176 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `als een`
- ook een raspaard schijt als een karhengst. (=rangen en standen maken mensen niet meer of minder waard)
- redeneren als een kip zonder kop (=erg dom redeneren)
- roken als een Turk/kalkoven/ketter (=erg veel roken)
- schreeuwen als een mager varken (=vreselijk schreeuwen)
- slapen als een marmot/otter/roos (=erg vast en heerlijk slapen)
- te vangen als een aal bij zijn staart (=moeilijk te vatten)
- trillen als een juffershondje (=van angst trillen)
- uitdrogen als een Harderwijker (=alsmaar vervelender worden)
- uitgaan als een nachtkaars (=langzaam doven, sterven)
- van geld voorzien zijn als een pad van veren (=arm zijn)
- van iets zoveel verstand hebben als een koe van saffraan eten (=ergens geen verstand van hebben)
- vloeken als een bootwerker/kartouw/ketellapper/ketter (=onbeheerst vloeken)
- vorderen als een luis op een teerton (=erg moeizaam opschieten)
- werken als een molenpaard (=hard werken)
- werken als een paard (=zeer hard werken)
- werken als een paard. (=hard werken)
- werken als een rode lap op een stier (=onmiddellijk erg kwaad maken)
- wie werkt als een paard zal haver eten. (=hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen)
- ze is zo plat als een botje (scholletje) (=ze heeft bijna geen borsten)
- zich gedragen als een baars (=zeer onhandig zijn)
- zijn mond gaat als een lazarusklep (=hij spreekt altijd)
- zinken als een baksteen (=direct zinken (niet kunnen zwemmen))
- zitten als een kikker op een kluitje (=zonder enige bewegingsruimte)
- zo arm als een kerkmuis/kerkrat (=straatarm)
- zo bezig als een bij (=erg druk bezig zijn)
- zo blind als een mol (=stekeblind)
- zo dicht als een pot zijn (=goed kunnen zwijgen/geheimen bewaren)
- zo dicht als een zeef. (=spottend gezegd van iets met veel zwakke plekken)
- zo dik als een mol (=erg dik)
- zo dik als een pad (=erg dik)
- zo dood als een pier (=geheel en al dood, als een aardworm die slap aan de hengel hangt)
- zo doof als een kanon (=stokdoof)
- zo doof als een kwartel (=stokdoof)
- zo dronken als een kartouw (=stomdronken)
- zo dronken als een reiger (=stomdronken)
- zo droog als een haring (=hij zegt bijna niks)
- zo fris als een hoentje (=heel fris, nog erg jong)
- zo gek als een deur (=stapelgek)
- zo gesloten als een oester (mossel) (=hij zegt weinig en laat niets los)
- zo gesloten zijn als een oester (=je mond niet opendoen en een geheim bewaren)
- zo gezond als een vis (=heel gezond)
- zo glad als een aal (=geslepen, uitgekookt, iemand die zich overal uitpraat)
- zo hard als een spijker (=heel hard)
- zo hongerig als een kerkrat/kerkmuis (=heel hongerig zijn)
- zo kalm als een zalm (=een rustig persoon)
- zo klaar als een klontje voor iemand zijn (=het helemaal begrijpen)
- zo koud als een kaalgeschoren schaap (=heel erg koud)
- zo kwaad als een spin zijn (=erg kwaad zijn)
- zo lek als een zeef zijn (=heel erg lek zijn)
- zo lustig zijn als een vogeltje dat koe heet (=buitengewoon loom zijn)
50 dialectgezegden bevatten `als een`
- Hieë zeûp de baan vanne ton aaf (=Hij drinkt als een tempelier) (Hasselts)
- Hiége wie e póspèëd (=Hijgen als een postpaard) (nijswillers)
- hij draait als een keutel in een pispot (=hij draait alle kanten uit) (Graauws)
- hij hef een leven als een luus op een zeer heuf (=hij heeft een goed leven) (Doornspijks)
- hij is zo glad als een paling in een emmer snot (=een hel slim iemand) (Boksmeers)
- hij lopt as 'n koater ien 'e mörg'ndauw (=hij is zo trots als een pauw) (Westerkwartiers)
- hij speulde op ien 't roare (=hij ging als een razende te keer) (Westerkwartiers)
- hij stijt as 'n beste kirrel te boek (=hij is bekend als een prima vent) (Westerkwartiers)
- hij stijt doar as 'n zoltzak (=hij staat daar als een meelbaal) (Westerkwartiers)
- hij stond veur Piet Snöt (=hij stond er als een sul bij te kijken) (Westerkwartiers)
- hij zit te kijke es 'n hiete geit die in 't stroi zêkt (=hij zit te kijken als een hete geit die in het stro plast) (Ossies)
- ich bèn zoe zaoët as ne koekërel (=ik draai als een tol) (Munsterbilzen - Minsters)
- Ich hèb gèète wei 'nen hier: vaerkesèèrappel op telier. (=Ik heb gegeten als een heer, varkensaardappel op teljoor.) (Genker)
- Iej meurt uut de murf as un joekel uut de tokus. (=Je riekt uit je mond als een hond uit zijn achterwerk.) (Deventers)
- ijssur groots mee (=zo trots als een pauw) (Oudenbosch)
- ik ben zo scheel als een maleier/meleier (=ik zie niet goed) (Utrechts)
- Ik bun zo muu' j als een maa' j (=Ik ben doodmoe) (Babberichs)
- Ik het honger als een peerd (=Ik heb honger) (Spakenburgs)
- ik zei zo zat als een schup (=ik ben zo zat als een maleier) (Kaatsheuvels)
- inne gróndj sjerre (=als een kip zoekt naar eten op de grond;
om een knikkerpotje in de grond te maken) (Heitsers)
- Je heit een moend als een mendeure (=Een grote mond opzetten) (Flakkees)
- Jonge, ga in je hannen poepe en ballen make. (='Jongen, ga in jouw handen poepen en ballen maken.' als een kind zich verveeld en klaagt bij vader of moeder.) (Bolserters)
- kaeke waaj ë vêrke da ze slachte (=schreeuwen als een varken in doodsnood) (Munsterbilzen - Minsters)
- kallë waaj ën appelwijf (=aflopen als een wekker) (Munsterbilzen - Minsters)
- kieke wie enge frisch gepopte uul (=kijken als een kerstkindje) (Kerkraads)
- Kijkuh als een gele peen of kijke als een aap op een roestig klokkie (=wazig kijken) (Rotterdams)
- krepiëre (=sterven als een hond) (Munsterbilzen - Minsters)
- krom als un ha.nkholt (=krom als een juk) (Genneps)
- lachen as nen sik in de braandnetteln (=lachen als een boer met kiespijn) (Twents)
- lachûh assun zeiw met kiespèn (=lachen als een boer met kiespijn) (Haags)
- laek wie 'n menjel (=lek als een zeef) (Steins)
- liever ën pens van te zaupe as ne kroef van te wërke (=beter een buikje als een bult) (Munsterbilzen - Minsters)
- maar alennig as ik op de rugge zwem (=het staat als een paal boven water) (Klazienaveens)
- mee de groten bo-ns neerkomme (=inslaan als een bom) (Oudenbosch)
- Mein, zein, of eur gat got eupen in dicht, (men, m'n, zen, z'n, er) (=als een persoon zenuwachtig of angstig is) (Urkers)
- mét zene stat tësse zen been vertrékke (=als een angsthaas weglopen) (Bilzers)
- meurdebleine zijn / meurdekej zijn / meurdecanard zijn / beumonneuzel zijn / blendzat zijn (=zo zat als een Zwitser zijn) (Zomergems)
- n smoel waaj ne stront (=een gezicht als een donderwolk) (Bilzers)
- ne kop waaj ën iëkëlke hoj (=een haardracht als een hooi-opper) (Munsterbilzen - Minsters)
- ne lente zonder stürm és waajn vroo zonder vürm (=een lente zonder stormen is als een vrouw zonder vormen) (Bilzers)
- nën aaë mins ès gene joenge mei (=ik ben zo stijf als een plank) (Munsterbilzen - Minsters)
- nen heiring begint aoën zënë kop te stinkë (=als een vereniging in diskrediet valt, begint het bij het bestuur) (Munsterbilzen - Minsters)
- nen turk éster niks tiëge (=hij rookt als een Turk) (Bilzers)
- oas en eiwe schuure in brande schiet, es ter gien blusse ne mier oan,
oas en eiwe schuure in brande schiet, kom nie te dichte bij 't vier (=als een oudere dame verliefd wordt) (Gents)
- paradeire lek 'n pat in een zaldervinster (=pronken met mooie kleren (letterlijk : pronken als een pad in een dakvenster)) (Tiens)
- perseverre (=zo ver als een paal lang is) (Veurns)
- pietjsje den daut (=zo bleek als een lijk) (Bilzers)
- roenke (=ronkend slapen als een kat) (Munsterbilzen - Minsters)
- roke waaj ën sjoopijp (=dampen als een schouw) (Munsterbilzen - Minsters)
- ruke as een ulling (=stinken als een otter) (Betuws)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen