136 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Aken`
- geluk is de kunst een boeket te mAken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
- gewag mAken van (=verwijzen naar, melding maken van)
- goede sier mAken (=er (overdreven) goed van leven / goed overkomen bij anderen)
- hAken en ogen geven (=iets heeft veel moeilijkheden)
- harde noten krAken (=moeilijke tijden moeten doormaken)
- het erg bont mAken (=zich al te fel te buiten gaan)
- het iemand warm mAken (=iemand in moeilijkheden brengen)
- het lAken door het oog van de schaar halen. (=een deel voor jezelf houden.)
- het tafellAken doorsnijden (=alle bindingen met iemand verbreken)
- het uitmAken (=een relatie beëindigen)
- iemand beest mAken (=kaartspel : zorgen dat iemand geen enkele slag haalt)
- iemand blij mAken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooruitzicht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
- iemand een kopje kleiner mAken (=iemand vermoorden)
- iemand ergens voor warm mAken (=iemands interesse voor iets opwekken)
- iemand het hof mAken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te worden)
- iemand iets diets mAken (=iemand iets wijs maken)
- iemand kunnen mAken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
- iemand uitmAken voor rotte vis (=iemand uitschelden voor alles wat mooi en lelijk is)
- iemand van kant mAken (=iemand doden)
- iemand warm mAken (=iemands interesse opwekken)
- iemand zwart mAken (=lelijke dingen over iemand vertellen)
- iets soldaat mAken (=iets openmaken en helemaal opeten)
- in goede dorpen zijn/gerAken (=genoeg verdiend hebben om niet meer te hoeven werken)
- in het achterschip gerAken (=in zaken achteruit gaan)
- in zwang komen / rAken (=iets wordt een modeverschijnsel)
- je (te) sappel mAken (=je (te) druk over iets maken)
- je druk mAken over (=je kwaad maken om, je aantrekken van)
- je er met jantje-van-leiden afmAken (=onzorgvuldig zijn en weinig aandacht aan het werk besteden)
- je gal spuwen/uitbrAken (=iets afkeuren en dat duidelijk laten merken)
- je huiswerk mAken (=de liefde bedrijven)
- je kAken roeren. (=goed eten of praten.)
- je kan geen omelet mAken zonder eieren te breken (=soms moet men iets verliezen om een hoger doel te bereiken)
- je neus in andermans zAken steken (=zich bemoeien met zaken die je niet aangaan)
- je uit de voeten mAken (=maken dat men wegkomt)
- je van kant mAken (=zelfmoord plegen)
- kant noch wal rAken (=totale onzin zijn)
- Keulen en Aken zijn niet op een dag gebouwd (=grote projecten kosten tijd (en vergen geduld))
- kleine oorzAken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
- korte metten mAken (=doortastend optreden)
- korte rekeningen mAken lange vriendschappen. (=financiële geschillen moet je direct oplossen)
- krAkende wagens lopen/rijden het langst (=nieuw hoeft niet altijd beter te zijn / mensen die vaak ziek zijn worden vaak toch heel oud)
- kromme sprongen mAken (=alle moeite doen om zich uit een situatie te redden)
- kunnen mAken en breken (=er veel macht over hebben)
- lege kisten, mAken twisten. (=bij schaarste onstaat ruzie)
- mAken dat men wegkomt (=ervandoor gaan)
- mastiek mAken (=de dagelijkse schoonmaak verrichten)
- met de grond gelijk mAken (=totaal vernietigen)
- niet kunnen hard mAken (=niet kunnen bewijzen)
- niet van het ene brood tot het andere weten te gerAken (=niet rond kunnen komen)
- nooit troef verzAken (=overal bij zijn, altijd meedoen)
260 betekenissen bevatten `Aken`
- voor het inkoppen hebben (=een eenvoudige kans om in een discussie een punt te mAken dankzij een voorzet van een ander)
- over de schreef gaan (=een ernstige fout mAken)
- een steek laten vallen (=een fout mAken.)
- een wit voetje halen (=een goede indruk mAken bij de leider(s))
- hoge ogen gooien (=een goede kans mAken op iets)
- een slok op een borrel schelen (=een groot verschil mAken)
- op je bek gaan (=een grote fout mAken; afgaan)
- stukken maken (=een grote indruk mAken , veel kapot mAken)
- wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf (=een klein foutje, kan een groot geheel te schande mAken)
- belofte is een hemd der dwazen (=een nietszeggende belofte kan toch tijdelijk gelukkig mAken)
- een flater slaan (=een nogal domme fout mAken)
- bij Neck om naar Den Haag (=een onnodige omweg mAken)
- tegen het zere been schoppen (=een pijnlijke opmerking mAken over iets wat gevoelig ligt)
- een slecht figuur slaan (=een slechte indruk mAken)
- de lont in het kruit steken/werpen (=een uitbarsting veroorzAken)
- op het verkeerde paard wedden (=een verkeerde inschatting mAken)
- het kippenei grijpen en het ganzenei laten lopen (=een verkeerde keuze mAken)
- ziek of ziekenhuis? (=eind aan discussie mAken)
- er een kruisje bij zetten (=er attent op mAken)
- er een streep onder zetten (=er een eind aan mAken, ermee stoppen)
- er een potje van maken (=er een janboel van mAken)
- geen dag zonder zorgen (=er is altijd wel iets om je zorgen over te mAken.)
- in de knoop zitten (=er niet meer wijs uitrAken - van slag zijn)
- er koksgast van blijven (=er niets van krijgen , er geen vooruitgang mee mAken)
- je in allerlei bochten wringen (=er op alle mogelijke wijzen proberen onderuit te gerAken)
- van streek raken (=erg in de war door iets gerAken)
- iets in de vingers hebben (=ergens ervaring en deskundigheid over hebben opgebouwd, waardoor men met grote kwaliteit en zonder fouten te mAken, zich hiermee bezig kan houden)
- een vreemdeling in Jeruzalem zijn (=ergens niet bekend zijn met de gang van zAken of zich ergens niet thuis voelen)
- dat raakt mijn koude kleren niet (=ergens niets mee te mAken hebben en zich niet voor interesseren)
- niet op mijn weg liggen (=ergens niets mee te mAken hebben of niet mee willen bemoeien)
- de draak met iets steken (=ergens niets van geloven en er grapjes over mAken)
- aan iets blijven hangen (=ergens verstrikt in rAken, ermee bezig blijven)
- je hart vasthouden (=ernstig zorgen mAken, bang zijn dat het mis gaat)
- er over oordelen als een blinde over de kleuren (=erover oordelen zonder kennis van zAken)
- er de angel uittrekken (=ervoor zorgen dat iets minder gevaarlijk wordt door het meest gevaarlijke deel onschadelijk te mAken; iets minder pijnlijk mAken)
- leergeld betalen (=fouten mAken tijdens het leren)
- voor elkaar boksen (=gedaan krijgen, in orde mAken)
- waar de boom gevallen is, blijft hij liggen (=gedane zAken nemen geen keer)
- te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken (=geen kind meer, maar nog te jong voor volwassen zAken)
- pas op de plaats maken (=geen voortgang mAken. Geen groei of ontwikkeling doormAken)
- altijd de oude knecht blijven (=geen vorderingen mAken (ook geen achteruitgang))
- wie dan leeft, wie dan zorgt (=geen zorgen mAken over de toekomst)
- aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten mAken)
- de schapen scheren (=gemakkelijk grote winsten mAken)
- in de aanslag brengen (=gereedmAken)
- gestolen goed gedijt niet (=gestolen zAken brengen nooit voordeel)
- dood en verderf zaaien (=grote schade of vernietiging veroorzAken.)
- hij zal mijn koffer niet kruien (=hem zal ik mijn zAken niet toevertrouwen)
- wie wat bewaart, die heeft wat (=het bewaren van zAken kan op lange termijn voordelig blijken te zijn)
- schipbreuk lijden (=het niet tot zijn doel gerAken / mislukken)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen