Spreekwoorden met `deer`

Zoek

3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `deer`

  1. commandeer je hond en blaf zelf (=dat bevel weiger ik uit te voeren)
  2. wat het oog niet ziet, wat het hart niet deert (=wat je niet ziet en niet weet heb je ook geen last)
  3. wat niet weet, wat niet deert (=waar je geen weet van hebt kun je ook geen last hebben)

6 betekenissen bevatten `deer`

  1. in een goed blaadje staan (=bijzonder gewaardeerd worden)
  2. de neus optrekken (=duidelijk maken dat men iets of iemand niet waardeert)
  3. wat je van ver haalt is lekker. (=je waardeert dingen extra als je er veel werk voor moet doen)
  4. niet alle winden schudden noten af. (=succes is niet altijd gegarandeerd)
  5. naai geen zakken met zijde (=verspil geen dingen aan iets wat niet wordt gewaardeerd)
  6. voor halve vracht meevaren (=weinig gewaardeerd worden)

23 dialectgezegden bevatten `deer`

  1. 't Laikent deer wel puur zo drok. (=Het is daar behoorlijk druk.) (Zaans)
  2. as der hier of deer maar un lampie brand (=relativerende opmerking) (Westfries)
  3. De ruûf hangt deer hóóg (=Ze zijn daar arm, het is daar armoedig) (Texels)
  4. deer bè je mooi onklééd (=Daar ben je mooi klaar mee) (Texels)
  5. deer ben 'k niks op stoven. Hier behoort nog bij, daarzo. Wij zeggen in het Westfries, deerzô. (=daar hou ik helemaal niet van) (Westfries)
  6. Dèèr ek gin dol mee (=Daar heb ik geen last mee) (Bergs)
  7. deer hef ik geen ferlet van (=Daar heb ik geen belang bij) (Snekers)
  8. deer make ze allang knope van; hai komt temet awweer trug (zie ook opmerkingen) (=Iemand is reeds lang geleden overleden.) (Zaans)
  9. deer slaat me toch 'n blinde ezel in! (=Daar begrijp ik niets van.) (zaans)
  10. deer wup ik van op! deer zeg je zô wat. (=daar hoor ik van op!) (Westfries)
  11. deer zit hem weer 'n skeet dwars; hai heb weer wet te peeuwe. (=Hij heeft weer wat te zeuren.) (Zaans)
  12. deer: Stékt ' n tiss' n de deer (=Seksueel niet aan je trekken kunnen komen) (Lebbeeks)
  13. Duut dei deer tuiw! (=Doe die deur dicht!) (Schulens)
  14. E es deer ne pasfit gedroiëjd (=Hij is zeer sluw) (Liedekerks)
  15. Ik hei deer gien sin an (=Ik heb er geen zin in) (Texels)
  16. Ik hei deer niks gien sin an (=Ik heb er echt geen zin in) (Texels)
  17. lossen deer de deer deer (=buiten vliegen) (Denderleeuws)
  18. Twei gelouve op ien kusse, deer sleipt de duvel tusse (=Op een zogenaamd gemengd huwelijk kan geen zegen rusten) (Westfries)
  19. wat 'n door deer (=wat een idioot) (Twents)
  20. Weer je 't meeste van heb te zegge, deer kojje 't dichste bai te legge. (=Plaagzin op jonge mannen en vrouwen, die kritiek op elkaar hebben.) (Zaans)
  21. weer't vrolek is deer is pils. (=waar het gezellig is daar is bier.) (Westfries)
  22. Weet je, je moste kippe gaan houwe, kejje deer achteran te jage. (=Hou nou 's op met dat gepush!) (Westfries)
  23. zet a nè en doet de deer toe (=een berisping) (Liedekerks)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen