Spreekwoorden met `NEN`

Zoek


286 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `NEN`

  1. iets in goede baNEN leiden (=ervoor zorgen dat iets goed verloopt)
  2. iets in zijn holle kies kunNEN stoppen (=gezegd van eten : het is de moeite niet, het is te weinig)
  3. iets met de moedermelk binNENkrijgen (=iets leren in de eerste levensjaren)
  4. iets niet kunNEN gebeteren (=iets niet kunnen verhelpen)
  5. iets niet met droge ogen kunNEN aanzien (=letterlijk: gaan huilen/tranen bij het zien gebeuren van iets)
  6. iets niet met zijn geweten overeen kunNEN brengen (=iets niet kunnen doen omdat men het niet goed vindt)
  7. iets niet over zijn hart kunNEN krijgen (=ergens niet toe kunnen komen of ergens op gesteld zijn)
  8. iets op je buik kunNEN schrijven (=iets wel kunnen vergeten, dat wat je wilde gaat niet door)
  9. iets op je vingers kunNEN natellen (=iets erg gemakkelijk kunnen nagaan/checken)
  10. iets op zijn sloffen aankunNEN (=iets heel gemakkelijk kunnen uitvoeren)
  11. iets verdonkeremaNEN (=stelen)
  12. ijdele tonNEN rollen het hardst. (=de minst competente persoon is vaak ook de luidste)
  13. in de boNEN zijn (=verward zijn)
  14. in de gordijNEN klimmen (=boos worden)
  15. in de haNENbalken (=zeer hoog , op zolder)
  16. in de ogen schijNEN/steken (=hinderlijk zijn, ergeren)
  17. in de schoeNEN schuiven (=(vaak onterecht) beschuldigen)
  18. in een glazen huis woNEN (=iets op zijn kerfstok hebben / geen privéleven hebben)
  19. in grove lijNEN (=met vooral aandacht voor de hoofdzaken)
  20. in het gareel spanNEN (=aan het werk zetten)
  21. in iemands schoeNEN staan (=het lot van iemand anders ondergaan)
  22. in kanNEN en kruiken zijn (=alles is geregeld)
  23. in nood leert men zijn vrienden kenNEN (=wanneer men in de problemen zit wordt duidelijk welke vrienden daadwerkelijk iets voor je willen betekenen)
  24. in zijn laatste schoeNEN lopen (=het einde naderen - erg ziek zijn)
  25. je botten kunNEN tellen (=erg mager zijn)
  26. je draai niet kunNEN vinden (=ergens niet kunnen aarden)
  27. je ei kwijt kunNEN (=de gelegenheid hebben zich te uiten; of, zijn creativiteit kunnen gebruiken)
  28. je eindje wel kunNEN halen (=genoeg (geld) hebben tot aan zijn dood)
  29. je gram niet kunNEN halen (=machteloos woedend zijn)
  30. je hemel op aarde verdieNEN (=een goed en eerlijk leven leiden)
  31. je iets laten aanleuNEN (=je iets laten welgevallen)
  32. je laten kenNEN (=het (al te vroeg) opgeven)
  33. je licht ergens op laten schijNEN (=iets duidelijk maken)
  34. je lol wel opkunNEN (=er niet mee kunnen lachen)
  35. je maag wel aan de kapstok kunNEN hangen. (=in moeilijke financiële omstandigheden verkeren waardoor men weinig eten kan kopen.)
  36. je mannetje kunNEN staan (=zich goed kunnen verdedigen)
  37. je moet de snaren niet te sterk spanNEN (=je moet niet al te streng zijn, niet al te veel eisen)
  38. je niet laten kenNEN (=het niet te vlug opgeven)
  39. je pappenheimers kenNEN (=weten met wie men te maken heeft)
  40. je plezier niet opkunNEN (=er veel plezier aan beleven)
  41. je schip is binNEN (=hij heeft zijn fortuin gemaakt)
  42. je sporen verdieNEN (=respect krijgen door goed werk te verrichten)
  43. je wel voor de kop kunNEN slaan (=kwaad zijn op jezelf over het feit dat men ergens niet aan gedacht heeft)
  44. ketters woNEN het dichtst bij de paus (=de beste vrienden van een machtig man zijn vaak zijn grootste vijanden)
  45. kleur bekenNEN (=voor zijn standpunt uit moeten komen)
  46. kroes haar kroeze zinNEN (=iemand met gekruld haar is wispelturig)
  47. krokodillentraNEN huilen (=verdriet veinzen)
  48. kunNEN behappen (=kunnen begrijpen)
  49. kunNEN lezen en schrijven (=al lange tijd goede diensten bewezen hebben)
  50. kunNEN maken en breken (=er veel macht over hebben)

386 betekenissen bevatten `NEN`

  1. trekken aan een dood paard. (=het is een onbegonNEN zaak)
  2. het is trekken aan een dood paard (=het is een onbegonNEN zaak)
  3. het mag geen naam hebben (=het is onbetekeNENd (bijvoorbeeld een verwonding))
  4. het vet is van de ketel. (=het meeste voordeel is al verdweNEN.)
  5. struisvogelpolitiek (=het negeren of ontkenNEN van een probleem in de hoop dat het vanzelf verdwijnt.)
  6. er niet bij kunnen (=het niet kunNEN begrijpen)
  7. er met de pet niet bij kunnen (=het niet willen/kunNEN snappen)
  8. niet kunnen heksen (=het niet zo snel afkunNEN - er meer tijd voor nodig hebben)
  9. de duivel schijt altijd op de grootste hoop (=het ongeluk treft meestal degeNEN die al in moeilijkheden verkeren.)
  10. de kaap te boven zijn (=het probleem overwonNEN hebben)
  11. de wijde wereld intrekken (=het verkenNEN van nieuwe plaatsen, ervaringen en mogelijkheden buiten het vertrouwde)
  12. niet thuis geven (=het verwachtingspatroon niet kunNEN nakomen)
  13. mans genoeg zijn (=het wel alleen afkunNEN)
  14. er kunnen inkomen (=het wel kunNEN begrijpen)
  15. wel thuis kunnen blijven (=het wel kunNEN vergeten)
  16. het wel kunnen schudden (=het wel kunNEN vergeten)
  17. het lot valt altijd op Jonas. (=het zijn altijd dezelfde persoNEN die onheil meemaken.)
  18. hoe een dubbeltje rollen kan (=hoe iets een onverwacht verloop kan kenNEN)
  19. hij zeit wat (=hoNENd gezegd van iemand die iets stoms zegt)
  20. grote vissen scheuren het net (=hooggeplaatste persoNEN worden niet zo gemakkelijk gestraft)
  21. voor de deur staan (=ieder ogenblik kunNEN beginNEN, komen)
  22. iemand het licht in de ogen niet gunnen (=iemand absoluut niet kunNEN verdragen)
  23. een zak zout met iemand gegeten hebben (=iemand al lang kenNEN)
  24. iemand in de arm nemen (=iemand de hulp vragen om te ondersteuNEN)
  25. iemand een pen op de neus zetten (=iemand dreigend vermaNEN)
  26. in zijn zak hebben (=iemand goed kenNEN, iets helemaal begrijpen, iets voor elkaar hebben)
  27. het op iemand begrepen hebben (=iemand goed kunNEN verdragen / iemand is altijd de pineut)
  28. iemand te paard helpen. (=iemand helpen, steuNEN)
  29. iemand het brood uit de mond nemen/stoten (=iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunNEN voorzien)
  30. iemand de brokken in de mond tellen (=iemand iets helemaal niet gunNEN)
  31. iemand bijspijkeren (=iemand met geld of kennis ondersteuNEN)
  32. het niet op iemand hebben (=iemand niet goed kunNEN verdragen)
  33. liever iemand zijn hielen zien dan zijn tenen (=iemand niet goed kunNEN verdragen)
  34. iets tegen iemand hebben (=iemand niet goed kunNEN verdragen)
  35. je handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steuNEN)
  36. de handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steuNEN)
  37. iemand of iets de baas zijn (=iemand of iets kunNEN overmeesteren)
  38. iemand een warm hart toedragen (=iemand steuNEN)
  39. op de proppen helpen (=iemand steuNEN en verder helpen)
  40. vat op iemand krijgen (=iemand van iets kunNEN overtuigen)
  41. een lange arm hebben (=iemand zelfs vanaf een grote afstand nog dwars kunNEN zitten)
  42. iemand van haver tot gort kennen (=iemands persoonlijkheid helemaal kenNEN)
  43. met zijn pink manoeuvreren (=iets als de beste kunNEN)
  44. iets op je vingers kunnen natellen (=iets erg gemakkelijk kunNEN nagaan/checken)
  45. een Tantaluskwelling zijn (=iets erg graag willen maar het (net) niet kunNEN verkrijgen)
  46. je met de borst op iets toeleggen (=iets erg vlijtig beoefeNEN)
  47. te/van pas komen (=iets goed kunNEN gebruiken)
  48. er slag van hebben (=iets handig kunNEN doen)
  49. iets op zijn sloffen aankunnen (=iets heel gemakkelijk kunNEN uitvoeren)
  50. buiten iets kunnen. (=iets kunNEN missen)

50 dialectgezegden bevatten `NEN`

  1. de moes NEN aaën aop geen maule leire trèkke (=dat hoef je me niet diets te maken) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. de moes nën aaên aop geen maule leiteb trèkke (=je moet oudere mensen niet willen leren hoe ze zich moeten gedragen) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. de moes nën echten oêlefant zin, vër zau ne kiëmël te sjiete (=zulke blunder is ondenkbaar) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. de moes NEN hond nie leire biële (=je moet een oude aap geen muilen leren trekken) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. de moes nie van ieder sjiet NEN donderslaog maoke (=je moet niet overdrijven) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. de moesset nau wir nie op NEN aandre gon staeke (=zoek de schuld niet op een ander te steken) (Bilzers)
  7. dè snee klopt lak 't gat van NEN doeë vuigel (=ik voel een kloppende pijn in die wonde (die snede klopt gelijk het gat van een dode vogel) ) (Holsbeeks)
  8. de wieës mér nauts waaj een koe NEN haos vink ! (=wie niet waagt, niet wint) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. de wieës nauts waaj een koe NEN haos vink (=soms valt er een oplossing uit de lucht) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. De wiës naut (s) waaj n koe NEN haos vink (=Niets is onmogelijk) (Bilzers)
  11. de wiës nauts waaj ën koe nën haos vink (=alles is mogelijk) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. de wiës nauts waajen koe NEN haos vink (=dat blijft onberekenbaar) (Bilzers)
  13. dedie zuu uuk nog NEN kier op mijn'n uil meug'n dansen (=dat vind ik een aantrekkelijke vrouw) (Deinzes)
  14. Dee steenkt slimmer dan wat NEN koo drit (=De overheid) (Twents)
  15. dèirem (=g'etj NEN dikke, NEN dinne en NEN blèjnne) (Dendermonds)
  16. den atste taus wor nog èn de fleur van ze laeve waaj ter NEN attak kriëg (=mijn vader was nog kerngezond toen hij een infarct kreeg) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. Den hond hit gebete moe NEN aare (anere) mins batse hit (=Zegt men van een mager persoon) (Stals)
  18. Der is NEN doef oan (=Hij is gestoord) (Antwerps)
  19. der ligt NEN toeter kadijs in de zep (=er ligt een hoorntje ijs in de goot) (Hams)
  20. der NEN drouj oan geeen (=iets verbloemd uitleggen) (Brakels)
  21. deris NEN oek af (=hij is gestoord) (Antwerps)
  22. des NEN appetjoek (=dat is een rare) (Tilburgs)
  23. dich bès mich NEN aajl (=jij bent een uilskuiken) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. die doedalles in 't geniep, 't is ne geniepigoard. da is NEN achterdumsen. (=die doet alles heimelijk, het is een stiekemerd) (Sint-Niklaas)
  25. die ees alle vijf nie, die eé tur mor twee en NEN bezekoek, die is NEN toer te lank op de meulen blijven zitten (=die man is lichtjes mentaal gehandicapt) (Sint-Niklaas)
  26. die is ok tejgen NEN hoek van een ronde tofel gelopen (=iemand die zichtbaar zwanger is) (Ransts)
  27. die is te leluk om vreten te geven mee NEN riek (=dat is geen knappe ...) (Graauws)
  28. Die kan rond NEN boom kijken (=Scheel zien) (Bevers)
  29. Die kik zoe scheil as NEN otter. (=Persoon die erg scheel kijkt) (Bevers)
  30. Dieje zit oep NEN baareg geld. (=Hij is heel rijk.) (Antwerps)
  31. Doa is NEN hoek af (=Er scheelt iets aan zijn / haar bovenkamer) (Beverloos)
  32. doar hot NEN meins (=die is in verwachting) (Geels)
  33. doar kunde NEN boer mee van zèen pèerd sloan (=dat is erg hard (m.n. betreffende voedsel)) (Wichels)
  34. Doar kunde NEN boer mee van zijn peird kloppen (=Dat is heel hard) (Waasmunsters)
  35. doe es NEN oek af (=die heeft ze niet allemaal op een rij) (Overijses)
  36. doë zoste nog NEN heile dikke pit vör konne auttrèkke (=dat kan nog heel wat geld gaan kosten) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. doen waaj NEN avvekoëd wo gêk ès (=van krommenaas gebaren) (Bilzers)
  38. drei man en NEN peirdekop (=weinig volk) (Hansbeeks)
  39. dur bijzitten gelèk NEN uil op ne kluit (=ergens overbodig zijn) (Sint-Niklaas)
  40. dur nor sloagen gelèk NEN blengden nor een ei (=er maar op los raden) (Sint-Niklaas)
  41. è ait NEN broekhoest (=hij laat een scheet) (Denderleeuws)
  42. e èèt d'r NEN oeës geskoten (=hij heeft daar wat uitgespookt) (Meers)
  43. Ê eit er maë vier èn NEN beezekoek. (=Hij heeft ze niet alle vijf.) (Merchtems)
  44. E eit NEN tjester gelek as een betrauf (=Hij heeft een dik hoofd) (Liedekerks)
  45. e gae loëpe'n va zé werk lék NEN ond va zaine stront (=slordig en snel werken) (Londerzeels)
  46. e gezich waaj NEN daudgraovër hëbbe (=een serieus gezicht trekken) (Munsterbilzen - Minsters)
  47. e kaaf kan nog koe wiëne, mér NEN iëzel blif NEN iëzel (=eens dom, altijd dom!) (Munsterbilzen - Minsters)
  48. eedn gelijk NEN dewvere (=grote hoeveelheden verorberen) (Kaprijks)
  49. een pin; ne gierugoard; ' NEN droak (=een gierige man of vrouw) (Sint-Niklaas)
  50. een reactie lijk NEN duu'n ond (=dode hond) (=weinig reactie) (Deinzes)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen