Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


16 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `moeten`

  1. alle mensen moeten leven (=gun de anderen ook wat)
  2. bomen ontmoeten mekaar niet, mensen wel. (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot.)
  3. door een hennepen venster (moeten) kijken (=opgehangen worden)
  4. een veer (moeten) laten (=met minder genoegen moeten nemen)
  5. er geen tekeningetje bij moeten maken (=het is overduidelijk)
  6. eraan moeten geloven (=of iemand wil of niet, het moet toch gebeuren)
  7. ergens voor moeten opdraaien (=de schuld krijgen)
  8. in het schuitje zitten en mee moeten varen (=mee moeten doen, zich niet meer kunnen terugtrekken)
  9. je zult ze maar de kost moeten geven. (=het zijn er veel (mensen).)
  10. moeten is dwang en huilen is kindergezang (=ik wil het wel doen, maar niet als het me verplicht wordt)
  11. moeten kiezen of delen (=een (vervelende) keus moeten maken)
  12. onder het Caudijnse juk moeten doorgaan (=vernederd worden)
  13. onder het juk moeten doorgaan (=zich aan andermans macht moeten onderwerpen)
  14. voor de rode deur moeten gaan (=voor het gerecht komen.)
  15. voor iets moeten bloeden (=de gevolgen moeten dragen)
  16. wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)

44 betekenissen bevatten `moeten`

  1. het gelag betalen (=alle kosten moeten betalen terwijl ook anderen er schuld aan hebben)
  2. als de herder verdwaalt dolen de schapen. (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten)
  3. de liefde kan niet van één kant komen. (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  4. onder de mensen komen (=buitengaan , mensen ontmoeten)
  5. daar moet de schoorsteen van roken. (=dat moet de inkomsten voortbrengen. Daar moeten we van bestaan.)
  6. spitsroeden lopen (=de fout onder ogen moeten zien en daarop uigelachen worden)
  7. voor iets moeten bloeden (=de gevolgen moeten dragen)
  8. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt)
  9. moeten kiezen of delen (=een (vervelende) keus moeten maken)
  10. ten hemel schreien (=een toestand die zo erg is dat er eigenlijk direct iets aan gedaan zou moeten worden)
  11. ruggespraak houden (=eerst ergens over moeten overleggen)
  12. de kost gaat voor de baat uit. (=eerst moeten er kosten worden gemaakt alvorens men er iets aan verdienen kan)
  13. in zijn zak steken (=geen antwoord meer weten, het met een antwoord moeten doen)
  14. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer moeten opvoeden)
  15. kind noch kraai hebben. (=geen nazaten of andere familieleden hebben, alleen rekening moeten houden met zichzelf.)
  16. het daglicht niet kunnen verdragen/zien (=geheim moeten blijven)
  17. roeien met de riemen die je hebt (=het moeten doen met dat wta je hebt)
  18. naar de maan lopen (=het wel mogen vergeten / weg moeten gaan)
  19. boontje komt om zijn loontje. (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand altijd wel een keer moeten gaan dragen)
  20. hoe komt het kalf bij zijn maat (=hoe wonderlijk men elkaar kan ontmoeten)
  21. de gebraden duiven vliegen niemand in de mond. (=iemand die luxe wil zal er voor moeten werken)
  22. iemands voetveeg zijn (=iemands slaaf zijn (zich alles moeten laten welgevallen))
  23. in het diepe gegooid worden (=in een baan aan het werk moeten zonder ingewerkt te worden.)
  24. het zal je kind maar wezen (=je zal er maar voor op moeten draaien)
  25. in het schuitje zitten en mee moeten varen (=mee moeten doen, zich niet meer kunnen terugtrekken)
  26. maar voor het opscheppen hebben (=meer dan genoeg hebben, zonder er iets voor te moeten doen)
  27. die staat ziet toe dat hij niet valle. (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)
  28. een veer (moeten) laten (=met minder genoegen moeten nemen)
  29. harde noten kraken (=moeilijke tijden moeten doormaken)
  30. tussen twee vuren zitten (=moeten kiezen tussen twee onaangename mogelijkheden, zich bevinden tussen twee ruziemakers)
  31. niet van de wind kunnen leven (=moeten werken om alles te kunnen betalen)
  32. hoge nood hebben (=naar de wc moeten)
  33. aan de middelhand zitten (=niet eerst of laatst moeten spelen)
  34. iets voor de boeg hebben. (=nog werk te doen hebben. / Nog iets mee moeten maken)
  35. tussen hamer en aanbeeld (=tussen twee slechte dingen moeten kiezen)
  36. tussen twee vuren zitten (=uit twee slechte dingen moeten kiezen)
  37. naar iets mogen kijken (=van iets moeten afblijven)
  38. over de brug komen (=veel geld moeten betalen)
  39. slapende rijk worden (=veel geld verdienen zonder er iets voor te moeten doen)
  40. over heel veel schijven gaan. (=veel hiërarchische of administratieve niveaus moeten zich ermee bemoeien.)
  41. het zo druk hebben als een klein baasje (=veel kleine karweitjes moeten doen)
  42. kleur bekennen (=voor zijn standpunt uit moeten komen)
  43. onder het juk moeten doorgaan (=zich aan andermans macht moeten onderwerpen)
  44. voor de vuist weg (spreken) (=zonder voorbereiden iets moeten vertellen)

Het dialectenwoordenboek kent 116 spreekwoorden met `moeten`

  1. Giesbaargs: op a kinne kloppen (=zonder moeten)
  2. Sint-Niklaas: de petetten (puttettun) moeten uitgedoan wurren (=de aardappelen moeten gerooid worden)
  3. Sint-Niklaas: ei é zènne stjeirt moeten intrekken (=hij heeft moeten toegeven)
  4. Munsterbilzen - Minsters: de vliegende sjijt höbbe (=dringend weg moeten)
  5. Munsterbilzen - Minsters: zen ziel autkotse (=overvloedig moeten overgeven)
  6. Westerkwartiers: we moet'n eev'm ruggesproak holl'n (=we moeten even overleggen)
  7. Lichtervelds: we meugn uzze siek ofdroajn (=we moeten hard werken)
  8. Lichtervelds: we moetn antydn up (=we moeten vroeg opstaan)
  9. Giessendams: wafferemôme (=Welke moeten we nemen)
  10. Sint-Niklaas: moete veurkommen (=bij de rechter moeten komen)
  11. Veurns: 't nie kunn'n aal'n (='t onderspit moeten delven)
  12. Rijsoords: We mon gunop (=Die kant moeten we op)
  13. Sint-Niklaas: wurtel schieten (=lang moeten wachten)
  14. terneuzens: oe moe me noe (=hoe moeten we nu)
  15. Flakkees: Hoemon we noe? (=Hoe moeten we nu?)
  16. Westerkwartiers: nije woag'ns kroak'n altied (=nieuwe contacten moeten wennen)
  17. Susters: pis op höbbe wie eine sjoester (=nodig moeten plassen)
  18. Rijsoords: Waffere momme ? (=Welke moeten we nemen ?)
  19. Koersels: Alle hondsgezeek motte pisse (=Zeer vaak moeten plassen)
  20. Alblasserdams: waffere momme hebbe (=welke moeten we hebben)
  21. Gents: tes (h)uug woater (=dringend moeten plassen)
  22. Munsterbilzen - Minsters: zen ziel autkotse (=hevig moeten overgeven)
  23. Bilzers: mekan wottel sjiete (=te lang moeten wachten)
  24. Hunsels: Zeik wie ein Belsj kinjermaedje (=Heel erg moeten plassen)
  25. Munsterbilzen - Minsters: ston te sjildere (=lang moeten wachten)
  26. Sint-Niklaas: da sal ei moeten uitzweten (=daar zal hij voor moeten boeten)
  27. Munsterbilzen - Minsters: op haug watter ston (=dringend moeten)
  28. Flakkees: Hoemomennoe? (=Hoe moeten we nu?)
  29. Haags: komp een telex ut darmstad (=moeten poepen)
  30. Zeeuws: zen dr cent versnoept (=moeten trouwen)
  31. Sliedrechts: giet in 't beun (=snel iets op moeten drinken)
  32. Bilzers: hae wor knots autgeboerd (=hij heeft het moeten opgeven)
  33. Munsterbilzen - Minsters: de zuls hel moette krabbe/kretse (=je zult hard moeten werken)
  34. Langemarks: Ge gaai kytten moet'n insmoetten (=Je zal je moeten inspannen:)
  35. Rotterdams: Skwibus, rapiedo! (=Jullie moeten hier wegwezen, en snel!)
  36. Leefdaals: 't es van moeites (=moeten huwen omwille van zwangerschap)
  37. Sevenums: de asse oetdrage (=ten onrechte ergens voor op moeten draaien)
  38. Flakkees: Kiek mar (=Dat zult u zelf moeten uitzoeken)
  39. Ninoofs: nor de jul moet'n (=naar het toilet moeten)
  40. Oudenbosch: Ijis oppun Sander motte gaon werke (=Hij is werk moeten gaan zoeken)
  41. Oudenbosch: ijee zwarte sneeuw gezien (=hij is tot het uiterste moeten gaan)
  42. Oudenbosch: kheb meneige motte afbeule (=ik heb hard moeten werken)
  43. Vechtdals: iets hem'm te drukkn (=nodig naar de wc moeten)
  44. Munsterbilzen - Minsters: zene nauwsjierege bestoje (=alles moeten zien en horen)
  45. Westerkwartiers: dat moe'n ze iendamm'm (=daaraan moeten ze een halt toeroepen)
  46. Oudenbosch: d n duvel leetur meej jonge (=dat zul je moeten bezuren)
  47. Oudenbosch: vurplek weg te gaon bleeftie staon (=hij had moeten weggaan)
  48. Booms: nogal wa kummelees moette doen (=heel wat hindernissen moeten overwinnen)
  49. Oudenbosch: zulle we mar ne pastoor vannum maoke ? (=wat moeten we met hem ?)
  50. Axels: z'èn te veê zuûre beiers gheét'n (=ze moeten gaan trouwen)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen