39 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Wind`
- alle havens schutten geen Wind (=niet alles levert een voordeel op)
- alle havens schutten Wind (=als je meedoet deel je mee in de winsten)
- alle molens vangen Wind. (=iedereen die meedoet zal een deel van de opbrengst opeisen)
- alle Winden hebben hun weerWinden. (=soms zit het mee, soms zit het tegen)
- dat zal hem geen Windeieren hebben gelegd (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben)
- de huik naar de Wind hangen (=meeheulen - altijd andermans standpunt volgen)
- de mantel naar de Wind hangen (=steeds de opinie van de anderen volgen)
- de Wind eronder hebben (=de ondergeschikten hebben angst)
- de Wind in de zeilen hebben (=voorspoed hebben)
- de Wind niet door de hekken laten waaien (=elke gelegenheid te baat nemen)
- de Wind van voren krijgen (=kritiek krijgen, direct gezegd worden wat er mis is)
- de Wind waait uit die hoek (=een mening van iemand uit een bepaalde groep/partij)
- de Wind waait uit een andere hoek (=de meningen/omstandigheden zijn veranderd)
- een rak in de Wind (=met veel werk langzaam vooruit komen (een lang recht stuk tegenwind zeilen))
- elke bos stro waait voor de Wind (=onder makkelijke omstandigheden kan iedereen welvaren of iets uitvoeren)
- er de Wind onder hebben (=de schrik erin hebben zitten bij ondergeschikten)
- er geen doekjes om Winden (=de waarheid onverbloemd vertellen)
- Haagse Wind (=bluf)
- het gaat hem/haar voor de Wind (=hij/zij heeft geluk)
- het is een kwade Wind die niemand voordeel brengt (=er is altijd wel iemand die van de omstandigheden weet te profiteren)
- het staal wordt in de Wind gehard. (=moeilijkheden en tegenslagen kunnen je sterker maken)
- hoge bomen/masten vangen veel Wind (=in een hoge positie heeft men ook veel verantwoordelijkheid)
- iemand de Wind uit de zeilen nemen (=iemand dwars zitten)
- iemand om zijn vinger (kunnen) Winden (=alles van iemand gedaan (kunnen) krijgen of alles mogen)
- iets in de Wind slaan (=naar een advies niet naar luisteren)
- je huik naar de Wind hangen (=zijn mening aanpassen naargelang de situatie)
- met alle Winden draaien (=altijd iedereen gelijk geven)
- met alle Winden meedraaien (=altijd iedereen gelijk geven)
- met alle Winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
- niet alle Winden schudden noten af. (=succes is niet altijd gegarandeerd)
- niet van de Wind kunnen leven (=moeten werken om alles te kunnen betalen)
- om de vinger Winden (=er gemakkelijk baas over worden)
- pluimen in de Wind waaien (=iets doen zonder na te denken)
- tegen Windmolens vechten (=tegen irreëele gevaren/zaken vechten)
- voor de Wind gaan (=voorspoed hebben)
- voor de Wind is het goed zeilen (=onder gunstige omstandigheden is het gemakkelijker succes te hebben)
- weten uit welke hoek de Wind waait (=weten hoe het in elkaar zit, wie de baas is)
- wie Wind zaait zal storm oogsten (=wie kwaad doet, zal er uiteindelijk zelf de gevolgen van dragen)
- zo de Wind waait, waait zijn jasje (=iemand zonder principes, die zonder eigen mening anderen naar de mond praat)
5 betekenissen bevatten `Wind`
- overstag raken (=de Wind van voren krijgen)
- er een laten vliegen (=een Wind laten)
- er loopt hem een luis over de lever (=hij Windt zich al over het minste op)
- zuidwest, regennest. (=met een zuidwesten Wind komt vaak regen)
- een rak in de wind (=met veel werk langzaam vooruit komen (een lang recht stuk tegenWind zeilen))
50 dialectgezegden bevatten `Wind`
- 'Et is kwalek male mit Wind van gustere. (=Achteraf praten is zinloos.) (Zaans)
- a gene sjnelle wingk. (WT) (=Bij de gure Wind) (Mechels (NL))
- a gene sjnelle wink. (WT) (=bij de gure Wind) (limburgs)
- ade nie te haug vlig, kan ook nie leig valle (=hoge bomen vangen veel Wind) (Munsterbilzen - Minsters)
- As sweenters de wiend uut Pruuse kumt dan gút 't vrieze (=Als 's winters de Wind uit het oosten komt dan krijgen we vorst.) (Wells)
- aste zene kop boëven aut stiks, sjiete ze trop (=hoge bomen vangen veel Wind) (Munsterbilzen - Minsters)
- bameswere (St Baafsmis in oktober) (=regen, Wind en koud) (Veurns)
- bau vieël zon ès, ès ook vieël kielësjoj (=hoge bomen vangen veel Wind) (Munsterbilzen - Minsters)
- Beter in de wiede wereld dan in een nauw gat (=Een Wind laten) (Giethoorns)
- Beter in de wiede wêreld dan in zoe een klèèn buuksje (=Ik heb een luide Wind gelaten) (Nieuwpoorts)
- Bloës mèr nie zoe hauch van den toën (=hoge bomen vangen veel Wind) (Munsterbilzen - Minsters)
- boaz'n krieg'n veul aanmaark'ns (=hoge bomen vangen veel Wind) (Westerkwartiers)
- D'r uut met de zessendatteg. (=Laat die Wind maar vliegen.) (Aaltens)
- de boeërne vrou es doeë (=de Wind huilt) (Ninoofs)
- De locht stinkt, ' t za stront regenen. (=Wordt smalend gezegd, nadat iemand een onwelriekende Wind heeft gelaten.) (Aalsters)
- De wèind van vurre krijgen (=De Wind van voren krijgen) (Valkenswaards)
- de weint keump van boven (=de Wind komt uit het zuiden) (Boorsems)
- de weint keump van onger (=de Wind komt uit het noorden) (Boorsems)
- de wènd flèt rond zën aure (=de Wind blaast hard) (Munsterbilzen - Minsters)
- de wènd hèt lëlëk hausgehaage (=de Wind is lelijk tekeer gegaan) (Munsterbilzen - Minsters)
- de wènd kump van aut 't raengerkoet (=de Wind komt van uit het westen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de wènd kump wit autët verkeirde koet (=de Wind blaast zeer koud uit het noorden) (Munsterbilzen - Minsters)
- de wènd mèt hëbbë (=voorspoed kennen, de Wind in het voordeel hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- de wiend van veur kriége (=de Wind van voren krijgen) (Wells)
- de Wind dr onder (=goed in de hand hebben) (Zeeuws)
- de Wind van voren krijgen (=op je nummer gezet worden) (Graauws)
- De Wind zit omhoog (=Bij noord, noord-oost of oostenWind) (Bevers)
- De Wind zit omlieëg (=Bij zuid, zuidwest of zuidoosten Wind) (Bevers)
- den aonhaager wént, de broekesjijter stink (=de aanhouder wint, de lafaard laat Wind) (Bilzers)
- der ei iëne in zaaine vinger gesneeje (=iemand heeeft een Wind gelaten) (Antwerps)
- die gaodaart bij wiend mee (=Wind mee voor iemand op de fiets met flaporen) (Oudenbosch)
- die’t ieëst geriekt, zijn olleken piept (=iemand heeft een Wind gelaten) (Kaprijks)
- doeëit 't zònger Wind of raege, kumpt mè d'r winter wir hieël gaw taege (=als het dooit zonder Wind of regen, komt de winter heel snel terug) (wijlres)
- draeë waaj ne wèndhaon (=met de Wind meedraaien (fig.) ) (Munsterbilzen - Minsters)
- dreijende wink is stande waer (=als de Wind op de dag vaak draait, dan blijft het meestal vast weer) (Sevenums)
- dunne Wind (=koude Wind op een zonnige dag) (Koersels)
- een skeete loat'n (=een Wind laten) (Kortrijks)
- een weekmeere mee 'n teste zop (=Een waterige Wind (scheet) laten) (Evergems)
- ei gait mit de fok teloevert uit (=het gaat hem voor de Wind) (Volendams)
- ei uut n dulf efrete n (=iemand heeft een stink Wind gelaten) (Zeeuws)
- ei zaalt mit de fok te loevert öt (=hij zeilt voor de Wind) (Volendams)
- Eine laote vlege (=Een Wind laten) (Gelaens (Geleens))
- Ej i je kloat'n gekapt / Ej je petat'n uphoogt (=heb jij een Wind gelaten) (west-vlaams)
- ene loate vliegen (=een Wind laten) (Sint-Niklaas)
- ët jig haaj fël (=de Wind waait hier hard) (Munsterbilzen - Minsters)
- geven: Ze geve' veel Wind (=Ze voorspellen veel Wind) (Lebbeeks)
- gin loovige wiend (=geen Wind) (Veurns)
- gin loviejge wiend (=geen Wind) (Veurns)
- Gotj me da kintj eut de wintj of 't wetj blintj (=ga met dat kind uit de Wind of het wordt blind) (Hals)
- hae ho (ch) nie slaech geboerd (=het ging hem duidelijk voor de Wind) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen