Spreekwoorden met `gooien`

Zoek

26 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` gooien`

  1. de kont tegen de krib gooien (=weerspannig zijn)
  2. de troffel in de kalkbak gooien (=zijn beroep opgeven en van zijn rente gaan leven)
  3. dertien ogen gooien (=onmogelijk veel geluk hebben)
  4. een knuppel in het hoenderhok gooien (=opschudding veroorzaken)
  5. een knuppel in het honderd gooien (=kritiek geven zonder namen te noemen)
  6. er met de pet naar gooien (=een taak bijzonder slordig uitvoeren)
  7. geld in het water gooien (=geld verspillen)
  8. geld over de balk gooien (of smijten) (=geld verspillen, zonder nadenken uitgeven)
  9. goed geld naar kwaad geld gooien (=geld ergens insteken waarvan bekend is dat het verlies oplevert)
  10. het op een akkoordje gooien (=met elkaar afspreken iets op een bepaalde manier aan te pakken)
  11. het over een andere boeg gooien (=het anders aanpakken)
  12. hoge ogen gooien (=een goede kans maken op iets)
  13. iemand iets voor de voeten gooien (=iemand met iets confronteren)
  14. iets ertegenaan gooien (=ergens geld aan uitgeven)
  15. iets in de groep gooien (=iets in een groep bespreken)
  16. je fortuin te grabbel gooien (=geld verspillen)
  17. kruis of munt gooien (=ervoor loten)
  18. met de muts naar iets gooien (=ergens geen zorg aan besteden / er een slag naar slaan, ernaar raden)
  19. met de pet naar iets gooien (=niet echt moeite voor iets doen, zonder inzicht schatten)
  20. met een metworst naar een zij spek gooien (=iets weinig waardevols opofferen om iets waardevols terug te krijgen)
  21. naar het hoofd gooien/slingeren (=scherpe verwijten maken)
  22. olie op het vuur gooien (=een situatie verergeren)
  23. over de balk gooien (=onnodig geld uitgeven voor zaken die niet nodig zijn)
  24. roet in het eten gooien (=de pret bederven of een plan laten mislukken)
  25. te grabbel gooien (=zomaar weggooien, opofferen)
  26. wie in een glazen huis woont moet niet met stenen gooien (=wie schuldig is, moet zich niet laten opmerken)

Eén betekenis bevat `gooien`

  1. te grabbel gooien (=zomaar weggooien, opofferen)

37 dialectgezegden bevatten `gooien`

  1. 'k zal dij d'r uut benzeln (=ik zal jou eruit gooien) (Westerkwartiers)
  2. achter de boet gooien (=weggooien) (Westfries)
  3. bè den iup smijdn (=bij de rest gooien) (Kaprijks)
  4. da 's wiggesmeetn geld (=dat is geld in het water gooien) (Waregems)
  5. dat maag 'em de pret niet drukk'n (=dat zal geen roet in het eten gooien) (Westerkwartiers)
  6. De huus hooj mi kluuten nae de puuten in dn dulve. (=De kinderen gooien met kluiten naar de kikkers in de sloot.) (Zeeuws)
  7. de kladze beejein goeze (=de restjes bij elkaar gooien) (Weerts)
  8. de stiêp ônger de kér zette (=het bijltje er bij neer gooien) (Weerts)
  9. Den dag da ze mé maain biene no de notches zulle smaaite (=De dag dat ze met mijn benen naar de nootjes zullen gooien) (Brussels)
  10. die kunde over oe schouwers gooien en terug schuppen (=hangtieten) (Tilburgs)
  11. doar is't goit van den temmerman (=iemand eruit gooien (de deur wijzen)) (Kaprijks)
  12. e koet énzen hand hübbe (=zijn geld over de balk gooien) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. effe ut lucht dicht gooien (=ramen dicht doen) (westlands)
  14. én grijzlemente goeje (=aan diggelen gooien) (Bilzers)
  15. held deur de billen lappn (=geld over de balk gooien) (Zeeuws)
  16. Ich hang 't heure óp (=De hoorn op de haak gooien) (Nijswillers)
  17. iemand duruit bossen (=iemand eruit gooien) (Brabants)
  18. iemand ne wip geevn (=iemand buiten gooien) (Kaprijks)
  19. iemëd autmaokë vër rotte vès (=iemand lelijke verwijten naar het hoofd gooien) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. in 't maaieum pleure (=in het water gooien) (Rotterdams)
  21. je gooien je eagen rutjen in (=zou je niet beter) (Urkers)
  22. lëlëk haus haage (=vernielen, over hoop gooien) (Munsterbilzen - Minsters)
  23. me gelt smijte (=geld over de balk gooien) (Diesters)
  24. met 'n metwos noar 'n zi'jen spek gooien (=met iets kleins wat groters proberen te bemachtigen) (Diems)
  25. met een wors naor een zieje spek gooien (=met iets kleins, iets groots proberen binnen te halen) (Oldebroeks)
  26. mèt twie dobbelstein dertien oage goeje (=met twee dobbelstenen dertien ogen gooien) (Mestreechs)
  27. Mit 'n metworst noar'n ziede spek gooien (=Men gooit een spiering uit om een kabeljauw te vangen) (Gronings)
  28. moetech ze bikske és oëpe doen (=moet ik alles eens op tafel gooien) (Bilzers)
  29. must dien vreet houwe, sik die in de sûderhaven dondere (=je moet je stil houden, zal ik je in de zuiderhaven gooien) (Harlingers)
  30. overhoop smijten (=door elkaar gooien) (Sint-Niklaas)
  31. puudetje paddetje smieten (=steentje over het watrer gooien) (Poperings)
  32. schoon schip moak'n (=alle misere overboord gooien) (Westerkwartiers)
  33. spek in 't hóngdenest gooien (=paarlen voor de zwijnen werpen) (Huizers)
  34. thope smietten (=samen gooien) (Veurns)
  35. we zun oe de kaaje op knikkere (=we zullen je buiten gooien) (Tilburgs)
  36. ze wasse mich nie opte règ (=je moet het geld zomaar niet te grabbel gooien) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. zéive koppies koffie in de zai gooie (=zeven kopjes koffie in de zee gooien) (Volendams)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen