Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


32 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `bui`

  1. buigen als een knipmes (=zeer onderdanig doen)
  2. buiten de schreef (=niet meer acceptabel)
  3. buiten de waard rekenen (=niet gerekend hebben op hoe anderen er werkelijk over denken)
  4. buiten schot blijven. (=niet worden aangetast.)
  5. buiten spel blijven (=(willen) proberen niet betrokken te zijn)
  6. buiten westen (=bewusteloos)
  7. buiten zijn boekje gaan (=meer doen dan toegelaten)
  8. de bloemetjes buiten zetten (=uitbundig vieren)
  9. de bui afwachten (=rustig afwachten wat voor onheil er komt)
  10. de buikriem aanhalen (=spaarzamer worden)
  11. de vuile was buiten hangen (=over onaangename zaken spreken met buitenstaanders.)
  12. ergens de buik van volhebben (=ergens genoeg van hebben)
  13. ergens zijn buik van vol hebben (=ergens genoeg van hebben)
  14. het hoofd buigen (=opgeven - toegeven)
  15. het moet buigen of barsten (=het ergens op wagen)
  16. het takje buigen als het nog jong is (=goede gewoonten leert men het beste op jonge leeftijd aan)
  17. het zijn twee handen op een buik (=ze verstaan elkaar volkomen)
  18. hij heeft net zoveel geld in de buidel als een jood spek in de kast. (=hij is straatarm.)
  19. iets op je buik kunnen schrijven (=er vanuit kunnen gaan dat hetgeen dat men wilde niet door zal gaan)
  20. iets wel op zijn buik kunnen schrijven (=iets wel kunnen vergeten)
  21. men moet de boom buigen als die jong is. (=goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd)
  22. met het mes in de buik zitten (=in grote angst verkeren)
  23. niets dan wonden en builen zoeken (=altijd willen vechten)
  24. plat op de buik gaan (=aan iemand toegeven, zich overleveren)
  25. schrijf het maar op je buik (dan kan je het met je hemd weer uitvegen) (=vergeet het maar)
  26. twee handen op een buik (=ze werken samen, ze denken er hetzelfde over)
  27. van je buik een afgod maken (=erg veel geld uitgeven aan lekker eten en drinken)
  28. van zijn buik een afgod maken (=erg graag eten)
  29. vlinders in zijn buik hebben (=verliefd zijn)
  30. voor de bui binnen zijn (=voordat het slecht werd genoeg verdiend hebben)
  31. zijn buik op de leest slaan (=te veel eten)
  32. zijn buik zalven (=lekker)

41 betekenissen bevatten `bui`

  1. de bastaard van de graaf wordt later bisschop. (=alleen hoge heren kunnen hun buitenechtelijke kinderen een toekomst bieden.)
  2. het is alle dagen visdag maar geen vangdag (=als de buit of vangst tegen valt)
  3. van zijn à propos (=buiten bewustzijn, groggy)
  4. uit je dak gaan (=buiten zinnen raken)
  5. onder de mensen komen (=buitengaan , mensen ontmoeten)
  6. bij de konijnen af (=buitengewoon erg)
  7. door merg en been dringen/snijden (=buitengewoon kwetsend of doordringend zijn)
  8. zo lustig zijn als een vogeltje dat koe heet (=buitengewoon loom zijn)
  9. als een olifant in de porseleinkast (=buitengewoon onvoorzichtig of tactloos)
  10. daar komt een schip met zure appels. (=daar komt een stevige regenbui aan.)
  11. over de rooie gaan (=de perken te buiten gaan)
  12. een katterug maken (=diep buigend groeten)
  13. goed gemutst zijn. (=een goede bui hebben, opgewekt zijn.)
  14. een ijzer in het vuur hebben (=een plan hebben dat nog onbekend is voor de buitenwereld)
  15. een harde nek hebben (=erg onbuigzaam zijn)
  16. een luchtje happen (=even buiten gaan wandelen)
  17. een luchtje scheppen (=even buiten gaan wandelen)
  18. het regent bakstenen (=gezegd van een hevige hagelbui)
  19. op zijn duimpje kennen (=heel goed kennen, van buiten weten)
  20. het houdt geen rooi (=het gaat de perken te buiten)
  21. 't is bij de konijnen af (=het is buitengewoon erg - walgelijk)
  22. zo gaan er geen twaalf in een dozijn (=het is iets buitengewoons)
  23. zijn laatste troef uitspelen (=het laatste wat iemand achter de hand had naar buiten brengen)
  24. de kronkel in de darm hebben (=hevige buikpijn (koliek) hebben)
  25. een schip met zure appels zijn/komen (=iemand begint bijna met huilen, het naderen van een zware bui)
  26. het zwarte schaap van de familie (=iemand die een beetje buiten de familie staat qua gedrag)
  27. als bliksemafleider fungeren (=iemand die of iets dat de boze bui van iemand kan afleiden)
  28. iets op zijn duimpje weten (=iets van buiten weten)
  29. het uitproesten (=in een plotse lachbui schieten)
  30. in den vreemde (=in het buitenland)
  31. leugens hebben korte benen. (=met een leugen schiet iemand niets op, na verloop van tijd komt de waarheid altijd naar buiten)
  32. een frisse neus halen. (=naar buiten gaan.)
  33. op den boer (=op den buiten)
  34. goed gemutst zijn (=opgewekt zijn, in een goede, vrolijke bui zijn)
  35. de vuile was buiten hangen (=over onaangename zaken spreken met buitenstaanders.)
  36. de lachende derde. (=persoon die buiten een conflict staat, maar profiteert van de uitkomst.)
  37. Een ridder van het lui paard zijn (=steeds smoesjes verzinnen en de schuld buiten jezelf leggen)
  38. op het gijpen liggen (=stervend of totaal buiten adem zijn)
  39. door de mand vallen. (=van een lager niveau blijken te zijn dan de buitenwereld tot dan toe had gedacht.)
  40. aan de weg timmeren. (=veel activiteiten ontplooien en daarmee naar buiten treden om verandering en vernieuwing te bewerkstelligen.)
  41. het erg bont maken (=zich al te fel te buiten gaan)

Het dialectenwoordenboek kent 71 spreekwoorden met `bui`

  1. Bilzers: Miëtse buie en aprilse grille, daaj koëme en gon weneij ze wille (=Maartse buien en aprilse grillen...)
  2. Overmeers: 'n buiksken bier (=een man met een ronde buik)
  3. Merenaars: de voeërink van zè gat skijten (=erge buikloop hebben)
  4. Westerkwartiers: 'k heb last van navvelsoez'n (='k heb last van buikkriebels)
  5. Munsterbilzen - Minsters: zen praaj volfraete (=zijn buikje vol eten)
  6. Bilzers: zene kéttel vofraete (=Zijn buikje rond eten)
  7. Waregems: ie stuipt hem (=hij buigt voorover)
  8. Venloos: Aan de dunne zien, slingerschiet hebbe, aan de reeskak (=buikloop hebben)
  9. Lichtervelds: zis in eur toern (=ze heeft een gekke bui)
  10. Lummens: ich hemm penspaain (=ik heb buikpijn)
  11. Walshoutems: Ich heub den rappe - ich heub den afgank (=Ik heb buikloop)
  12. Sallands: K'heb piene in de pense. (=Ik heb buikpijn.)
  13. Hendrik-Ido-Ambachts: 'm Flink uit je broek laten hangen (=Diep in de buidel tasten)
  14. Oudenbosch: ij gao gin zaand mir af (=hij heeft zijn buikje lekker vol gegeten)
  15. Eekloos: U poart stoat op de buijze (=Ik zet je dit betaald)
  16. Twents: Hee hef 'n kop verkeerd stoan (=Hij is in een slechte bui)
  17. Bilzers: hae héttet on zene slinger (buijel) (=hij heeft het zitten !)
  18. Overmeers: 'n bijze regen (=een bui regen)
  19. Izegems: in e vroede kolèire (=in een bui van woede)
  20. Zeeuws: tzit zo te brobbelen in mn buuk (=buikpijn)
  21. Munsterbilzen - Minsters: ne knoop èn zen derm hübbe (=buikpijn hebben)
  22. Zeeuws: ik oa pien in mun pookuh (=ik heb buikpijn)
  23. Lanakens: e stuk in de kloete hubbe, uh stuk ien munne buijel (=zat zijn)
  24. Bilzers: spaor ze laeve mér nie ze geld (=beter een buikje van het zuipen dan een bult van het werken)
  25. Munsterbilzen - Minsters: doë kump wir ën zwaj aon (=er komt weer een zware bui aan)
  26. Westerkwartiers: hij het de bokkepruuk op (=hij heeft een slechte bui)
  27. Gronings: pien in pens (=pijn in de buik)
  28. Hunsels: euvereinhaoje (=Twee handen op een buik)
  29. Klings: aaulen en draaugen (=de ene bui na de andere)
  30. Bilzers: Vendaog steedtem zene kop verkeird (=Hij is in een slechte bui vandaag)
  31. Diems: mutvol, aangelaaje, een bult aan de buuk gegè:en (=volle buik)
  32. Munsterbilzen - Minsters: tès oërlog èn men dêrm (=mijn buik rommelt)
  33. Helmonds: Zet oewe buijk er mar vur! (=Zorg maar dat je zin maakt!)
  34. Westerkwartiers: 'k heb pien ien 't lief van 't lach'n (='k heb buikpijn van het lachen)
  35. Zottegems: tzijn triestige buikskens woar da zo een kopke op stoat (=iets niet willen eten)
  36. Westlands: pain in mn pens (=pijn in mijn buik)
  37. Flakkees: Een groate poke (=Een dikke buik)
  38. Munsterbilzen - Minsters: mën dérm spiëlen op (=mijn buik rommelt)
  39. Bilzers: goed geteig hink onder e goed aofdaok (=een dikke buik is zelfs goed)
  40. Mestreechs: twie han op eine boek (=twee handen op een buik)
  41. Veurns: twi zieëlen in e kloefe (=twee handen op één buik)
  42. St Huibrechts-Hern: da was nogal een sjoer (=dat was nogal een bui (felle regen))
  43. Westerkwartiers: d'r komt 'n schip met zure abbels aan (=er komt een bui regen deze kant op)
  44. Munsterbilzen - Minsters: ich wol daste de krampe èn zen kloete krië(g)s (=hevige buikpijn wens ik je toe)
  45. Brakels: nen helme onder zijn klirn, een puiste op zijn buik, een kuipe op èn (=en dikke buik hebben)
  46. Veurns: Tweeë zieël'n in e kloefe (=Twee handen op één buik)
  47. Sint-Niklaas: ei eéd een dikke pengs (=hij heeft een heel dikke buik)
  48. Twents: He hef zik lillik in 'n boek betten (=Zijn opzet is mislukt ( hij heeft zichzelf in de buik gebeten))
  49. Mestreechs: un pans vuur op te sjiete (Pvots) (=een buik om op te poepen)
  50. Leids: Hij heb een tuin op ze buik (=Hij is overleden)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen