee in het oor hebben (=dronken zijn)
  10. de prins spreken (=dronken zijn)
  11. een stuk in zijn kraag hebben (=dronken zijn)
  12. een kwade dronk hebben (=dronken zijn en slecht geluimd)
  13. de keel kost veel (=herhaalde dronkenschap leidt tot armoede)
  14. zijn hoed staat op halfzeven (=hij is dronken)
  15. zijn kop is zwaarder dan zijn benen (=hij is dronken (of erg moe))
  16. hij is zo stoned als een garnaal (ook makreel) (=hij is stomdronken)
  17. een snor aan hebben (=lichtjes dronken zijn)
  18. na wat gepimpel, is de geest wat simpel (=na wat te hebben gedronken ben je meestal niet meer helder van geest)
  19. zo dronken als een kartouw (=stomdronken)
  20. zo dronken als een reiger (=stomdronken)
  21. te diep in het glaasje kijken (=te veel alcohol drinken en daardoor erg dronken zijn)
  22. een tik aanhebben (=te veel gedronken hebben)
  23. een tikje aanhebben (=te veel gedronken hebben)
  24. zijn netten drogen (=uitrusten na dronkenschap)
  25. wie `s nachts gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=Wie te veel heeft gedronken is de volgende dag niets waard)
  26. een stuk in de kraag drinken (=zich dronken drinken)

Het dialectenwoordenboek kent 112 spreekwoorden met `dronken`

  1. Sallands: Mooi dikke en nie bange! (=dronkenschap:)
  2. Mechels (BE): e'krolleke aan èmme (=dronken zijn)
  3. Merenaars: een mot opebben (=dronken zijn)
  4. Bilzers: hae ès zaot (=hij is dronken)
  5. kortemarks: jis boovn wiend (=hij is dronken)
  6. Drents: Waj zegt aj dronken bent, hej dacht doe aj nog nuchter waoren (=Wat je in dronkenschap zegt, heb je gedacht toen je nog nuchter was.)
  7. Brakels: tzaa nen duu'n nie veure val'n (=diepgaande gedachte die men tegen iemand vertelt die gewetenslast heeft van een recent dronkenschap)
  8. Haags: dronke arebei (=dronken)
  9. Genneps: 'n Pèèr ân hebbe (=dronken zijn)
  10. Venloos: Onder de percessie kómme (=dronken zijn)
  11. Venloos: Zoe blauw wie ein tientje (=dronken zijn)
  12. Turnhouts: Een stuk in ewwe frak hemme (=dronken zijn)
  13. Geels: Een stuk in ewwe frak hemme. (=dronken zijn.)
  14. Twents: zo dikke as doezend man (=erg dronken zijn)
  15. Hansbeeks: Hij es zo zat as nen patat (=Hij is dronken)
  16. Venloos: Dae haet de tesse vol (=Hij is dronken)
  17. Hams: ij eed een peir oan (=hij is dronken)
  18. Rotterdams: Hij heb ze zakke vol (=Hij is dronken)
  19. Merenaars: à eet e stik in zenen gillée, meulen (=hij is dronken)
  20. Deinzes: jest er hjeel oan (=Hij is erg dronken)
  21. Sallands: Hij hef'm aordig zitt'n (=Hij is behoorlijk dronken)
  22. Aalsters: ik em é stik in menne melen (=ik ben dronken)
  23. Tilburgs: nie mir bekwaom (=onder invloed (dronken))
  24. Twents: zo dik as doezend man (=dronken)
  25. Brugs: u stik in zen kloaten (=dronken)
  26. Rijssens: dikke as doezend man (=dronken)
  27. Sint-Niklaas: zatte loet (=dronken vrouw)
  28. Meppels: hef a dikke borst (=hij is dronken)
  29. Roeselaars: Jee zien oariengn an (=Hij is dronken)
  30. Haags: hé is lam (=hij is dronken)
  31. kortemarks: jee ze gettn an (=hij is dronken)
  32. Rotterdams: zo dronken as 'n meleier (=stomdronken)
  33. Liedekerks: Hij lept do zoe zwésje as kenweet ne twelk (=Hij is heel zat (dronken))
  34. Helders: een stuk in je reet hebben (=dronken)
  35. Gavers: zu breun'of 'n espe (=dronken)
  36. Amsterdams: in de lorum (=dronken zijn)
  37. Kortrijks: mulle zijn (=dronken zijn)
  38. Zeeuws: ie eit nom (=hij is dronken)
  39. IJmuidens: Een vracht hebben (=dronken zijn)
  40. Zelzaats: IJ ee uh stuk in zijn kluaten (=Hij is dronken)
  41. Liedekerks: E es goe sticket. (=Hij is heel dronken)
  42. Oudenbosch: ijeetum wir om gat (=hij is weer dronken geweest)
  43. Bosch: Hillemol van de koart (=Heel erg dronken)
  44. Vilvoords: daan ijt e stuk in zen kloeite (=die is dronken)
  45. Genneps: Zö zat as ennen uul (=dronken als een ketellaper)
  46. Mechels (NL): Zaate herremenie (=dronken muziek gezelschap)
  47. Katwijks: van de poemus komme (=dronken naar huis gaan)
  48. Lokers: ij is mee zijn kliekken en klakken gevaulen (=dronken neervallen)
  49. Deventers: Un stuk in de kloot'n zoep'm. (=dronken worden)
  50. Mechels (BE): mê zatte botte loepe (=dronken zijn)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen