Spreekwoorden met `mo`

Zoek


285 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `mo`

  1. morgen des levens (=de jeugd)
  2. morgen gaat het beter (=als het vandaag niet zo best is gegaan...)
  3. morgen komt er weer een dag (=niet zo haastig, morgen kan het ook nog)
  4. morgenrood, regen in de sloot (=weerspreuk: rood opkomende zon betekent vaak regen)
  5. mossel noch vis (=noch het een noch het ander - goed noch slecht)
  6. mosterd na de maaltijd (=een oplossing die te laat komt)
  7. naar iets mogen kijken (=van iets moeten afblijven)
  8. niet in de wieg gesmoord (=niet van bij de opkomst vernietigd - al oud)
  9. niet op zijn mondje gevallen zijn (=precies duidelijk maken hoe iemand over iets denkt)
  10. nu komt de aap uit de mouw (=nu blijkt wat werkelijk de bedoeling was)
  11. om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren (=pas als men iets ernstig meemaakt, weet men op wie men kan vertrouwen)
  12. onder het Caudijnse juk moeten doorgaan (=vernederd worden)
  13. onder het juk moeten doorgaan (=zich aan andermans macht moeten onderwerpen)
  14. ook tussen de mooie bloemen groeien brandnetels (=de schoonheid van de omgeving biedt geen garantie voor onaangename zaken)
  15. ook van de mosterd eten (=veel geld aan iets verliezen)
  16. op een oude fiets moet je het leren (=lesmateriaal is zelden nieuw)
  17. oude bomen moet men niet verplanten (=oude mensen doet men liever niet verhuizen)
  18. piae memoriae (=ter zalige nagedachtenis) (Latijn)
  19. pijn in de portemonee hebben (=het geld is op)
  20. roep geen mosselen voordat ze aan de wal zijn (=verkoop de huid niet voordat de beer geschoten is)
  21. slapen als een marmot/otter/roos (=erg vast en heerlijk slapen)
  22. stel niet uit tot morgen wat je vandaag nog kunt doen. (=wacht niet, morgen kan te laat zijn)
  23. tegemoet zien (=kunnen verwachten)
  24. tegen windmolens vechten (=tegen irreëele gevaren/zaken vechten)
  25. tot moes slaan (=iets helemaal kapot slaan)
  26. tussen lepel en mond valt veel pap op de grond (=problemen komen vaak pas op het laatst)
  27. uit het moeras helpen (=uit de problemen helpen)
  28. van een mooi bord kun je niet eten (=aan uiterlijk alleen heb je niets)
  29. van een mooie / knappe tafel kun je niet eten. / Van een mooi bord kun je niet eten. (=knap van uiterlijk heeft ook wel eens nadelen.)
  30. van zijn hart geen moordkuil maken (=zijn gevoelens niet opkroppen / vrijuit zeggen wat je niet bevalt / eerlijk zeggen over hoe er over iets gedacht wordt)
  31. veel koeien, veel moeien. (=hoe meer bezittingen hoe meer zorgen)
  32. vis moet (wil) zwemmen (=bij een goede maaltijd hoort een goed glas wijn (bier))
  33. voor de rode deur moeten gaan (=voor het gerecht komen)
  34. voor iets moeten bloeden (=de gevolgen moeten dragen)
  35. voorbij de schout zijn deur mogen dragen (=wel gezien mogen worden)
  36. voorzichtigheid is de moeder der wijsheid (=doe het voorzichtig, dan komt er geen schade)
  37. voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast (=door voorzichtig te zijn, gaan tere zaken langer mee)
  38. waar er twee ruilen moet er een huilen (=bij het ruilen is de een altijd beter af dan de ander)
  39. waar het hart vol van is, loopt/vloeit/stroomt de mond van over (=waar men heel erg mee bezig is, daar wil men over praten)
  40. waar het paard aangebonden is moet het vreten (=men moet zich naar de omstandigheden schikken)
  41. waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
  42. wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
  43. wat heb je aan een mooi bord als het leeg is? (=lichamelijke behoeften gaan voor zintuiglijke)
  44. wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen (=wat het belangrijkste is moet het eerste gebeuren)
  45. wel een kwastje mogen hebben (=wel eens geverfd mogen worden)
  46. werken als een molenpaard (=hard werken)
  47. weten waar Abraham de mosterd haalt (=weten hoe iets in zijn werk gaat; dingen goed snappen)
  48. wie `s nachts gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=wie te veel heeft gedronken is de volgende dag niets waard)
  49. wie a zegt moet ook b zeggen (=als je eenmaal ergens aan begonnen bent, moet je het ook afmaken)
  50. wie boter op zijn hoofd heeft moet niet in de zon lopen (=wie schuldig is houdt zich best gedeisd)

487 betekenissen bevatten `mo`

  1. hoe komt het kalf bij zijn maat (=hoe wonderlijk men elkaar kan ontmoeten)
  2. hoe hoger het hart, hoe lager de ziel (uit het Fries) (=hoogmoed is het kenmerk van een dwaas)
  3. de dood kent geen lieve kinderen (=ieder moet sterven)
  4. ieder moet zijn eigen stoep schoonvegen (=ieder moet zijn eigen problemen oplossen - zich afvragen of hij zelf schuldig is)
  5. ieder moet zijn eigen kruis dragen (=ieder moet zijn eigen tegenslagen verwerken)
  6. iedere heilige komt zijn kaarsje toe (=iedere medewerker moet delen in de eer)
  7. zoveel hoofden, zoveel zinnen (=iedereen heeft een eigen mening waarbij men moeilijk samen tot een oplossing kan komen)
  8. de drie h s meegeven (=iemand (zo mogelijk definitief) wegsturen)
  9. door de neus boren (=iemand anders iets de mogelijkheid ontnemen)
  10. het gelijk van de vismarkt hebben (=iemand die (altijd) probeert men een grote mond zijn gelijk te krijgen)
  11. iemand de genadeslag geven (=iemand die al in grote moeilijkheden zit nog een probleem erbij geven zodat diegene het niet meer aan kan)
  12. ere wie ere toekomt (=iemand die de eer verdient moet die ook krijgen)
  13. een stille in den lande zijn (=iemand die erg stil en ingetogen is of iemand die zich bijna nooit ergens mee bemoeit)
  14. hoogmoed komt voor de val (=iemand die erg trots is of hoogmoedig, krijgt gauw de bijbehorende ellende)
  15. wie aan de weg timmert heeft veel bekijks (=iemand die grote beslissingen moet nemen, krijgt vaak ook veel kritiek)
  16. wie het grootste hoofd heeft, moet de grootste hoed hebben (=iemand die het recht heeft op het grootste deel, moet dat ook krijgen)
  17. de dorsende os zult gij niet muilbanden (=iemand die voor je werkt moet je goed behandelen)
  18. een gewaarschuwd mens telt voor twee (=iemand die vooraf weet wat er fout kan gaan moet zich er maar op voorbereiden)
  19. iemand op de pijnbank leggen (=iemand het moeilijk maken en daarmee dwingen iets te doen)
  20. iemand het brood uit de mond nemen/stoten (=iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunnen voorzien)
  21. het iemand warm maken (=iemand in moeilijkheden brengen)
  22. iemand een hart onder de gordel/riem steken (=iemand moed inspreken)
  23. iemands bloed wel kunnen drinken (=iemand niet mogen en daardoor alles doen om die persoon te hinderen)
  24. leven en laten leven (=iemand of iets z`n gang laten gaan en niet mee bemoeien)
  25. iemand uitmaken voor rotte vis (=iemand uitschelden voor alles wat mooi en lelijk is)
  26. iemand een kopje kleiner maken (=iemand vermoorden)
  27. iemand het gat van de deur wijzen (=iemand zeggen dat die het pand moet verlaten of iemand wegsturen)
  28. zo de wind waait, waait zijn jasje (=iemand zonder principes, die zonder eigen mening anderen naar de mond praat)
  29. iemands voetveeg zijn (=iemands slaaf zijn (zich alles moeten laten welgevallen))
  30. de stoute schoenen aantrekken (=iets doen wat moed vergt. (`stout` in de oude betekenis van `dapper`))
  31. op rotsen ploegen (=iets doen wat tevergeefse moeite is)
  32. zwaar op de maag liggen (=iets een moeilijk probleem vinden)
  33. iets op zijn beloop laten (=iets gewoon maar verder laten gaan zonder dat je je ermee bemoeit, zonder dat je ingrijpt)
  34. haken en ogen geven (=iets heeft veel moeilijkheden)
  35. een hard gelag zijn (=iets is moeilijk te dragen)
  36. menen ligt dicht bij Kortrijk (maar verre van Waregem) (=iets menen is niet genoeg; je moet er zeker van zijn.)
  37. iemand koeien met gouden horens beloven (=iets moois beloven maar niet nakomen)
  38. tegen de maan pissen (=iets onmogelijks proberen)
  39. een speld in de hooiberg zoeken (=iets onmogelijks proberen)
  40. een snoek op zolder zoeken (=iets onmogelijks zoeken, vergeefse moeite doen)
  41. iets achter de hand hebben (=iets ter beschikking hebben voor wanneer het nodig mocht zijn (bv nood))
  42. de voet dwars zetten (=iets verhinderen of bemoeilijken)
  43. iets in de schoot geworpen krijgen (=iets verkrijgen zonder al te veel moeite er voor te doen)
  44. de pil vergulden (=iets vervelends op zo vriendelijk mogelijke manier zeggen)
  45. er naar uitkijken als de pastoor naar het geld in het kerkenzakje (=iets vol verwachting tegemoet zien)
  46. er als een berg tegen opzien (=iets voor zichzelf beschouwen als een zeer moeilijke, of onplezierige, taak of omstandigheid)
  47. een zware bevalling. (=iets waar je hard voor moet werken)
  48. het zwaard van Damocles (=iets wat snel of ieder moment kan gebeuren)
  49. in zwang komen / raken (=iets wordt een modeverschijnsel)
  50. dat zal hem niet glad zitten (=iets zal niet meevallen en moeilijk zijn)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen