Spreekwoorden met `à`

Zoek


4381 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `à`

  1. boven aarde staan (=overleden zijn maar nog niet begraven)
  2. boven de pet gaan (=er niets van begrijpen)
  3. boven de wet staan (=niet gebonden zijn aan de wet)
  4. boven het hoofd hangen (=te wachten staan)
  5. boven Jan zijn (=uit de problemen zijn)
  6. boven water komen / boven water halen (=tevoorschijn komen / tevoorschijn halen, verschijnen, opduiken)
  7. boven water zijn (=alles is bekend geworden of is teruggevonden)
  8. boven zijn theewater (=dronken)
  9. branden als een (tiere)lier (=een heel erg hevige brand)
  10. branden als een fakkel (=zeer fel branden)
  11. brandende kwestie (=een dringende, actuele zaak)
  12. brave hendrik (=een persoon die op overdreven wijze de regeltjes volgt)
  13. brutaal als de beul (=zeer brutaal)
  14. buig de boom als hij jong is (=goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd)
  15. buiten de kerf gaan (=als iets te ver gaat)
  16. buiten de waard rekenen (=niet gerekend hebben op hoe anderen er werkelijk over denken)
  17. buiten zijn boekje gaan (=meer doen dan toegelaten)
  18. buiten zijn hoefslag gaan (=hij heeft er geen invloed over)
  19. buiten zijn rekening gaan. (=als het anders loopt dan verwacht)
  20. bulken van het geld (=geld in overvloed hebben)
  21. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  22. buurmans leed troost (=door het verdriet of de pijn van een ander kun je je eigen verdriet en pijn beter verdragen)
  23. captie maken (=bezwaren/aanmerkingen maken)
  24. chapeau bas spelen (=onderdanig zijn)
  25. commandeer je hond en blaf zelf (=dat bevel weiger ik uit te voeren)
  26. conditio sine qua non (=een onvermijdelijke voorwaarde) (Latijn)
  27. contra rationem (=strijdig met de rede) (Latijn)
  28. cum annexis (=met bijbehoren) (Latijn)
  29. cum grano salis (=met een korreltje zout) (Latijn)
  30. cum laude (=met eer) (Latijn)
  31. daar ben ik mooi klaar mee (=nu heb ik een probleem)
  32. daar geboren en getogen (=daar geboren en opgegroeid)
  33. daar geeft de lommerd geen geld op (=daar heb ik niets aan - dat geloof ik niet)
  34. daar groeit het gras in de straten (=daar is het erg saai)
  35. daar hangt de po uit (=het is niet zoals het zou moeten zijn)
  36. daar hangt de schaar uit (=men is daar niet te vertrouwen)
  37. daar hangt het mes uit (=men durft daar een grote uitdaging aan te gaan)
  38. daar heb je het gedonder in de glazen (=daar begint de miserie)
  39. daar helpt geen lievemoederen/moedertje lief aan (=niets helpt, ook vriendelijke woorden niet)
  40. daar is een haartje in de boter (=daar is ruzie of wrijving)
  41. daar is geen oogje vet meer op (=dat is niet veel meer waard)
  42. daar is geen woord Frans/Latijn/Chinees bij (=iedereen kan dat begrijpen)
  43. daar is kop noch staart aan te vinden (=daar geraak je niet uit wijs)
  44. daar is vlees in de kuip (=daar is het goed)
  45. daar is wat aan te kluiven (=daar is werk aan)
  46. daar is wel wachten maar geen vasten naar (=dat zal niet gauw gebeuren)
  47. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke woorden leven)
  48. daar kan je gif op innemen (=je mag er zeker van zijn dat het gaat gebeuren)
  49. daar kan niets van inkomen (=dat zal niet lukken)
  50. daar komt de zwarte kat in (=daar komt ruzie van)

4419 betekenissen bevatten `à`

  1. in een goed blaadje staan (=bijzonder gewaardeerd worden)
  2. van luie Kees (=bijzonder traag)
  3. als Hollands welvaren (=blakend van gezondheid)
  4. wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=blijf altijd aandachtig en geconcentreerd)
  5. blijf uit zijn kielwater of je raakt in zijn zog (=blijf uit zijn buurt, want je wordt er slechter van)
  6. doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. (=blijf vooral normaal doen)
  7. vasthouden aan een strootje (=blijven hopen op een kleine kans.)
  8. je kop erbij houden (=blijven opletten, aandacht vasthouden)
  9. op de been blijven (=blijven staan; niet ziek worden; niet verslagen worden)
  10. de ogen verblinden (=blind maken voor de waarheid)
  11. zo rood worden als een kalkoense haan (=bloedrood worden (van schaamte))
  12. de paternosters aandoen (=boeien aandoen)
  13. de manchetten aandoen (=boeien aandoen)
  14. wanneer de boeren niet meer klagen, nadert het einde der dagen (=boeren klagen altijd)
  15. in februari klagen de boeren het minst. (=boeren klagen altijd maar februari heeft de minste dagen om in te klagen (grapje))
  16. men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=boerenregel. Aardappelen komen pas in mei uit)
  17. de aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  18. met opgestoken/opgestreken/opgezet zeil naar iemand toe gaan (=boos naar iemand toe gaan of boos bij iemand binnen komen)
  19. op je poot spelen (=boos uitvallen)
  20. je eer verpanden (=borg staan op zijn erewoord)
  21. groot bal op kleine aardappelen (=boven zijn stand leven)
  22. door de wol geverfd zijn (=brutaal , schaamteloos zijn)
  23. een grote mond hebben/opzetten (=brutaal zijn)
  24. kinderen die vragen worden overgeslagen (=brutale kinderen die altijd overal om vragen, worden genegeerd)
  25. zin noch wit hebben (=buiten jezelf zijn van woede)
  26. uit je dak gaan (=buiten zinnen raken)
  27. onder de mensen komen (=buitengaan , mensen ontmoeten)
  28. als een olifant in de porseleinkast (=buitengewoon onvoorzichtig of tactloos)
  29. een lijntje trekken (=cocaïne snuiven)
  30. ze waren fout (=collaborateurs en fascisten gedurende de Tweede Wereldoorlog)
  31. een daad stellen. (=concrete aktie ondernemen)
  32. van de behoudende leer zijn (=conservatief zijn)
  33. steen en been klagen (=constant en hevig klagen. (klagen bij alles wat heilig is, bv. botten (=been) in een graf (=steen)))
  34. voeling hebben (=contact hebben)
  35. voeling houden met (=contact houden met)
  36. per cassa (=contant)
  37. klinkende munt (=contant geld)
  38. tussen de mazen (van het net) vissen (=creatief te werk gaan)
  39. zoden aan de dijk zetten (=daadwerkelijk hulp verschaffen)
  40. daar heb je het gedonder in de glazen (=daar begint de miserie)
  41. dat gaat mijn pet te boven (=daar begrijp ik niets van)
  42. daar geboren en getogen (=daar geboren en opgegroeid)
  43. daar is kop noch staart aan te vinden (=daar geraak je niet uit wijs)
  44. daar geeft de lommerd geen geld op (=daar heb ik niets aan - dat geloof ik niet)
  45. dat kan het paard niet trekken. (=daar heb ik onvoldoende geld voor)
  46. het is daar armoe troef (=daar heerst grote armoede)
  47. daar groeit het gras in de straten (=daar is het erg saai)
  48. daar is vlees in de kuip (=daar is het goed)
  49. visnamig (=daar is het goed vissen, er zit daar veel vis)
  50. daar zijn de daken met vlaaien bedekt (=daar is men rijk / Daar heeft men overvloed)

50 dialectgezegden bevatten `à`

  1. Gif mij ies a jeyken (=Aai me eens) (Hams)
  2. go nor a kasjemat (=kruip in je bed) (Ninoofs)
  3. Goa et woater in a kelder zeker (=Uw broek is te kort) (Bornems)
  4. goa noar uis, a moeder ee viskes gebakkn (=maak dat je wegkomt) (Kaprijks)
  5. god zegent en bewoeërt a (=avondkruisje (katholiek) op voorhoofd kinderen) (Meers)
  6. god zegent'a en god bewoërt a (=avondzegening: voor het slapengaan wordt er een kruisje op het voorhoofd getekend, met de woorden `god zegene je en god beware je`) (Meers)
  7. Goje me a ellebogen no pakk'n (=Daar moet je niet aan denken, op hopen) (Liedekerks)
  8. Haaft a tanne jom! (=Hou uw mond!) (Herentals)
  9. Haat a bakkes (=Stilte aub) (Mols)
  10. hae is ram vanne kaart (=hij is volledig van zijn à propos) (Heitsers)
  11. hai kin gain a veur n b (=hij heeft niet veel geleerd) (Oldambsters)
  12. hawt a bakkes (=hou uwe mond) (Turnhouts)
  13. He-j is net zoeveul kerks a unnen hoond klippels (=Hij moet net zo min iets van de kerk hebben als een hond van een stok) (Zurriks)
  14. hedder dost, gat dan no bost, do es a hunke en da pist vor niks in oer munke (=als je dorst hebt, ga dan naar Bost, daar is een hondje en dat plat gratis in je mondje) (Neerlinters)
  15. hef a dikke borst (=hij is dronken) (Meppels)
  16. hinne noahln voe a zin hat te klauwn (=Niks hebben of bezitten) (Izegems)
  17. hoeëger skoëtn as da a gat staut (=boven zijn stand leven) (Liedekerks)
  18. Ich goan mich a bietje doalkappe (=Ik ga een beetje rusten) (Walshoutems)
  19. ie a betre ip de stove geschoten (=hij had beter geen kinderen gehad) (Harelbeeks)
  20. ie ei a vee t zwarte snie-ew e zien (=ellende) (Zeeuws)
  21. ie ei een kloksie oe-aarn luun me weet nie wir a de klepel angt (=hij weet het niet goed) (Zeeuws)
  22. ie eit tut zo druk a s un roekel mie ie--en vleeke (=druk) (Zeeuws)
  23. ie is mie un rot stroe a tje te trokkn (=onstandvastig persoon) (Zeeuws)
  24. ie is noh a houw an e brand (=iemand die vlug boos is) (Zeeuws)
  25. ie kan se noh a van stal langen (=iemand die stevig vloekt) (Zeeuws)
  26. ie ligt a tn bost (=liegen) (Zeeuws)
  27. ie miktut noh a van eiers (=bont maken) (Zeeuws)
  28. ie riep a ai -je voe atn klappen ekrehen a (=slaag) (Zeeuws)
  29. ie verjer a ni nie mi (=hoe oud?) (Zeeuws)
  30. iënn dadoun a biën angt (=Iemand waar je niet vanaf geraakt) (Moorsel)
  31. iet in a bajses sspelen (=iets opeten) (Liedekerks)
  32. iet krijn viuër a klokke (=iets krijgen voor uw Pasen) (Kaprijks)
  33. iet: 't Es atijd iet mé a (='t Is altijd wat met jou) (Lebbeeks)
  34. ij ès a zu vies as ui verk'n (=hij is heel slecht gezind) (Brakels)
  35. Ij is met vis bakk'n de panne uut a sprung'n (=Hij is een bijzondere man) (Hattems)
  36. ijt: 't Zal a 'n ijt schill'n (=Het zal je heel wat schelen) (Lebbeeks)
  37. ik em, gau etj, a eet, wèr emmen, gèr etj, zèir emmen (=vervoeging werkwoord hebben) (Meers)
  38. Ik geef een mot oep a bakkes (=Ik geef een slag op uw gezicht) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  39. Ik gon a een plak op a bakkes geven (=Ik ga je slaan) (Liedekerks)
  40. ik gon a isj ne poater schiljer' n (=ik zal u liggen hebben) (Aalsters)
  41. ik gona a is eet vertelle (=ik ga je eens iets vertellen) (dilbeeks)
  42. ik kan a nie tuisbringen (=ik herken u niet) (Meers)
  43. Ik za neke ne stiën uin a gat benjn! (=Jij bent altijd weg) (Teralfens)
  44. ik zal vee a es e woetteke pakke en in ne boeëm joge (=ik zal voor u eens een klein geitje (bokje) vangen en in een boom jagen. Een uitdrukking (bedankinkje) om iemand (vooral kinderen) af te schepen nadat ze een werkje hebben opgeknapt) (Holsbeeks)
  45. ik zien a gieër'n (=ik hou van jou, ik zie je graag) (Meers)
  46. iksken: Op a ikske' zitt'n (=Gehurkt zitten) (Lebbeeks)
  47. in a bleut gat leupen (=naaktlopen) (Ninoofs)
  48. in a botten slougen (=opeten) (Moorsel)
  49. in a broek schijten en alleloelia zingen (=luidop dromen) (Erps)
  50. in a gat gebeedn zijn (=verontwaardigd zijn) (Kaprijks)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen