Spreekwoorden met `bro`

Zoek


73 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `bro`

  1. aan zijn broek krijgen (=ermee opgescheept worden)
  2. als de boter duur wordt, leert men het brood droog eten. (=als het niet anders kan, is men ook met minder tevreden.)
  3. als het geen broertje is dan is het een zusje. (=het is één of het ander)
  4. als warme broodjes over de toonbank gaan (=zeer goed verkopen)
  5. altijd brood eten verdriet ook. (=een mens wil ook eens een verzetje.)
  6. bakkerskinderen eten oud brood. (=aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  7. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  8. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. (=bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  9. boter op je hoofd smeren en droog brood eten. (=in de war zijn.)
  10. broodnodig (=onmisbaar)
  11. daar lusten de honden geen brood van. (=het is volstrekt onacceptabel)
  12. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  13. de broek lappen en het garen toegeven (=er veel verlies aan overhouden)
  14. de broodkorf hoger hangen. (=bezuinigen)
  15. de broodkruimels steken hem (=hij kan de welstand niet dragen)
  16. de buikriem/broekriem aanhalen (=spaarzamer worden)
  17. de een z`n dood is een ander z`n brood (=wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van)
  18. de kaas niet van het brood laten eten (=de voordelen niet zomaar laten afpakken)
  19. de kunst gaat om brood (=een kunstenaar verdient moeizaam z`n brood)
  20. de mens zal bij brood alleen niet leven. (=een mens heeft niet alleen lichamelijke maar ook geestelijke behoeftes.)
  21. droog brood eten (=zuinig moeten zijn, financieel slecht gaan)
  22. dun door de broek lopen. (=als iets niet mee zal vallen)
  23. een brok in de keel krijgen (=emotioneel aangedaan zijn)
  24. een broodje aap (=een verzonnen verhaal dat als waarheid wordt verspreid.)
  25. een kruimeltje is ook brood (=wees gelukkig met wat je hebt)
  26. een mens moet werken voor de brok en voor de rok. (=je moet werken om te kunnen eten en kleding te kunnen kopen.)
  27. een mier in de broek hebben (=ongeduldig zijn)
  28. een morse muur is snel afgebroken (=een slechte zaak gaat niet lang mee)
  29. een nieuwe bron aanboren (=een nieuwe manier vinden om iets te krijgen)
  30. een profeet die brood eet (=iemand die waardeloze voorspellingen doet)
  31. een te grote broek aantrekken (=een doel stellen waarvoor je niet de benodigde middelen hebt)
  32. er een broertje aan dood hebben (=er een hekel aan hebben)
  33. er geen brood in zien (=niet denken dat iets kan werken)
  34. gegeven brokken zijn gauw gegeten. (=weldadigheid gaat meestal niet ver.)
  35. genadebrood eten (=door anderen onderhouden worden)
  36. handen in de schoot geeft geen brood. (=als je niets doet verdien je ook niets)
  37. het beste brood ligt voor het venster. (=wat je ziet is niet per se wat je krijgt)
  38. het bier is niet voor de ganzen gebrouwen. (=niet iets verspillen aan degenen die het niet waarderen)
  39. het een eind uit de broek laten hangen (=royaal zijn)
  40. het eet geen brood (=het kost niets om het te bewaren, behoeft geen onderhoud)
  41. het ijs breken / het ijs is gebroken (=een vriendelijk gesprek op gang brengen na een kil begin)
  42. het in zijn broek doen (=in de broek plassen van schrik of van het lachen)
  43. het is broekzak-vestzak. (=er wordt betaald, maar het geld blijft bij dezelfde kliek)
  44. het is een hopje in een brouwketel (=het is zo goed als niets)
  45. het is zusje en broertje (=het is zo ongeveer hetzelfde)
  46. iemand achter de broek/veren/vodden zitten (=iemand aansporen/opjagen / nauwlettend volgen)
  47. iemand de brokken in de mond tellen (=iemand iets helemaal niet gunnen)
  48. iemand een veer in de broek/kont steken (=iemand complimenteren of prijzen)
  49. iemand het brood uit de mond nemen/stoten (=iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunnen voorzien)
  50. iemand iets op zijn brood geven (=iemand onvriendelijk iets verwijten)

11 betekenissen bevatten `bro`

  1. men moet de schapen scheren maar niet villen (=als men uit hebberigheid de inkomstenbron opoffert heeft men niets meer voor in de toekomst)
  2. aan het laatje zitten (=bij de bron zitten / geld hebben)
  3. een doos van Pandora zijn (=een bron van problemen, ellende, ziekte en misère zijn)
  4. een handwerk heeft een gouden bodem (=een goed vakman verdient altijd zijn brood)
  5. de kunst gaat om brood (=een kunstenaar verdient moeizaam z`n brood)
  6. water in je kelder hebben (staan) (=een te korte broek aanhebben)
  7. het in zijn broek doen (=in de broek plassen van schrik of van het lachen)
  8. aan een stuk door (=ononderbroken)
  9. het staat geschreven en gedrukt je moet krabben waar het jeukt (=problemen bij de bron aanpakken)
  10. een kruisje is genoeg voor een boterham uit het vuistje (=voor een gewone broodmaaltijd moet niet te veel gebeden worden)
  11. in mei leggen alle vogels een ei (=weerspreuk: aanduiding dat in mei het broedseizoen begint)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen