Spreekwoorden met `oen`

Zoek


147 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `oen`

  1. aan de ene voet een schoen, de ander blootvoets (=evenwicht is voornaamst)
  2. aan de groene tafel zitten (=bestuurslid zijn)
  3. aan de hand doen (=bezorgen)
  4. aan kant doen (=opruimen)
  5. al doende leert men (=door iets vaak te doen, leert men hoe het moet.)
  6. alle heilige huisjes aandoen (=alle cafés onderweg bezoeken)
  7. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  8. appelen/knollen voor citroenen verkopen (=oplichten, bedriegen)
  9. appels voor citroenen verkopen (=iemand oplichten.)
  10. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  11. daar wringt de schoen (=weten waar het probleem zit)
  12. dat zal je de dood niet aandoen (=iets is niet zo erg is als het lijkt)
  13. de dampen aandoen (=pesten)
  14. de das omdoen (=iets dat problemen geeft)
  15. de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
  16. de handschoen opnemen (=het gevecht aangaan)
  17. de haren ten berge (doen) rijzen (=ergens erg van (doen) schrikken)
  18. de lever doen schudden (=doen schaterlachen)
  19. de manchetten aandoen (=boeien aandoen)
  20. de moed in de schoenen doen zinken (=wanhopig worden en de moed verliezen)
  21. de nieuwe mens aandoen (=zijn gewoonten en zeden verbeteren)
  22. de paternosters aandoen (=boeien aandoen)
  23. de stoute schoenen aantrekken (=iets doen wat moed vergt. (`stout` in de oude betekenis van `dapper`))
  24. de stoute schoenen aantrekken. (=een uitdaging aangaan)
  25. de strop om de hals doen (=iemand in uiterste problemen brengen)
  26. de tafel eer aandoen (=goed en veel eten)
  27. de voorsten doen wat de achtersten niet mogen (=wie eerst komt is in het voordeel)
  28. denken met kousen en schoenen in de hemel te komen (=denken dat men zich niet moet inspannen)
  29. denkt aleer gij doende zijt en doende denkt dan nog. (Guido Gezelle) (=maak een plan alvorens ergens aan te beginnen, en stel tijdens de activiteit het plan bij indien nodig)
  30. dik doen (=opscheppen)
  31. doen alsof je neus bloedt (=doen alsof je van niets weet)
  32. doen is een ding. (=praten of plannen maken is gemakkelijk gedaan, daadwerkelijk actie ondernemen is veel moeilijker)
  33. een blind paard zou er geen schade doen (=een armoedig interieur)
  34. een dronkemansgebed doen (=het geld natellen (als het zo goed als op is))
  35. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  36. een goed woord voor iemand doen (=iemand bij een ander aanbevelen)
  37. een groene Kerstmis een witte Pasen. (=als Kerst warm is wordt Pasen koud)
  38. een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
  39. een Keulse reis doen (=heel lang wegblijven)
  40. een kind kan de was doen (=het gaat heel makkelijk)
  41. een knuppel in het hoenderhok gooien (=opschudding veroorzaken)
  42. een loodje in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren)
  43. een oude bok lust nog wel een jong/groen blaadje (=een oude man is nog wel seksueel geïnteresseerd in een jong meisje)
  44. een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
  45. een reef in het zeil doen (=besnoeien in de uitgaven, bezuinigen)
  46. een tien met een griffel en een zoen van de juffrouw (=in de volksmond: De beste beloning voor een 19e eeuws schoolkind)
  47. een tukje doen (=een kort middagslaapje)
  48. een vlek op het blazoen (=een smet op de reputatie.)
  49. er een gooi naar doen (=een kans wagen of iets proberen te raden)
  50. er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is)

290 betekenissen bevatten `oen`

  1. in de as leggen (=(doen) afbranden)
  2. naar iemands pijpen dansen (=(onderdanig) alles doen wat iemand vraagt)
  3. een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
  4. iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te worden)
  5. je snor drukken (=afwezig blijven / zijn werk niet doen)
  6. je vergalopperen (=al te snel iets willen doen)
  7. in de kiem smoren (=al van bij het begin doen stoppen)
  8. kromme sprongen maken (=alle moeite doen om zich uit een situatie te redden)
  9. de wereld op zijn duim kunnen draaien (=alles doen wat iemand wil)
  10. zo vrij als een vogeltje in de lucht (=alles kunnen doen en laten wat iemand wil)
  11. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  12. een oude rot in het vak (zijn) (=alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen)
  13. als de herder dwaalt dolen de schapen (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten)
  14. als de kat van honk is dansen de muizen op tafel (=als er geen toezicht is, doen de ondergeschikten hun zin)
  15. als honden konden bidden zou het kluiven regenen (=als is een niet ter zake doende opmerking)
  16. wie scheep is moet varen (=als je ergens aan begonnen bent moet je er mee voortdoen)
  17. mejen kan geen paard al lopende beslaan. (=als je het werk goed wil doen, moet je er de tijd voor nemen)
  18. uitstel is geen afstel (=als je iets uitstelt wil dat nog niet zeggen dat je het nooit meer gaat doen)
  19. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  20. semper virens (=altijd groen)
  21. om kaneelwater lopen (=beuzelwerk doen - van het kastje naar de muur gestuurd worden)
  22. doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. (=blijf vooral normaal doen)
  23. de paternosters aandoen (=boeien aandoen)
  24. de manchetten aandoen (=boeien aandoen)
  25. elk zijn meug, zei de boer en hij at paardenkeutels in plaats van vijgen. (=boeren zijn koppige mensen die hun eigen zin doen)
  26. dat kan het paard niet trekken. (=daar heb ik onvoldoende geld voor)
  27. dat kan al het water van de zee niet afwassen (=daar is niets aan te doen - dat kan je niet wegpraten)
  28. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  29. alle zeilen bijzetten (=de uiterste best doen om iets toch te bereiken)
  30. je schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orde hebben of voldoende hebben om niet meer te hoeven werken)
  31. zwijgen en denken zal niemand krenken. (=denk na voor je iets zegt wat pijn kan doen)
  32. een harde noot kraken (=dingen bespreken die moeilijk liggen, een moeilijk karwei doen)
  33. moet is een bitter kruid. (=dingen die men moet doen kunnen onaangenaam of vervelend zijn.)
  34. schijn bedriegt (=dingen zijn niet altijd zoals ze zich voordoen)
  35. de tijd vliet snel gebruik hem wel (=doe wat je moet doen, terwijl je nog kan)
  36. de kop in het zand steken (=doen alsof er geen gevaar dreigt en er niets aan doen)
  37. Oost-Indisch doof zijn (=doen alsof er niets gehoord wordt)
  38. iemand links laten liggen (=doen alsof iemand er niet is, niet bemoeien met iemand)
  39. je kop in het zand steken (=doen alsof iets (een probleem) er niet is)
  40. je ogen voor iets sluiten (=doen alsof iets er niet is)
  41. een hoge toon aanslaan (=doen alsof je het voor het zeggen hebt / luid en dwingend spreken)
  42. zwoerd achter je oren hebben. (=doen alsof je iets niet hoort.)
  43. doen alsof je neus bloedt (=doen alsof je van niets weet)
  44. je handen in onschuld wassen (=doen alsof men geen schuld heeft)
  45. je van de domme houden (=doen alsof men van niets weet)
  46. uit de lucht komen vallen (=doen alsof men van niets weet / erg plotseling en onverwacht)
  47. het rijk alleen hebben (=doen en laten wat je wil)
  48. de bezem uitsteken (=doen en laten wat men wil als de baas of leidinggevende er niet is)
  49. de ogen openen (=doen inzien)
  50. onder het oog brengen (=doen opmerken)

29 dialectgezegden bevatten `oen`

  1. 't es katte oen gèubelle (=het regent hard) (Hals)
  2. Ben ie op oen achterheufd evallen (=Ben jij gek) (Hoogeveens)
  3. broekoarig oen (=broedse kip (of erg dweperige dame) ) (Zeeuws)
  4. Daane kan er e pansjken oen hange (=Die kan zeveren) (Hals)
  5. Doet oen dink (=Doe je ding) (Hoogeveens)
  6. ei èèt zen oer gekamd oen de grille van 't park (=kammen) (Hals)
  7. ei jeit tspek oen zaan kluute of oen z'n biene (=hij is de pineut) (Brussels)
  8. emand een uur oen noen (=iemand iets wijs make) (Hals)
  9. en naa oen aa! (=Wat heb je daar tegen in te brengen?) (Brussels)
  10. Gaot oen gaank (=Ga je gang) (Hoogeveens)
  11. ge moet joen mulle oen hi (=ge moet zwijgen gij) (Werviks)
  12. hae hèt gene naogel mei vër oën zen K te krabbe (=de timmerman legt er het bijltje bij neer) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. het kraud was oên de diêr èn (=het onkruid groeit er praktisch aan de voordeur in) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. Hol oen kop (=Hou je stil) (Hoogeveens)
  15. Ie hebt oen zakies goed veur mekare. (=Jij hebt je zaakjes goed voor elkaar.) (Sallands)
  16. ie liekt persies op oen vaa (=jij lijkt precies op je vader) (Sallands)
  17. ij iet de pijp oen den ette gegeive (=gestorven) (Lembeeks)
  18. je liekend wè een broesiek oen (=je ziet er beroerd uit) (Zeeuws)
  19. nao den oen gon ich nog en urke knikke (=na het middagmaal ga ik nog een hazenslaapje doen) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. ne kuil ou uu'e oen (=Een hoop oude hoge hoeden) (Deinzes)
  21. oen (d) s die basn bietn nie (=blaffende honden bijten niet) (Veurns)
  22. oên de pin lekke (=het onderspit delven, verliezen) (Munsterbilzen - Minsters)
  23. Op oen balg kriegen (=Op je donder krijgen) (Hoogeveens)
  24. péimel (=een mot mè-j-è karnavalkostum oën) (Dendermonds)
  25. réide (=is attait te vinne aster op oën komt) (Dendermonds)
  26. Waat ‘n votlaok (=Wat een oen) (Roggels)
  27. Waor hej oen verstaand (=Waar heb je je verstand) (Hoogeveens)
  28. Wat een dofferd (=Wat een oen) (Hoogeveens)
  29. zwarte schole oen (zwarte school houden) (=schunnige moppen tappen) (West-Vlaams)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen