Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


33 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kind`

  1. als het kind maar een naam heeft (=passend of niet, je moet het kunnen noemen (een naam geven))
  2. Bakkerskinderen eten oud brood. (=Aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  3. de dood kent geen lieve kinderen (=ieder moet sterven)
  4. een dood kind met een lam handje (=iets dat totaal waardeloos is)
  5. een doodgeboren kindje (=waardeloos, zonder toekomst)
  6. een kind kan de was doen (=het gaat heel makkelijk)
  7. een kind van Laban (=iemand met een blanke huid)
  8. een kind van zijn tijd (=iemand die leeft volgens de in zijn tijd heersende opvattingen)
  9. een kinderhand is gauw gevuld (=met een kleinigheid tevreden zijn)
  10. een ondergeschoven kindje zijn (=iets of iemand is miskend. Zie bedstede voor de letterlijke betekenis)
  11. een zondagskind (=iemand die steeds geluk heeft)
  12. eerst oompje en dan oompjes kinderen (=eerst ik, daarna de anderen)
  13. er geen kind aan hebben (=er geen last mee hebben)
  14. ergens als kind in huis zijn (=ergens bekend of goed behandeld worden)
  15. ergens kind aan huis zijn (=ergens graag en vaak gezien zijn)
  16. Geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn. (=Behandel kinderen niet als grote mensen)
  17. het kind bij de naam noemen (=eerlijk voor de mening uitkomen)
  18. het kind met het badwater weggooien (=samen met het slechte ook het goede wegdoen)
  19. het kind moet (toch) een naam hebben (=passend of niet, je moet het kunnen noemen)
  20. het kind van de rekening (=degene die schade lijdt, terwijl anderen niets hebben)
  21. het zal je kind maar wezen (=je zal er maar voor op moeten draaien)
  22. kind noch kraai hebben (=geen nazaten of andere familieleden hebben, alleen rekening moeten houden met zichzelf)
  23. kinderen die vragen worden overgeslagen (=brutale kinderen die altijd overal om vragen, worden genegeerd)
  24. kinderen die zwijgen zullen ook nooit wat krijgen (=aanvulling op `Kinderen die vragen worden overgeslagen.`)
  25. kinderen en dronkaards spreken de waarheid (=ze zeggen wat ze vinden, ze zijn ongeremd)
  26. kinderen zijn een zegen des heren maar zij houden de noppen van de kleren (=kinderen opvoeden kost veel geld)
  27. mal moertje mal kindje (=als de moeder te veel toegeeft zal het kind niet deugen)
  28. men kan zijn kinders wel minnen maar niet zinnen (=je kan je kinderen graag zien, maar ze hebben een eigen aard)
  29. moeten is dwang en huilen is kindergezang (=ik wil het wel doen, maar niet als het me verplicht wordt)
  30. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
  31. van kindsbeen af (=van jongsaf aan)
  32. zijn kinderen in het wild laten opgroeien (=zijn kinderen geen (of een slechte) opvoeding geven)
  33. zo onschuldig als een pasgeboren kind (=zeer onschuldig)

26 betekenissen bevatten `kind`

  1. Aan de veren kent men de vogel (=1: Aan iemands uiterlijk (verzorging / kleding) kan men zijn karakter afleiden. 2: kinderen lijken vaak op hun ouders)
  2. kinderen die zwijgen zullen ook nooit wat krijgen (=aanvulling op `kinderen die vragen worden overgeslagen.`)
  3. de bastaard van de graaf wordt later bisschop (=alleen hoge heren kunnen hun buitenechtelijke kinderen een toekomst bieden)
  4. mal moertje mal kindje (=als de moeder te veel toegeeft zal het kind niet deugen)
  5. Geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn. (=Behandel kinderen niet als grote mensen)
  6. kinderen die vragen worden overgeslagen (=brutale kinderen die altijd overal om vragen, worden genegeerd)
  7. de jongste schepen wijst het vonnis (=de kinderen willen het het best weten)
  8. Zodra het hek van de dam is lopen de varkens in het koren (=Een ramp komt voort uit roekeloosheid / Als er geen toezicht is springen kinderen of ondergeschikten uit de band)
  9. te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken (=geen kind meer, maar nog te jong voor volwassen zaken)
  10. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
  11. zijn eigen luizen bijten hem (=hij wordt gekweld door zijn eigen kinderen)
  12. iemands oogappel/ooilam zijn (=iemands lieveling zijn (vaak kind))
  13. een tien met een griffel en een zoen van de juffrouw (=in de volksmond: De beste beloning voor een 19e eeuws schoolkind)
  14. men kan zijn kinders wel minnen maar niet zinnen (=je kan je kinderen graag zien, maar ze hebben een eigen aard)
  15. Kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  16. jantje lacht en jantje huilt (=kind dat vaak huilt maar direct ook weer lacht)
  17. zo vader, zo zoon (of: Zo moeder, zo dochter) (=kinderen erven de eigenschappen van hun ouders)
  18. jong bier moet gisten (=kinderen hebben recht op plezier)
  19. de appel valt niet ver van de stam/boom (=kinderen lijken vaak op de ouders )
  20. kinderen zijn een zegen des heren maar zij houden de noppen van de kleren (=kinderen opvoeden kost veel geld)
  21. het ei wil wijzer zijn dan de kip (=kinderen willen wijzer zijn dan de ouders)
  22. kleine potjes hebben ook oren (=ook kleine kinderen luisteren mee)
  23. de baard in de keel hebben (=overgang van kinderstem naar volwassen stem)
  24. een garnaal heeft ook een hoofd (=schertsend gezegd van een kind dat koppig aan zijn mening vasthoudt)
  25. zijn eigen vlees of bloed (=zijn eigen familie (kinderen))
  26. zijn kinderen in het wild laten opgroeien (=zijn kinderen geen (of een slechte) opvoeding geven)

Het dialectenwoordenboek kent 204 spreekwoorden met `kind`

  1. herenthouts: fontonten (=kinderachtige streken)
  2. Erps: eu vertelchelken vertellen (=iets voorlezen uit een kinderboek)
  3. Sint-Katelijne-Waver: Vruuger hadde de kindere snotneuze, naa hemme de snotneuze kindere (=Vroeger hadden de kinderen snotneuzen,nu hebben de snotneuzen kinderen)
  4. Bilzers: e graut leed èn e klee kaajlke (=veel verdriet bij een kindergraf)
  5. Diesters: e vlooke me dikke benkes (=kinderfietsje met dikke bandjes)
  6. Munsterbilzen - Minsters: blaaj zin mèt en doj dauf (=een kinderhand is gauw gevuld)
  7. Twents: 't leaven is as 'n keenderhèèmd, mest'ntieds te kort (=het leven is als een kinderhemdje, meestal te kort)
  8. Oudenbosch: ij mag nog vor allef geld mee (=hij kan nog mee op een kinderkaartje)
  9. Mestreechs: kinne, kin, kinde, gekind (=kennen, ken, kende, gekend)
  10. Tilburgs: diejen twilling ha òn swirskaante krèk haorindere kaole kènderköpkes (=die tweeling had aan beide zijde precies dezelfde kale kinderhoofdjes)
  11. Mestreechs: un kinder henneke is gaw gevuld (=een kind is snel tevreden)
  12. Zaans: De kindere staan teuge de ouwers op - as de glazewassers teuge de rame (=Die jeugd van tegenwoordig toch.......)
  13. Lommels: jung (=kinderen)
  14. Achels: Veul kinder is veul ier, mer halt de knuup van de klier (=Veel kinderen hebben is eervol maar wel duur)
  15. Drents: Geef een vul gien haver en een kind gien brandewien (=Laat kinderen kind blijven, maak ze niet te wijs)
  16. limburgs: Verwende poet (=Verwend kind)
  17. Theikes: mejong (=mijn kind)
  18. Kaatsheuvels: de kwoi jong (=de kinderen)
  19. Aalters: klène johns (=Kleine kinderen)
  20. Bilzers: aste kénder sjiks, kraai(g)ste kénder taus (=kinderen blijven kinderen)
  21. Lovendegems: een kind kopen (=een kind krijgen*)
  22. Aalsters: Hein? / Wadde? / zeit da nog isj / kinde da nog isj vedrom oeverdoeng/op ernief (=Excuseer, ik heb u niet verstaan, kunt u dat nog eens herhalen?)
  23. Gronings: Lutje boxem schieter (=Klein kind)
  24. Waarschoots: tsiepmuile (=kind dat huilt)
  25. Sint-Niklaas: 't gurravot van de kinderen (=het geluid van spelende kinderen)
  26. Liedekerks: stekerverken (=enig kind)
  27. Munsterbilzen - Minsters: bedörve stront (=verwend kind)
  28. Zeeuws: Da's mae 'n schoef kind (=Dat is een is een schuw kind)
  29. Zeeuws: de huust bin noha druuzug (=drukke kinderen)
  30. Prinsenbeek: hoeveul jong hedde gij? (=hoeveel kinderen heb jij?)
  31. Veurns: joeëns en zwiens vroetel'n ollesziens (=kinderen zijn druk)
  32. Bilzers: dekteirke spiële (=lichamelijke ondekkingstocht tussen kinderen)
  33. Waregems: doikske speel'n (=verstoppertje spelen (kinderen))
  34. Bilzers: aste kénder sjiks, kraaj(g)ste kender taus (=kinderen zijn nog altijd kinderen)
  35. Lokers: As de kinderen kleinen zijn terten z' op ou tienen, as ze gruêt zijn op ou erte (=Kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen)
  36. Bilzers: e kringsel van e joenk (='n ambetant kind)
  37. Evergems: ha zoan rufte (=gezond spelend kind)
  38. Munsterbilzen - Minsters: ne wille knijn (=een overdreven actief kind)
  39. Brugs: u vuuf frang kiend (=een vijf frank kind)
  40. Waarschoots: peetsen schirretand (=kind die een melktand mist)
  41. Westerkwartiers: wat 'n stoens kiend (=wat een nors kind)
  42. Sint-Niklaas: wa ne bedorve stront (=wat een verwend kind)
  43. Kortemarks: tis nen apsjar (=het is een doendig kind)
  44. Bilzers: kleen pétsjes hebbe graute aure (=kinderen luisteren mee)
  45. Kortenbergs: aa pette emme (=een woedeaanval bij kleine kinderen)
  46. kortemarks: zeen tweere in eulder gat (=de kinderen spelen luidruchtig)
  47. Ouddorps: `t is mar un maeger plimpie. (=(opmerking) Een mager kind)
  48. Zeeuws: di zun ze poes an kriehen (=bijdehand kind)
  49. Westerkwartiers: da's 'n hand'nbiendertje (=dat kind vraagt veel aandacht)
  50. Amsterdams: apegatje (=koosnaam voor geliefd kind)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen