Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

24 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `lijf`

  1. aan het lijf schieten (=haastig aantrekken (kleding))
  2. aan mijn lijf geen polonaise (=van mij moet je afblijven)
  3. al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding (=wie zich mooi aankleedt wordt daarmee zelf nog niet mooi)
  4. als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen (=dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd)
  5. blijf uit zijn kielwater of je raakt in zijn zog (=blijf uit zijn buurt, want je wordt er slechter van)
  6. de dood op het lijf jagen (=schrik aanjagen)
  7. de koorts/stuipen op het lijf jagen (=doen schrikken)
  8. de stuipen op het lijf jagen (=iemand felle schrik aanjagen)
  9. een rib(be) uit iemands lijf (=een grote uitgave)
  10. eens gezegd, blijft gezegd (=als iemand iets belooft moet die dat ook uitvoeren)
  11. er blijft veel aan maat en strijkstok hangen (=lang niet alles komt op zijn plaats terecht)
  12. Eten en drinken houdt lijf en ziel bijeen. (=Eten en drinken blijven levensbehoeften.)
  13. geen droge draad aan het lijf hebben (=totaal nat geregend zijn (soms ook : door en door bezweet))
  14. geen hart in het lijf hebben (=geen greintje medelijden kennen)
  15. geen hemd aan het lijf hebben (=naakt of erg arm zijn)
  16. handen aan het lijf hebben (=goed kunnen werken)
  17. het vege lijf redden (=vluchten, er snel vandoor gaan)
  18. iemand de stuipen op het lijf jagen (=iemand erg laten schrikken en/of bang maken)
  19. iemand het hemd van het lijf vragen (=erg nieuwsgierig zijn en alles van iemand proberen te vragen)
  20. niets om het lijf hebben (=niets betekenen, geen waarde hebben)
  21. schoenmaker blijf bij je leest (=hou je niet bezig met dingen waar je niets van weet)
  22. van koper blijf je proper en van ijzer word je niks wijzer (=koper is veel waard, ijzer niet)
  23. waar de boom gevallen is, blijft hij liggen (=gedane zaken nemen geen keer)
  24. zich van het lijf houden (=van zich afhouden, niet aanvaarden)

16 betekenissen bevatten `lijf`

  1. botten blijven platvis (=als je dom bent dan blijf je dat)
  2. kalmte zal je redden (=als je rustig blijft gaan de dingen beter)
  3. de kruik gaat zo lang te water tot ze barst/breekt (=als men steeds risico's blijft nemen, gaat het een keer mis)
  4. Wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=Blijf altijd aandachtig en geconcentreerd)
  5. blijf uit zijn kielwater of je raakt in zijn zog (=blijf uit zijn buurt, want je wordt er slechter van)
  6. ars longo vita brevis (=de kunst blijft lang en het leven is kort)
  7. rijd voort maar zie om (=doe verder maar blijf opletten)
  8. rijd voort voerman maar zie om (=doe verder maar blijf wel opletten)
  9. eerlijk duurt het langst (=een leugen komt op den duur altijd uit, maar de waarheid blijft altijd waar)
  10. het is zo lang als het breed is (=het blijft hetzelfde, hoe je het ook bekijkt)
  11. het onweer is niet van de lucht (=iets dat steeds blijft doorgaan of iemand die telkens weer kwaad tekeer gaat)
  12. ik ben geen uithangbord (=ik heb meer te doen, ik blijf niet wachten/zo staan)
  13. de aanhouder wint (=je wint als je maar lang genoeg blijft proberen)
  14. duren is een mooie stad (=nu is het goed, maar blijft dat zo?)
  15. naar de bar(re)biesjes gaan (=totaal verloren gaan zonder dat er iets van overblijft (bijv. een schip dat vergaat))
  16. De paarden die de haver verdienen, krijgen ze niet. (=Verdienste blijft vaak onbeloond)

Het dialectenwoordenboek kent 45 spreekwoorden met `lijf`

  1. Zottegems: ei stinkt gelijk de peste (=iemand met een lijfgeur)
  2. Bilzers: noenk dae stoenk totte werd vergoenk (=zijn lijfgeur was niet te harden)
  3. Munsterbilzen - Minsters: èn Eek steed e pëtsje mèt zeek bau de kèster zen koskes èn week (=lijflied van de Ekerboeren)
  4. Westerkwartiers: pomp'n of verzuup'n (=vechten voor lijfsbehoud)
  5. Sint-Niklaas: das mè lijflieken (=dat is mijn favoriet liedje)
  6. Sint-Niklaas: e lijfstuk (=lied dat men boven alle andere verkiest)
  7. Bilzers: blijf van mich aof (=blijf van mijn lijf)
  8. Sint-Laureins: iemand ten kandeele gaan (=iemand te lijf gaan)
  9. Munsterbilzen - Minsters: laud èn zen praaj jaoge (='n kogel in zijn lijf schieten)
  10. Zottegems: snokken krijgen (=elektriciteit op het lijf krijgen)
  11. Bilzers: met zene gieles schare (=met je lijf pakken)
  12. Westerkwartiers: de pokkel dut mie zeer (=mijn lijf doet zeer)
  13. Munsterbilzen - Minsters: èn zene flikker (=in zijn bloot lijf)
  14. Munsterbilzen - Minsters: iemes den daover oppet lijf jaoge (=iemand de stuipen op het lijf jagen)
  15. Weerts: eemes de peerike oet zien naas haale (=Iemand het hemd van het lijf vragen)
  16. Zwols: an mien lief gien polonaise (=aan mijn lijf geen polonaise)
  17. Bilzers: zich de been onder et lijf autloope (=zeer hard lopen)
  18. Munsterbilzen - Minsters: iemes de peirenge autte naos haole (=iemand het hemd van het lijf vragen)
  19. Bilzers: de paute vanonder ze lijf lope (=het kan niet snel genoeg)
  20. Walshoutems: De antroase oep zè lijf hêbbe (=Heel veel angst hebben)
  21. Oudenbosch: da zulde wel uit oew lijf laote (=durf dat eens te doen)
  22. Munsterbilzen - Minsters: de bibberebitsjes hebbe (=de daver op zijn lijf hebben)
  23. Bilzers: zen been vanonder ze lijf lope (=alle moeite doen)
  24. Merenaars: 't es on zè lijf gegoten (='t is juist gepast)
  25. Waregems: te kandeêle (te keeëre) goan (=te lijf gaan, met geweld onder handen nemen)
  26. Wetters: 't duumanneken lupt over mijn lijf (=een plotse rilling)
  27. Munsterbilzen - Minsters: zen hat autze lijf braoke (kotse) (=vreselijk overgeven)
  28. Bilzers: hae ho(ch) den daover op ze lijf (=hij beefde van de schrik)
  29. Munsterbilzen - Minsters: dae zit mét de bibberebitsjes op ze lijf (=hij zit met hevige angsten)
  30. Munsterbilzen - Minsters: dassen rib aut me lijf (=dat kost me een vermogen)
  31. Bilzers: Wae n vroo trouwt vért lijf, behûltet lijf mér verlieset wijf (=laat je niet verlijden door uiterlijke schoonheid)
  32. Lokers: Gij moakt van ou lijf 'n spoelkuipe (=Tegen een veelvraat zegt men)
  33. Munsterbilzen - Minsters: mètten doaver opze lijf zitte (=bang zijn)
  34. Lochristis: ee luept mee de duoe op zijn lijf (=hij ziet er heel ziek uit)
  35. Munsterbilzen - Minsters: zen ziel aut ze lijf lope (=lopen alsof je leven ervan afhangt)
  36. Bilzers: liëg lijf, liëge kop (=hoe bloter het beest, des te lager de geest)
  37. Geels: dieje is oonder zich oawet, diej hee balle oan zen lijf (=hij is niet op zijn mondje gevallen)
  38. Sint-Niklaas: de benen van onder zè lijf (gat) lopen (=zeer veel moeite doen voor iets)
  39. Munsterbilzen - Minsters: iemes et himme vannet lijf vroëge (=alles willen weten van iemand)
  40. Munsterbilzen - Minsters: da hèt nie vieël ummet lijf (=dat is bijna zonder waarde)
  41. Geels: dieje hee poewete oonder ze lijf (=hij kan goed werken)
  42. Lochristis: Moe ge doarveur ne kop op ou lijf hebben (=Je verstand niet gebruiken)
  43. Heezers: wie ut wijf trouw om ut lijf,verliest ut lijf,mer haawt ut wijf (=als je met een mooie vrouw ,gaat het mooie er af en blijft er alleen een vrouw over)
  44. Bilzers: dê hét de bibberebitsjes op ze lijf (=man, heeft die de schrik te pakken)
  45. Heezers: wie ut wijf trouw om ut lijf,verliest ut lijf,mer haawt ut wijf (=wie een mooie vrouw trouwd is het mooie er vlug af enblijft alleen de vrouw over)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen