Spreekwoorden met `NEN`

Zoek


286 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `NEN`

  1. de wereld op zijn duim kunNEN draaien (=alles doen wat iemand wil)
  2. de zon in het water kunNEN zien schijNEN (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  3. de zon niet in het water kunNEN zien schijNEN (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
  4. denken met kousen en schoeNEN in de hemel te komen (=denken dat men zich niet moet inspannen)
  5. door de achterdeur weer binNENkomen (=onverwacht terugkomen op een afgeronde situatie)
  6. door een eiken plank kunNEN zien als er een gat in zit (=niet zo bijzonder zijn als je je voordoet)
  7. door en door kenNEN (=precies weten hoe iemand is)
  8. een henNENtaster (=iemand die zich druk maakt om ongelegde eieren)
  9. een huis met zilveren panNEN. (=een huis waar een hoge hypotheek op rust)
  10. een lucifer in drieën kunNEN kloven (=erg zuinig zijn)
  11. een oortje gespaard is een oortje gewonNEN. (=alle beetjes helpen als je spaart.)
  12. een potje bij hen kunNEN breken (=veel getolereerd worden)
  13. een schop van een ezel kunNEN verdragen (=je moet het aankunnen dat iemand zonder verstand van zaken kritiek geeft)
  14. een stoel in de hemel verdieNEN (=je door een goed werk onderscheiden)
  15. een veer van zijn mond kunNEN blazen (=nog niet totaal uitgeput zijn)
  16. een wig drijven tussen twee persoNEN (=ervoor zorgen dat ze ruzie krijgen)
  17. elkaar een hand kunNEN geven (=zich in een vergelijkbare situatie bevinden)
  18. er dieNEN geen twee masten op een schip (=er kan er maar één het bevel voeren)
  19. er een puntje aan kunNEN zuigen (=er een goed voorbeeld aan kunnen nemen)
  20. er geen hoogte van kunNEN krijgen (=iets maar niet kunnen begrijpen)
  21. er geen peil op kunNEN trekken (=er niet van op aan kunnen)
  22. er geen speld tussen kunNEN krijgen (=iets klopt precies, geen gelegenheid krijgen in een gesprek ertussen te komen)
  23. er geen touw aan vast kunNEN knopen (=door de onduidelijkheid niet kunnen begrijpen wat er wordt bedoeld)
  24. er kunNEN inkomen (=het wel kunnen begrijpen)
  25. er met de pet niet bij kunNEN (=het niet willen/kunnen snappen)
  26. er naar kunNEN fluiten (=het niet krijgen)
  27. er niet aan kunNEN tippen (=er een voorbeeld aan kunnen nemen)
  28. er niet bij kunNEN (=het niet kunnen begrijpen)
  29. er niet over uit kunNEN (=er niet over kunnen zwijgen, er zwaar door getroffen zijn)
  30. er niet van kunNEN meespreken (=er niets over weten)
  31. er niet van tussen kunNEN (=er aan vastzitten)
  32. er voor spek en boNEN bij zitten (=er voor niets bijzitten)
  33. er voor tekeNEN (=het met plezier willen aanvaarden)
  34. er zijn geen rozen zonder doorNEN (=bij elk geluk is er ook verdriet)
  35. er zijn maal wel mee kunNEN doen (=er wel mee toekomen)
  36. er zijn zinNEN op zetten (=iets graag willen hebben)
  37. ergens een potje kunNEN breken (=ergens graag gezien zijn)
  38. ergens geen kwaad kunNEN doen. (=een zeer positieve reputatie hebben ongeacht wat je doet)
  39. ergens met lood in de schoeNEN naar toe gaan (=er verschrikkelijk tegen opzien)
  40. fris gewaagd is half gewonNEN (=de moedigste heeft de meeste kansen om iets te winnen)
  41. geen a voor een b kenNEN (=erg dom zijn)
  42. geen bokkensprongen kunNEN maken (=weinig geld hebben om extra dingen te kunnen kopen)
  43. geen groter venijn, dan vriend toNEN en vijand zijn. (=iemands vertrouwen schaden is het gemeenste wat je kunt doen)
  44. geen katje om zonder handschoeNEN aan te pakken (=geen gemakkelijk persoon)
  45. geen kip meer kunNEN zeggen (=zoveel hebben gegeten dat je niets meer kan eten. Volkomen verzadigd)
  46. geen krieken zonder steNEN. (=niemand is er perfect.)
  47. geen oortje kunNEN schelen. (=iets onbelangrijk vinden (oortje = ± een halve cent))
  48. geen pap meer kunNEN zeggen (=verzadigd zijn)
  49. geen poot aan de grond kunNEN krijgen (=geen schijn van kans blijken te hebben)
  50. geen twee haNEN op een erf/werf (=geen twee bazen voor hetzelfde werk)

386 betekenissen bevatten `NEN`

  1. het lieve leventje gaande (=de ruzie begonNEN - de poppen aan het dansen)
  2. de hel breekt los (=de ruzie is begonNEN.)
  3. de poppen aan het dansen (=de ruzie of problemen kunNEN beginNEN)
  4. met de helm (op) geboren zijn (=de toekomst kunNEN voorspellen / bijzonder voorzichtig zijn)
  5. de beste stuurlui staan aan wal (=de toeschouwers kunNEN het altijd beter dan de uitvoerders)
  6. het water komt op de dijk. (=de traNEN komen op)
  7. het pleit winnen (=de zaak winNEN)
  8. denken met kousen en schoenen in de hemel te komen (=denken dat men zich niet moet inspanNEN)
  9. tussen die twee was er geen chemie (=die twee mensen hadden te veel karakterverschillen om goed te kunNEN samenwerken)
  10. uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdieNEN geven we meestal gelijk)
  11. wiens brood men eet, diens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdieNEN geven we meestal gelijk)
  12. als proefkonijn dienen (=dieNEN voor een of ander experiment)
  13. moet is een bitter kruid. (=dingen die men moet doen kunNEN onaangenaam of vervelend zijn.)
  14. niet kunnen rijmen (=dingen die niet met elkaar kloppen of het samen niet kunNEN begrijpen)
  15. je kan niet door een muur lopen, behalve als er een deur in zit (=dingen kunNEN alleen gedaan worden als er een reële kans toe is)
  16. zinken als een baksteen (=direct zinken (niet kunNEN zwemmen))
  17. de wal keert het schip (=door beperkingen enigerlei niet verder kunNEN)
  18. er geen touw aan vast kunnen knopen (=door de onduidelijkheid niet kunNEN begrijpen wat er wordt bedoeld)
  19. een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunNEN gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  20. ondervinding is de beste leermeester (=door iets zelf mee te maken of te oefeNEN leert men het snelst)
  21. met gesloten beurs betalen (=door middel van een wederzijdse schuld het bedrag verrekeNEN)
  22. oefening baart kunst (=door veel te oefeNEN verbeteren de prestaties)
  23. de ochtendstond/morgenstond heeft goud in de mond (=door vroeg te beginNEN kan men meer werk verrichten)
  24. door het lint gaan (=door woede je emoties niet (meer) onder controle kunNEN houden)
  25. de schepen achter zich verbranden (=een beslissing nemen en niet meer terug kunNEN)
  26. iets in één adem uitlezen (=een boek waaraan je begonNEN bent heel snel uitlezen, omdat je het zo spanNENd vindt)
  27. het bijltje zoeken (=een excuus of uitweg verzinNEN)
  28. tussen beurs en geweten geplaatst zijn (=een financieel goede - maar misdadige - zaak kunNEN doen)
  29. een loden pijp hebben (=een hete vloeistof snel kunNEN opdrinken)
  30. de hoofdvogel schieten (=een hoofdprijs winNEN, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is de hoofdprijs bij het vogelschieten)
  31. de bot kunnen gallen (=een moeilijke taak aankunNEN)
  32. een twistappel vormen (=een onderwerp van ruzie/conflict/oNENigheid zijn)
  33. de kool en de geit sparen (=een oplossing vinden waar beide partijen tevreden mee kunNEN zijn)
  34. schrijven en wrijven (=een penNENstrijd voeren)
  35. een broodje aap (=een verzonNEN verhaal dat als waarheid wordt verspreid.)
  36. de kost gaat voor de baat uit (=eerst moeten er kosten worden gemaakt alvorens men er iets aan verdieNEN kan)
  37. op de wip zitten (=elk ogenblik ontslagen kunNEN worden)
  38. op de schopstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunNEN worden)
  39. op de wipstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunNEN worden)
  40. water en vuur zijn (=elkaar niet kunNEN verdragen)
  41. er een puntje aan kunnen zuigen (=er een goed voorbeeld aan kunNEN nemen)
  42. er niet aan kunnen tippen (=er een voorbeeld aan kunNEN nemen)
  43. je handen jeuken (=er erg veel zin in hebben te beginNEN)
  44. een baas boven baas zijn (=er is altijd wel iemand die het beter kan of het beter denkt te kunNEN)
  45. het is daar altijd elf ogen. (=er is daar altijd oNENigheid.)
  46. de room is er af. (=er is weinig meer aan te verdieNEN)
  47. er een kleine jongen bij zijn (=er niet aan kunNEN tippen)
  48. er wel pap van lusten (=er niet genoeg van kunNEN krijgen)
  49. je lol wel opkunnen (=er niet mee kunNEN lachen)
  50. er niet over uit kunnen (=er niet over kunNEN zwijgen, er zwaar door getroffen zijn)

50 dialectgezegden bevatten `NEN`

  1. ajoin (=NEN Oilsjteneir) (Dendermonds)
  2. al dauws te op zën pëdallë waaj NEN akkrëbaot, as te de sjoer nie kon vieërblijve wieës te toch naot (=je moet flink hard kunNEN fietsen om een regenbui voor te blijven) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. al drig NEN aop ne sjaune rink, tés en blaajf e lûllek dink (=zot blijft zot) (Bilzers)
  4. Allee, mettez vite vos chandailles, springt oep oven ijzere peerd, en moakt nog NEN tour du jardin! (=Trek vlug jullie pulletjes aan, neem jullie fiets en maak nog eens de ronde van de tuin.) (Antwerps)
  5. alles vür mich en niks vür NEN aandre (=egoïst) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. alwéiter (=NEN ontvanger van de belastinge) (Dendermonds)
  7. antwoord: As kaa zeen stoet maaine slinger (=als ge zegt: Ge zaat NEN ingel) (Brussels)
  8. apostel: NEN trèigen apostel (=Een traag iemand) (Lebbeeks)
  9. As 't al tegegåat za NEN hond de kèrk omvèr zjieëken (=Als iets niets meezit, zit het serieus tegen) (Zeels)
  10. As d'r NEN Mona Lisa op de baank (e) zit kriegie NEN kearl 't hoes nich oet.* (=Als er een Mona Lisa op de bank zit krijg je de man de deur niet uit) (Twents)
  11. as dowwe NEN aal aat oer gat komt (=het is erg onwaarschijnlijk) (Wommersoms)
  12. As ge NEN 'ond mee een 'oëken op ziet goa'der mee mee (=Je vertrouwt anderen te snel) (Wichels)
  13. As NEN boer nich klaagt is hee zeeke (=Als een boer niet klaagt, is hij ziek) (Twents)
  14. as NEN duvel in een weijwoatervat (=zich weren als een duivel in een wijwatervat) (Brechts)
  15. as NEN moes zat is, wördt 't mel bitter (=wanneer men vol gegeten is, gaat het eten tegenstaan) (Twents)
  16. As' leit op NEN berg. (=Dat is onzeker.) (ternats)
  17. Aske NEN wief op`NEN orgel spoalt kump d`r gin muziek oet.* (=Verstand (zonder) ) (Twents)
  18. Aste NEN iëzel wils leire daase moeste de zjuste meziek opzétte (=Probeer nooit het onmogelijke) (Bilzers)
  19. aste smërgës opstees mètte hinne, doër den daog wërks waajë piëd en dan soëvës mieg bès waaj NEN hond...dan bèste heil ziëkër ne loempën iëzël of stoem koer (=als vroeg op staat, dan hard werkt om s'avond dood te zijn, dan schat ik dat je een ezel of lompe koe zijt) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. attet garnezoen jing op haus aofkump esset NEN heile opstand (=het is een hele bedoening als alle kinderen tegelijk naar huis komen) (Bilzers)
  21. Attet NEN hond wor hochter dich allang gebiëte (=Het ligt voor je neus en je ziet het niet) (Bilzers)
  22. Azoe NEN bataklank (=Zo een lawaai) (Liedekerks)
  23. azoei NEN doesj patatten (=zo een hoop aardappelen) (Aalsters)
  24. azu NEN annekiesjnest (=wat een rotzooi) (Giesbaargs)
  25. Azu NEN emmer (=Wat een bezitterig persoon) (Hams)
  26. azuë NEN èmmer (=wat een egoïst) (Meers)
  27. azuu NEN omgezonde mins (=wat een vervelend iemand) (Hams)
  28. baut: NEN baut zett'n (=De (stoppel-)baard tegen een kinderwang wrijven) (Lebbeeks)
  29. Bèèndig Zin.... Mo nog Slichter dan NEN Bèèndegoar ès: NEN Tèès... (=geld sparen) (Kortrijks)
  30. belofte mok sjuld en dae ze nie hult kraajg NEN dikke bult (=beloften worden gemaakt om te houden) (Munsterbilzen - Minsters)
  31. Béste dür NEN ajl autgebrid (=Ben je dan niet slimmer) (Bilzers)
  32. Binne NEN boëte wippe (=Snel een bezoek brengen) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  33. bleuze gelijk NEN ietekoeke - ne sniewlekker (=een bleek gezicht hebben) (Gents)
  34. boeëm: Ei es ne man gelèk NEN boeëm mau te két afgezaugd (=Hij is klein van gestalte) (Lebbeeks)
  35. bollie: NEN ieëten bollie (=Seksueel hevig persoon) (Lebbeeks)
  36. D'r mot n'n kapp'n sprekker kom'n, wil e NEN zwieger verbetter'n (=soms kun je beter niets zeggen) (Twents)
  37. d' er is serieus NEN ' oek af (=Hij heeft ze niet op een rijtje) (Melseels)
  38. da des NEN eruir da ni zjust een es (=ik ben verkeerd) (tervurens)
  39. da es nogol NEN peezeweevre (=iemand die het altijd beter wil weten) (Lochristis)
  40. Da goapt link NEN oov' n (=Dat is toch vanzelfsprekend.) (Avelgems)
  41. da NEN uilskluut (=wat een dommerik!) (Machels (Zulte))
  42. da stekte in NEN hollen taand (=Een kleine portie te eten krijgen) (Turnhouts)
  43. da vaul nie op NEN blau stieen (=dit is kwetsend, beledigend) (Lokers)
  44. da was een scheet in een fles, da was een scheet in NEN netzak (=dat was hoegenaamd niets) (Sint-Niklaas)
  45. da's al ieënn mee NEN laaën boart (=een oude mop) (Kaprijks)
  46. Da's NEN diere spiëlman (=Hij hanteert hoge prijzen) (Bilzers)
  47. Da's NEN echte zjendijrm (=Dat is een bazige vrouw.) (Rillaars)
  48. Daa ie nogal NEN balkon (=Die heeft een grote boezem) (leuvens)
  49. daaj hèt gesloeëpe waaj NEN os (=zij heeft de ganse nacht gesnurkt) (Munsterbilzen - Minsters)
  50. daaj hèt NEN haon de kop aofgebiëte (=haar lippen zijn vuurrood geverfd) (Munsterbilzen - Minsters)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen