125 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `goe`
- goed en bloed voor iets offeren (=ergens alles voor over hebben (goed=bezittingen, bloed=het leven))
- goed geld naar kwaad geld gooien (=geld ergens insteken waarvan bekend is dat het verlies oplevert)
- goed gemutst zijn (=opgewekt zijn, in een goede, vrolijke bui zijn)
- goed gereedschap hangt onder een afdak. (=ik ben wel te dik maar mijn ‘gereedschap` (de penis) werkt nog goed.)
- goed gereedschap is het halve werk (=door de juiste hulpmiddelen te gebruiken wordt het karwei snel geklaard)
- goed in de slappe was zitten (=veel geld hebben)
- goed je mondje kunnen roeren (=er goed voor zorgen dat je mening wordt gehoord)
- goed te boek staan (=een goede reputatie hebben)
- goed uit de verf komen (=beter tot uiting komen of succesvoller zijn dan verwacht.)
- goed van aannemen (=verstandig)
- goed van de tongriem gesneden (=gezegd van een vlotte prater)
- goed voor de schroothoop (=totaal verloren)
- goed voorbeeld doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
- goed voordoen doet verkopen. (=presentatie is belangrijk als je iets wil verkopen)
- goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
- goed zijn woord kunnen doen (=een vlotte prater zijn)
- goede naam is beter dan goede olie (=een goede reputatie is beter dan veel geld)
- goede papieren hebben (=de goede eigenschappen hebben (voor een baan))
- goede raad is duur (=bijna te moeilijk om raad te kunnen geven)
- goede raad is goud waard (=met goede aanwijzingen kan je heel veel doen)
- goede sier maken (=er (overdreven) goed van leven / goed overkomen bij anderen)
- goede waar prijst zichzelf (=goed materiaal moet niet aangeprezen worden)
- goede wijn behoeft geen krans (=iets wat goed is hoeft niet geprezen worden)
- goederen in de dode hand (=goederen die niet vererven)
- goedkoop is duurkoop (=iets goedkoops kan later kosten veroorzaken, bijvoorbeeld door slechte werking, reparaties of onderhoud)
- goedschiks of kwaadschiks (=met of tegen de zin)
- haast en spoed is zelden goed (=iets te snel doen, resulteert vaak in iets dat slecht gedaan is)
- haastige spoed is zelden goed (=zaken in te hoog tempo afwerken vergroot de kans op fouten)
- have en goed (verliezen) (=alles wat je hebt (verliezen))
- het bij het goede/rechte eind hebben (=gelijk hebben)
- het hart op de goede plaats hebben (=een oprecht en menslievend karakter hebben)
- het is geen roofgoed (=het heeft veel geld (of moeite) gekost)
- het is goed aan hem besteed (=hij verdient het, hij zal er op de goede manier mee omgaan)
- het is goed riemen snijden uit andermans leer (=met andermans eigendom kan men gemakkelijk kwistig omgaan)
- het is goed sollen met een dood paard. (=iemand die geen verzet biedt, is een makkelijk slachtoffer)
- hoogmoed deed nooit iemand goed. (=arrogantie en overmoed zijn slechte eigenschappen)
- iets in goede banen leiden (=ervoor zorgen dat iets goed verloopt)
- in een goed blaadje proberen te komen (=een goede reputatie proberen te verkrijgen)
- in een goed blaadje staan (=bijzonder gewaardeerd worden)
- in goede aarde vallen (=door de ontvanger goed ontvangen worden)
- in goede doen (=in goede vorm)
- in goede dorpen zijn/geraken (=genoeg verdiend hebben om niet meer te hoeven werken)
- in troebel water is het goed vissen (=in tijden van onlust of oorlog kan men gemakkelijk voordelen halen)
- je eieren goed naar de markt brengen (=met een rijke vrouw getrouwd zijn)
- je moet geen goed geld achter slecht geld aangooien (=je moet geen geld besteden aan een zaak die niet meer in stand kan worden gehouden)
- je tegoed doen aan de vleespotten (=onterecht mee profiteren)
- kan uit Nazareth iets goeds komen? (=wanneer iemand een bepaalde opvoeding heeft gehad kan daar niks goeds van verwacht worden)
- koopmans goed, is eb en vloed. (=ondernemers hebben te maken met goede ne slechte tijden)
- kort en goed valt licht en zoet. (=pak dingen snel op en doe het goed)
- kwade gezelschappen bederven goede zeden. (=slechte eigenschappen overnemen van slechte vrienden)
318 betekenissen bevatten `goe`
- het juiste midden vinden (=een goed evenwicht vinden tussen twee tegengestelde aanpakken. Bijvoorbeeld, als het er om gaat hoeveel bevoegdheden de politie moet hebben om de rechtsstaat te handhaven)
- op stoom komen (=een goed tempo bereiken)
- een handwerk heeft een gouden bodem (=een goed vakman verdient altijd zijn brood)
- een goede buur is beter dan een verre vriend (=een goede buur kan je beter helpen dan een verre vriend)
- een wit voetje halen (=een goede indruk maken bij de leider(s))
- hoge ogen gooien (=een goede kans maken op iets)
- een goede haan kraait nog wel eens weer. (=een goede leider waarschuwt meer dan eens)
- een goede naam is beter dan olie (=een goede naam (reputatie) is beter dan veel geld (olie) bezitten)
- goed te boek staan (=een goede reputatie hebben)
- goede naam is beter dan goede olie (=een goede reputatie is beter dan veel geld)
- in een goed blaadje proberen te komen (=een goede reputatie proberen te verkrijgen)
- een koopman een loopman. (=een goede verkoper gaat bij zijn klanten langs)
- een beer op sokken (=een goedzak)
- een hoofd als een ijzeren pot. (=een heel goed geheugen hebben)
- een ei is geen ei twee ei is een half ei drie ei is een paasei (=één is niet genoeg, twee is beter, drie is goed)
- een land van melk en honing zijn (=een land waar het goed en voorspoedig leven is)
- een leugentje om bestwil (=een leugen met een goede bedoeling)
- schone appels zijn ook wel zuur. (=een mooie vrouw is niet vanzelfsprekend een goede echtgenote)
- de nacht is een goede raadsman. (=een nachtje slapen is goed bij het nemen van beslissingen)
- aan de rem trekken (=een ontwikkeling proberen tegen te houden/ waarschuwen dat iets niet goed gaat)
- een onbekookt plan (hebben) (=een plan hebben waar niet goed over is nagedacht)
- een tafeltje welbereid. (=een plek met veel en goed eten)
- het zeil in top zetten (=een zo goed mogelijke vertoning weggeven)
- verandering van spijs doet eten (=eens iets anders te doen doet de mens goed)
- bij eigen zin is geen gewin. (=eigenwijs zijn is niet goed)
- goede sier maken (=er (overdreven) goed van leven / goed overkomen bij anderen)
- er een puntje aan kunnen zuigen (=er een goed voorbeeld aan kunnen nemen)
- gezien mogen worden (=er goed uitzien)
- er uitzien als een parnas (=er goed uitzien)
- goed je mondje kunnen roeren (=er goed voor zorgen dat je mening wordt gehoord)
- er is altijd wel ergens een vogel die zingt (=er is altijd wel een lichtpuntje als je maar goed je oren en ogen open zet)
- het is als met de koeien van de Farao. (=er is geen goed aan te doen (De koeien van de Farao bleven mager))
- geen twee kapiteins op één schip (=er moet maar één persoon de leiding hebben, anders gaat het niet goed)
- over het paard tillen (=er te veel goeds van zeggen / verwend en geprezen zijn)
- er een punt achter zetten (=er voorgoed mee stoppen)
- er is onkruid onder de tarwe (=er zijn minderwaardige goederen (of personen) tussen de betere)
- op rozen zitten (=erg gelukkig zijn en goed hebben)
- op dreef zijn (=erg goed actief zijn)
- op een zuinigje (=erg goedkoop - weinig moeite doend)
- goed en bloed voor iets offeren (=ergens alles voor over hebben (goed=bezittingen, bloed=het leven))
- ergens als kind in huis zijn (=ergens bekend of goed behandeld worden)
- acht slaan op iets (=ergens goed op letten)
- iets in goede banen leiden (=ervoor zorgen dat iets goed verloopt)
- met hetzelfde sop overgoten (=even goed of slecht)
- in het verdomboekje staan (=geen goed meer kunnen doen)
- gehuisd en gehoofd zijn (=gegoede burger zijn)
- aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
- geld verzoet de arbeid (=geld dat je krijgt maakt het harde vervelende werk weer goed)
- mooi weer spelen (=genieten (meestal van andermans goed) / mooier voordoen dan het is)
- wat goed eet, schijt goed. (=gezond eten laat het lichaam goed functioneren.)
50 dialectgezegden bevatten `goe`
- Die is goe veurzien van poete en oere (=Een goed gevormde vrouw) (Herentals)
- Die is ni goe zuust den dienen (=Die is niet goed wijs) (Bevers)
- Dieë es zoe zot as tieleboës; dieën es van lotteke getikt; dieë es oep zenne kop gevalle; dieë es turrelut; dieë es ni goe bij ze verstand; zoe zot as en deur (vrouw ) (=Hij is gek) (Diesters)
- diej is goe verzien van woare en pwoate (=een vrouw die goed voorzien is van borsten en benen) (Brechts)
- Doa ziede goe mej, as un dörp mej unne gekke pastoer (=Daar schiet je niets mee op) (Zurriks)
- doar zèede goe mee besteld (=daar ben je mooi klaar mee) (Wichels)
- doe eu schorte goe an (=je correct aankleden) (Evergems)
- E es goe sticket. (=Hij is heel dronken) (Liedekerks)
- é es goe zochte (=Hij heeft overmatig gedronken) (Evergems)
- ê gêt gê nog goe op (=je hebt er een te hoge dunk van) (Kaprijks)
- E goe fleske reuk (=Een lekker flesje parfum) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- e goe verreke mag alles (=een goede eter lust alles) (winksels)
- e kan het goe explikeire (=hij kan het goed uitleggen) (Rotselaars)
- É ligt goe te roenke (=Hij ligt diep te slapen) (Rotselaars)
- è piente goe bloeëd opdoën (=zijn batterijen opladen) (Veurns)
- É was goe getappeseirt (=Hij was goed dronken) (Rotselaars)
- eddem zing zing, a zagzag nogal, me zen zigzagoege, zen bloete kloete en ze goe goed on, los deur de deur deur (=iemand die raar kijkt, schrikt) (Antwerps)
- êë-t goe gevonn (heb je't makkelijk gevonden ) (=welkom) (Kaprijks)
- eel'n: Dei vra es ni goe bij d'n eel'n (=Die vrouw is niet goed wijs) (Lebbeeks)
- een tonge van lijntses, goe keune klappe (=goed kunnen uitleggen, babbelen) (Gents)
- ei doe goe zèn duvvoren int school (=hij doet zijn best op school) (Sint-Niklaas)
- ei es te goe veur deen werreld (ook:-duud te doen) (=een ongelooflijk zachtaardig persoon) (Wetters)
- ei kan er moo goe mei voare.... (=Hij zal er goed mee zijn) (leuvens)
- ei trekt goe zènne streng (=hij kan goed zijn plan trekken) (Sint-Niklaas)
- er goe in zitte (=rijk zijn) (Rotselaars)
- er goe mei voare (=ergens wel mee varen) (winksels)
- est goe voar ou (=is dit voor jou goed) (Evergems)
- ey é ter were goe af (=iemand die zaagt) (Brakels)
- gaë zei nie goe zeikers (=wat je denkt te doen is niet verstandig) (Winksels)
- gè goe klappn gè (=het zal wel zijn zeker) (Sint-Laureins)
- Ge komt er zoe goe van achter (=Je ziet er goed uit) (Mechels (BE))
- ge komter goe vanachter (=Ge ziet er goed uit) (Baasrode)
- ge moette korten goe schrangsen (=gij moet de kaarten goed dooreen schudden) (Sint-Niklaas)
- ge zeu gij zekers nie goe weus! (=jij bent zeker niet goed snik) (Maldegems)
- ge zie goe dasse in poziese is (=je ziet goed dat ze in verwachting is) (Heist-op-den-Berg)
- gê ziet nie goe wies (=je bent niet goed wijs) (Neerpelts)
- ge zij gij nie goe zeeëre! (=wat je zegt, raakt kant noch wal (protesterend) ) (Waregems)
- Ge zujt'em nogal zieng zieng as 'k em da doeng doeng mè se goe goed! (=Dit zal hij niet graag doen!) (Antwerps)
- get da goe gedoan (=je hebt dat goed gedaan) (Berchems)
- Get hondert, tes goe hee; est goe; ichem er nij genoeg van (=het is genoeg geweest) (Diesters)
- gij uert zeker ni goe (=gij hoort niet goed) (Bambrugs)
- gin moare, goe moare (=geen nieuws is goed nieuws) (Veurns)
- goe besteld (=met weelderige lichamelijke vormen) (Wichels)
- goe bij den heure zijn (=helder van geest zijn) (Lovendegems)
- goe deuretert'n (=flink doorstappen) (Waregems)
- goe g' eekiepeerd zijn (=ingericht zijn met het juiste materiaal en de gepaste uitrusting) (Waregems)
- goe geloin / keirre goe vol / e stuk in moin kloojten emmen (=zat zijn) (Aalsters)
- goe gestéltj zén (=van het nodige voorzien) (Meers)
- goe getapisseet zen (=dronken zijn) (Vilvoords)
- goe int vlees zitten (=dik zijn) (kalkens)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen