Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


480 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `den`

  1. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
  2. aan banden leggen (=de vrijheid beperken)
  3. aan de draai houden (=bezig houden)
  4. aan de heidenen overgeleverd (=in zware moeilijkheden - in de macht van mensen zonder scrupules)
  5. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  6. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  7. aan een zijden draadje hangen (=de kansen zijn nog niet verkeken, maar het scheelt erg weinig)
  8. aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
  9. aan het (sleep)touw houden (=bezig houden / aan het lijntje houden)
  10. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden / beloven, maar steeds weer uitstellen)
  11. aan zijn eindje vasthouden (=zijn standpunt handhaven)
  12. aanzien doet gedenken (=wat men met eigen ogen gezien heeft, is gemakkelijker te onthouden)
  13. Aardewerk is geen paardenwerk. (=Graven of in aarde werken is een vermoeiende bezigheid)
  14. achter de vodden zitten (=opjagen)
  15. al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding (=wie zich mooi aankleedt wordt daarmee zelf nog niet mooi)
  16. al zouden de raven het uitbrengen (=ooit wordt de zaak bekend)
  17. alle wegen leiden naar Rome (=er zijn veel manieren om je doel te bereiken / de uitkomst is altijd hetzelfde)
  18. Als de ene blinde de ander leidt vallen ze beiden in de gracht (=Wanneer onbekwamen andere onbekwamen adviseren gaat het fout)
  19. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  20. als een lam ter slachtbank geleid worden (=weerloos zijn)
  21. als hadden geweest is, is hebben te laat. (=niet zeuren over gedane zaken)
  22. als honden konden bidden zou het kluiven regenen (=als is een niet ter zake doende opmerking)
  23. Als ik ze niet hoef te hoeden laat ik de ganzen ganzen zijn (=Ik bemoei me niet met andermans zaken als het niet hoeft)
  24. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren)
  25. als paddenstoelen uit de grond schieten (=snel en in grote massa tevoorschijn komen)
  26. als twee honden vechten om een been loopt de derde ermee heen (=een derde profiteert van de ruzie van twee anderen)
  27. anderhalve man en een paardenkop (=weinig aanwezigen)
  28. arbeiden als een galeislaaf (=erg hard werken)
  29. bang zijn zich aan koud water te branden (=erg voorzichtig zijn)
  30. beneden alle peil (=stijlloos)
  31. Beter één ezel voor de ploeg dan twee paarden op stal. (=Kiezen voor zekerheid.)
  32. bij de kladden krijgen (=te pakken krijgen)
  33. bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen (=iemands ware karakter blijkt pas als het erop aankomt)
  34. bij kris en kras volhouden (=bij hoog en bij laag volhouden)
  35. bij Neck om naar den Haag (=een onnodige omweg maken)
  36. blaffende honden bijten niet (=zij die het hardst roepen, zijn het minst gevaarlijk)
  37. boeren en varkens worden knorrend vet (=een boer die klaagt heeft daar wellicht geen reden toe)
  38. borgen is geen kwijtschelden (=uitstel is geen afstel)
  39. branden als een (tiere)lier (=een heel erg hevige brand)
  40. branden als een fakkel (=zeer fel branden)
  41. brandende kwestie (=een dringende, actuele zaak)
  42. daar is kop noch staart aan te vinden (=daar geraak je niet uit wijs)
  43. dan is Leiden in last (=dan zijn er problemen!)
  44. Dat is de goden verzoeken (=te grote risico's nemen)
  45. dat staat niet in zijn woordenboek (=dat kent hij niet, daar doet hij niet aan mee, heeft hij nog nooit van gehoord)
  46. dat zaakje zal wel doodbloeden (=die kwestie zal geleidelijk aan wel worden vergeten)
  47. dat zet geen zoden aan de dijk (=dat is geen bijdrage van serieuze betekenis)
  48. De beste paarden staan op stal. (=De leukste meisjes gaan niet uit)
  49. de bokken van de schapen scheiden (=de goeden van de kwaden scheiden)
  50. de boot afhouden (=niet meedoen - afwachten)

652 betekenissen bevatten `den`

  1. in de as leggen (=(doen) afbranden)
  2. het zwaard aangorden (=(zich klaarmaken om) de strijd aan (te) binden)
  3. Aan de veren kent men de vogel (=1: Aan iemands uiterlijk (verzorging / kleding) kan men zijn karakter afleiden. 2: Kinderen lijken vaak op hun ouders)
  4. Het varken is door de buik gestoken (=1: Door krachtig optreden zijn de moeilijkheden uit de weg geruimd. 2: Alles is doorgestoken kaart, opgezet spel, de zaak is vooraf bedisseld)
  5. De kap aan de haag hangen (=1: Een beroep beëindigen. 2: Het voor gezien houden)
  6. Uit hetzelfde gat schijten (=1: Onafscheidelijke kameraden zijn. 2: Het met elkaar eens zijn)
  7. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden / beloven, maar steeds weer uitstellen)
  8. in hetzelfde gasthuis ziek liggen (=aan dezelfde kwaal lijden)
  9. op het sleeptouw houden (=aan het lijntje houden)
  10. op tui houden (=aan het lijntje houden)
  11. tegen iets aangooien (=aan iets besteden)
  12. naar zijn hielen omzien (=aan vluchten denken)
  13. voor lief nemen (=aanvaarden)
  14. op zich laten zitten (=aanvaarden zonder tegenstand)
  15. kinderen die zwijgen zullen ook nooit wat krijgen (=aanvulling op `Kinderen die vragen worden overgeslagen.`)
  16. iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te worden)
  17. de barricades opgaan (=actie voeren om iets voor elkaar te krijgen of juist tegen te houden)
  18. lik op stuk krijgen/geven (=afgestraft worden/afstraffen)
  19. een blauwe scheen lopen (=afgewezen worden)
  20. een korf krijgen (=afgewezen worden)
  21. een blauwtje lopen (=afgewezen worden (in de liefde))
  22. de toets kunnen doorstaan (=alle antwoorden op vragen/problemen weten)
  23. geen klaviertje over slaan (=alle bijzonderheden in acht nemen)
  24. alles op haren en snaren zetten (=alle middelen aanwenden / alles in het werk stellen)
  25. kromme sprongen maken (=alle moeite doen om zich uit een situatie te redden)
  26. al zijn patronen verschieten (=alle mogelijkheden uitproberen)
  27. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
  28. de bastaard van de graaf wordt later bisschop (=alleen hoge heren kunnen hun buitenechtelijke kinderen een toekomst bieden)
  29. Niemand zoekt de ander in de oven als hij er zich niet zelf in verstopt heeft (=Alleen wie zelf slecht is denkt slecht over anderen)
  30. ogen van achteren en van voren hebben (=alles goed in de gaten houden)
  31. Wie weet waarom de ganzen blootsvoets gaan? (=Alles heeft een reden, ook al is die niet altijd even duidelijk)
  32. boven water zijn (=alles is bekend geworden of is teruggevonden)
  33. komt men over de hond, dan komt men over de staart (=als de grootste moeilijkheden overwonnen zijn, dan komt de rest vanzelf)
  34. als het voeten heeft (=als de omstandigheden gunstig zijn)
  35. de ratten verlaten het zinkende schip (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken)
  36. na gedane arbeid is het goed rusten (=als een klus geklaard is kan men er tevreden op terug kijken)
  37. men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan (=als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
  38. niemand genoemd niemand geblameerd (=als er geen namen genoemd worden, wordt niemand gekwetst)
  39. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  40. Als de boter duur wordt, leert men het brood droog eten. (=Als het niet anders kan, is men ook met minder tevreden.)
  41. als het schip lek is, gaan de ratten van boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
  42. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
  43. laat uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet (=als je een ander geld geeft kun je dat beter stilhouden want anderen hoeven het niet te weten)
  44. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  45. ongevraagd, ongeweigerd (=als je iets doet waarvoor geen toestemming is gevraagd kan het achteraf niet meer geweigerd worden omdat het al gebeurd is)
  46. waar een wil is is een weg (=als je iets echt wilt, dan zul je ook slagen /de weg vinden naar je doel)
  47. een man een man, een woord een woord (=als je iets hebt beloofd, dan moet je je daar ook aan houden)
  48. In de nood eet de duivel vliegen. (=Als je in nood verkeert, stel je je tevreden met dingen die je anders zou weigeren.)
  49. hoop doet leven (=als je kan hopen op betere tijden, dan krijg je toch weer levenslust / zo lang je nog hoop hebt zijn er ook nog mogelijkheden)
  50. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)

Het dialectenwoordenboek kent 630 spreekwoorden met `den`

  1. Machels (Zulte): denie (=Slagerij denis)
  2. Eesjdens: ich zek mer zoe, ut kint neet altied denhoale zien (heuvellands) (=ik zeg maar zo, het kan niet altijd denhalen zijn)
  3. Liedekerks: e es van over 't woater (=hij is van denderleeuw)
  4. Iepers: dendeen goa gin pattatten mi'r eten (=die is overleden)
  5. Zeeuws: dn ienen henees bie dezalve denaaren bie de pot (=beter worden)
  6. Aalsters: den andere kant van 't woter (Moailebeik) , soert van oever t'woater (=de rechteroever van de dender)
  7. Harelbeeks: den'iën zyn dwud es den andr'n zyn brwud (=iemand verdiend altijd aan iemand anders' ongeluk)
  8. Tilburgs: dendiejen kun de gemak zat opjööne (=die kun je gemakkelijk opjutten)
  9. Dendermonds: Rezzekes Getokt (=Blikschade)
  10. Aalsters: 't oaïland Jipka (=Tussen \)
  11. Mechels (BE): Wee ba denhond slopt kreigt zen vloeie (=De gewoontes van iemand anders aannemen)
  12. Oudenbosch: as dengeltjes luie motte nie in de prosessie gaon (=waar het goed is moet je blijven)
  13. denderleeuws: zeegdabewourda (=god zegene u)
  14. Dendermonds: 'T is van den bok zijn kluëte (=Het is niet waar hé !)
  15. Venloos: Ein kort gebed en ein lange braodwors dene de reizende mins (=bij grote ondernemingen kan men zich beter op het essentiële richten)
  16. Denderleeuws: nog dikker dan den dikken van Poumel (=Nog dikker dan den dikken van Pamel)
  17. denderleeuws: da teltj (=goed zo)
  18. denderleeuws: medja (=uit de weg!)
  19. Munsterbilzen - Minsters: wae goed zen aete knabbelt, zal zich nie rap verslikke (=denk alvoor je doende bent, opdat je aldoende niet meer denken moet)
  20. Heusdens: ast meurege nie bieeteris gunich ne dendoktoer (=als het morgen niet beter gaat,ga ik naar de huisarts)
  21. Denderleeuws: rond kesjken (=rond lopen)
  22. Dendermonds: 't stof van tussen a kluete bloeze (=Een scheet laten)
  23. Dendermonds: Oe is da na toch va gods megelaik? (=hoe is het mogelijk)
  24. Dendermonds: tes allemol iet (=Dat is me wat)
  25. Denderleeuws: Ne skeir doen (=Een lief opdoen)
  26. denderleeuws: past denne schoen a na? (=past die schoen u?)
  27. Dendermonds: nen blikken tarzan (=een magere spriet)
  28. Dendermonds: oe ist begot meegelaik? (=Hoe is het mogelijk?)
  29. Dendermonds: 't is keiremis in d'elle (=regenen bij zonneschijn)
  30. Sint-Niklaas: er grust in zin (=denken dat alles in orde is)
  31. Denderleeuws: aske den bocht om gotj\r\naske annendroé pakt (=als je de bocht om gaat)
  32. Oudenbosch: zouwut ? (=denk jij dat ?)
  33. Westfries: Je zoue meist miene..... (=Je zou toch denken....)
  34. Geels: Kzot deenke/kzaat deenke (=Ik mag het denken)
  35. Denderleeuws: altèt aa ant owetsteken (=altijd je hand uitsteken)
  36. denderleeuws: op marode goun (=op stap gaan)
  37. denderleeuws: van iet tot tout (=van hier tot daar)
  38. Diems: Wa denk ie eiges (=wat denk je zelf)
  39. Maldegems: kpejzut (=ik denk het)
  40. Twents: Zwiegen en denken kan gin mense krenken (=Met zwijgen en denken krenk je niemand)
  41. Dendermonds: Hij es zu zwert as de schaa (=Hij heeft zich vuil gemaakt.)
  42. Denderleeuws: as asverleje jour (=dan vorig jaar)
  43. Zottegems: geddent gij goed op (=denken dat je gelijk hebt)
  44. Oudenbosch: oe komde daor nou op ? (=hoe kun je dat denken ?)
  45. Sint-Niklaas: 'k docht bè (in) min eigen (=ik was aan het denken...)
  46. Sint-Niklaas: wa peizen die waal, nie mè tundezen zulle (=wat denken die wel!)
  47. Mestreechs: zoonder verzeij (=zonder er bij na te denken)
  48. Denderleeuws: ik tirf er me nie on aaven (=ik was er niet zeker van)
  49. Brakels: kzoot nie giejrn gedrumd èn (=ik mag er niet aan denken)
  50. Gelaens (Geleens): Get zègke zónger bezej. (=Iets zeggen zonder na te denken.)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen