Spreekwoorden met `da`

Zoek


486 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `da`

  1. dat heb ik nog nooit op een klomp horen spelen (=dat is al te gek)
  2. dat horen en zien je vergaat (=erg luid)
  3. dat houdt me op de been (=dat zorgt ervoor dat ik door kan blijven gaan; daardoor houd ik het vol)
  4. dat is algabra voor hem. (=daar snapt hij niets van.)
  5. dat is alleen voor pater en mater en niet voor het hele convent (=dat is voor jou te hoog gegrepen)
  6. dat is andere koek (=dat is heel iets anders)
  7. dat is andere peper (=dat is wat anders, dat is moeilijker)
  8. dat is andere tabak (=dat is wat anders, dat is moeilijker)
  9. dat is andere tabak dan kanaster (=dat is wat anders!)
  10. dat is Beulemans Frans (=dat is slecht Frans spreken. In België zeggen de Vlamingen dat over Waals. Walloniërs op hun beurt vinden Vlaams weer slecht Nederlands)
  11. dat is de aap gevlooid (=dat is onbegonnen werk.)
  12. dat is de druppel die de emmer doet overlopen (=dat is maar een kleine ergernis, maar samen met wat er al gebeurd is, wordt het niet meer geaccepteerd)
  13. dat is de goden verzoeken (=te grote risico`s nemen)
  14. dat is de hamvraag (=de vraag waar het om gaat)
  15. dat is een aalshuid (=dat is van weinig waarde)
  16. dat is een alikruik van een vent. (=dat is een kleine dikke man.)
  17. dat is een bal voor open doel (=dat is een opmerking waar een zeer voor de hand liggend weerwoord op gegeven kan worden)
  18. dat is een brug te ver (=dat is te hoog gegrepen)
  19. dat is een echte haai (=assertief en bijdehand mens)
  20. dat is een eitje (=het is heel eenvoudig)
  21. dat is een haspel in een fles (=dat is een raadsel)
  22. dat is een klontje boter uit zijn pap (=dat kost een flink deel van zijn fortuin)
  23. dat is een kwal (=een uiterst vervelend persoon)
  24. dat is een paal onder water (=dat brengt meer nadeel dan voordeel)
  25. dat is een paard van een daalder. (=dat is een trots mens)
  26. dat is een rijkeluiswens (=iets waar heel erg naar wordt verlangd)
  27. dat is een stuk! (=dat is een aantrekkelijk persoon)
  28. dat is een ver-van-mijn-bedshow (=dat is iets waar ik me helemaal niet mee bezighoud; dat is iets dat op grote afstand van hier gebeurt)
  29. dat is een waarheid als een koe (=dat is overduidelijk waar)
  30. dat is er een uit de arke noachs (=dat is er een uit een groot gezin)
  31. dat is geen geld (=dat is erg goedkoop als je ziet wat je ervoor krijgt)
  32. dat is geen punt. / daar maken we geen punt van (=dat is geen probleem. / Dat is helemaal geen argument)
  33. dat is het begin van het einde (=dat is het begin van iets dat uiteindelijk verkeerd zal aflopen)
  34. dat is het geheim van de mis (=zo zit de zaak in elkaar.)
  35. dat is het geheim van de smid. (=dat specifieke kennis die alleen vakmensen kennen)
  36. dat is het hele eieren eten (=zo zit de zaak in elkaar.)
  37. dat is huilen met de pet op (=bedroevend resultaat)
  38. dat is iemand met een gebruiksaanwijzing (=dat is iemand waarvan je weet hoe je met diegene om moet gaan)
  39. dat is kaviaar voor hen (=dat is onbereikbaar voor hen)
  40. dat is koren op zijn molen (=hij zal dat meteen gebruiken als argument voor wat hij toch al wilde)
  41. dat is lariekoek (=dat heeft iemand verzonnen)
  42. dat is Latijn voor mij (=dat begrijp ik niet)
  43. dat is makkelijker gezegd dan gedaan (=het valt in de praktijk nog niet mee)
  44. dat is mij tegen de boeg. (=dat is tegen mijn zin)
  45. dat is naatje/pet (=dat is waardeloos)
  46. dat is nog geen haaienvin waard (=waardeloos)
  47. dat is nog van voor de zondvloed (=dat is al heel oud)
  48. dat is ook geen heksen (=dat is wel heel gemakkelijk)
  49. dat is opgelegd pandoer (=een duidelijke van te voren afgesproken zaak)
  50. dat is schering en inslag (=dat komt bijzonder vaak voor [onderdelen van een weefgetouw])

715 betekenissen bevatten `da`

  1. daar zal wat zwaaien (=daar zal een hartig woordje gesproken worden)
  2. dat zal hem geen windeieren hebben gelegd (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben)
  3. daar steekt meer in dan een enkele panharing (=daar zit meer achter)
  4. daar zit `em de kneep/knoop (=daar zitten de moeilijkheden/problemen)
  5. die snaar moet men niet aanroeren (=daarover moet niet gesproken worden)
  6. van huis en haard verdreven (=dakloos zijn)
  7. op de schobberdebonk leven (=dakloos zijn en/of bedelend leven)
  8. dan zwaait er wat (=dan dreigen zware repercussies)
  9. dan zijn we nergens (=dan is er geen oplossing)
  10. dan is Leiden in last (=dan zijn er problemen!)
  11. je zegeningen tellen (=dankbaar zijn voor wat men heeft.)
  12. jongens van Jan de Witt (=dappere jongens zijn)
  13. die haring braadt niet (=dat (meestal geniepige) plannetje schijnt niet te lukken)
  14. dat was Grieks voor hem (=dat begreep hij niet)
  15. mijn verstand staat er bij stil (=dat begrijp ik helemaal niet)
  16. dat is Latijn voor mij (=dat begrijp ik niet)
  17. commandeer je hond en blaf zelf (=dat bevel weiger ik uit te voeren)
  18. dat is een paal onder water (=dat brengt meer nadeel dan voordeel)
  19. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke woorden leven)
  20. dat slaat als een knots op een kangoeroe (=dat choqueert je)
  21. al krijg ik geld mee! (=dat doe ik beslist niet!)
  22. ik kijk wel uit (=dat doe ik niet, daar ben ik te voorzichtig voor)
  23. dat geeft de burger moed (=dat doet goed)
  24. dat gaat erin als klokspijs (=dat gaat er gemakkelijk in)
  25. dat is van de baan (=dat gaat niet door)
  26. dat staat op de agenda (=dat gaat nog gebeuren; dat gaat nog besproken worden)
  27. die molen maalt langzaam (=dat gaat traag)
  28. dat gaat zo tussen neus en mond (=dat gebeurt in een verloren ogenblik)
  29. dat gebeurt pas als de Paus een geus wordt (=dat gebeurt nooit)
  30. morgen brengen (=dat geloof je toch zelf niet! dat doe ik beslist niet!)
  31. het scheelde maar een haartje (=dat ging maar net goed)
  32. dat ging van een leien dakje (=dat ging vanzelf)
  33. dat snijdt geen hout (=dat heeft er niets mee te maken; het bewijst niets)
  34. dat is lariekoek (=dat heeft iemand verzonnen)
  35. dat zijn aambeien met slagroom (=dat heeft niets met elkaar te maken)
  36. zo gaan er twaalf in het dozijn (=dat heeft weinig waarde)
  37. zo gaan er dertien in een dozijn (=dat heeft weinig waarde, is niet zo bijzonder)
  38. hoc est (=dat is)
  39. dat is nog van voor de zondvloed (=dat is al heel oud)
  40. dat heb ik nog nooit op een klomp horen spelen (=dat is al te gek)
  41. dat is een stuk! (=dat is een aantrekkelijk persoon)
  42. dat staat als een paal boven water (=dat is een absolute zekerheid)
  43. dat is van de Chinese kerk. (=dat is een gerucht.)
  44. dat is een alikruik van een vent. (=dat is een kleine dikke man.)
  45. dat mag met een krijtje aan de balk (=dat is een ongewone gebeurtenis)
  46. dat is een bal voor open doel (=dat is een opmerking waar een zeer voor de hand liggend weerwoord op gegeven kan worden)
  47. na mij de zondvloed (=dat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren)
  48. dat is een haspel in een fles (=dat is een raadsel)
  49. dat is een paard van een daalder. (=dat is een trots mens)
  50. dat is er een uit de arke noachs (=dat is er een uit een groot gezin)

50 dialectgezegden bevatten `da`

  1. da besteet ! (='t is toch niet waar, zeker) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. da besteet (nie) ! (='t is niet waar, zeker !) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. da bier is precies schotelwoater (=dat bier heeft een flauwe, slechte smaak) (Sint-Niklaas)
  4. da bin de zeven stuuvers nie (=dat verhaal klopt niet) (Zeeuws)
  5. da bin dr veestevee (=veel teveel) (Zeeuws)
  6. Dá bin mae zéhhende woorden (zuid-Beveland) (=dat zijn maar geruchten) (Zeeuws)
  7. da bis e a gen hek (=dan ben je in de aap gelogeerd) (Eys)
  8. da blef nie mooistaon ee (=daar kun je niet mee blijven aankomen) (Oudenbosch)
  9. da blef taor mar staon te blijve rije (=dat moet nog steeds opgeruimd worden) (Oudenbosch)
  10. da bleft zjust zoe lank ast briejed is. (=Er verandert niks aan.) (Beverloos )
  11. da blet, da schet, da fret & da zekt (=dat huilt, dat kakt, dat eet en dat pist) (Antwerps)
  12. da blét, da schét, da frét, en da zékt, mor wa zedder mé? (=daar kan je niets mee beginnen) (Antwerps)
  13. da blijfd an de rebm plakn (=dat komt binnen (vb slecht nieuws)) (Kaprijks)
  14. da boei me geen reet (=Het interesseert me niet) (Alfus)
  15. da breng z ne prijs wel op (=daar kom je aan uit) (Oudenbosch)
  16. da brengt gen dem oep (=dat brengt niets op / dat helpt niet) (Turnhouts)
  17. da bring veel miserie en enen hoereneist mee (=Overspel plegen) (Bevers)
  18. da brink laeve én de brauweraaj (=al is het maar voor de lol) (Bilzers)
  19. da brood is verduft (=dat brood is muf geworden) (Sint-Niklaas)
  20. da d' angt maan voote n' oet (=het werkt op mijn zenuwen) (Brussels)
  21. da daarde nie gedocht ee (=daar kijk je van op he) (Oudenbosch)
  22. da dang dier Mjir Of Min Klwutten Ut (=het is tijd dat het gedaan is) (Kortrijks)
  23. da dank tich den aajl (=dat is nogal wiedes) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. da deed niks aof (=dat heeft geen invloed) (Munsterbilzen - Minsters)
  25. da deenk (=dat zal wel zijn) (Geels)
  26. da deert nie (=dat maakt niet uit) (Vechtdals)
  27. da deeter ook mèr vër de goej vrië (=dat doet hij omdat hij moet) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. da deetie mar nooi (=dat deed hij slechts met grote tegenzin) (Oudenbosch)
  29. da demme gepakt, sî! (=dat heeft me ontroerd, hè!) (Hulsters (NL))
  30. da denk nie (=dat ben ik echt niet van plan) (Bredaas)
  31. da dërstë nie (=dat kunt / durft gij niet!) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. da des 'n misse (=dat is fout) (Hansbeeks)
  33. da des en pinne (=hij is overdreven spaarzaam) (Gents)
  34. da des na echt voe a beste panch van af te kappe (=dat is echt een tegenvaller) (Brussels)
  35. da des nen eruir da ni zjust een es (=ik ben verkeerd) (tervurens)
  36. da des stijf bij 't aar etrokn zulle! (=dat is ferm overdreven hoor, uit zijn context gerukt) (Waregems)
  37. da dieng van mijn tangtmartange (=ik ben niet (meer) seksueel actief) (Bergs)
  38. da dinkste mér (=dat gaat zeker niet gebeuren) (Munsterbilzen - Minsters)
  39. da dis ziejever in pakskes (=dat is pure onzin) (Olens)
  40. da doe roar (=dat voelt gek aan) (Wichels)
  41. da doede maar in oew eigen 'uis'ouwe (=doet u dat maar bij uw eigen huis) (Bredaas)
  42. da doek drek (=dat doe ik zometeen) (Betuws)
  43. da doert mich den ene mèt degene (=dat duurt me wat lang) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. da doerten eivighéts (=dat duurt lang) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. da doet de dij toe (=dat is er over) (Rotselaars)
  46. da draait mee vierkaante wiele (=dat gaat bijna niet) (Oudenbosch)
  47. da droait virkaant (=dit gaat moeilijk) (Antwerps)
  48. da droët vierkant (=dat gaat moeilijk) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  49. da dunk (t) mi'j! (=dat lijkt mij wel zo) (Vechtdals)
  50. da duurt hie naa een iejewegheid (=dat duurt immens lang) (Geels)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen