Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


15 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zwart`

  1. daar komt de zwarte kat in (=daar komt ruzie van)
  2. de pot verwijt de ketel dat die zwart ziet (=een ander aanwijzen als schuldige, terwijl die zelf hetzelfde gedaan heeft)
  3. de zwartepiet doorspelen naar (=de schuld doorschuiven)
  4. de zwartepiet krijgen (=de schuld krijgen)
  5. een zwarte kat krabt niet. (=je moet je niet laten leiden door je angsten.)
  6. het zwart op wit hebben (=in geschreven of gedrukte vorm. Gedocumenteerd.)
  7. het zwarte schaap van de familie (=iemand die een beetje buiten de familie staat qua gedrag)
  8. iemand de zwartepiet toespelen. (=iemand benadelen.)
  9. iemand met een zwarte kool tekenen (=iemand erg ongunstig voorstellen)
  10. iemand zwart maken (=lelijke dingen over iemand vertellen)
  11. iets zwart op wit hebben (=het op papier hebben staan)
  12. met een zwarte kool aangetekend staan (=ongunstig bekend staan)
  13. op zwart zaad zitten (=geen geld hebben)
  14. zo zwart zien als een moor (=bijzonder zwart zien)
  15. zwart van de honger (=uiterst hongerig)

4 betekenissen bevatten `zwart`

  1. zo zwart zien als een moor (=bijzonder zwart zien)
  2. een Egyptische duisternis (=een inktzwarte duisternis)
  3. de kop van jut (=het slachtoffer, het zwart schaap)
  4. rouwranden aan zijn nagels hebben (=zwarte randjes onder vingernagels hebben)

Het dialectenwoordenboek kent 60 spreekwoorden met `zwart`

  1. Giesbaargs: zwartekisj van sjina (=ongelooflijk)
  2. Lokers: ij zie zue zwart as meurkes klueten (=heel erg zwarte of vuile persoon)
  3. Bocholtz: schwoap (=grote zwarte kever)
  4. Zwartebroeks: doe's kuum (=doe is rustig)
  5. Klemskerks: zwarte school' (h)oedn: in gezelschap vuilbekken, vunzige praat vertellen. Ook vuilemuilen. (=zwarte school houden)
  6. Duffels: e zwèt schaup (=een zwart schaap)
  7. Harelbeeks: Ie weirk in deuk (=Hij is een zwart werker)
  8. Westerkwartiers: kiek niet zo tuustereg (=kijk niet zo zwart)
  9. Budels: over de nui scharen (=op zwart zaad zitten)
  10. Dilbeeks: zoe zwèt as oelle (=zo zwart als steenkool)
  11. West-Vlaams: zwarte schole oen (zwarte school houden) (=schunnige moppen tappen)
  12. Sint-Niklaas: pietaljeir (=zwarte ceremoniejas met slip)
  13. Langemarks: zo zwort lik mollegesklwoten (=zo zwart als een moor)
  14. Graauws: zo zwart as moorken zijn kloten (=vies)
  15. Zwartebroeks: 't Regent neindig (=Het regent hard)
  16. Zwartebroeks: de boel laote v'rslorre (=de zaak verwaarlozen)
  17. Weerts: Hae hieët ziêne nest beschieëte (=Het zwarte schaap in de familie)
  18. Zwartebroeks: 't Zit in 't soort (=Dat is zijn aard)
  19. Zwartebroeks: een heêle kwak (=nogal veel)
  20. Moorsel: 'Nond opgeetn emmen (=de schuldenbok/het zwarte schaap zijn)
  21. Munsterbilzen - Minsters: de stoeëf potlaute (=de kachel zwart poeleren)
  22. Munsterbilzen - Minsters: iemed dêr de stront trèkke (=iemand zwart maken)
  23. Sint-Katelijne-Waver: Zwétte snie zien (=zwarte sneeuw zien)
  24. Londerzeels: Wut pjeit zwet pjeit(snel achter mekaar zeggen was een spelletje (=Wit paard zwart paard)
  25. Munsterbilzen - Minsters: van braud wieëste graut, van mik wieëste dik (=zwart brood is gezonder dan wit)
  26. Ostêns: 't go mollejoengn reegn, mollejoeng braakn (=de lucht wordt zwart en het zal hevig regenen)
  27. Munsterbilzen - Minsters: hae hoel aanes gene frang iëver (=de huisschilder werkte alléén maar in het zwart)
  28. Kinrooi: De weurs zelf neet wit door angere zwart te make! (=Je wordt zelf niet wit door anderen zwart te maken!)
  29. Zwartebroeks: Krek pas - heuj op, koe doôd (=Dat komt goed uit)
  30. Zwartebroeks: Wie aalste krek kiekt kan nog gien geit holle (=niet te precies kijken)
  31. Hansbeeks: zue zwart of moorkens kluetn (=heel vuil)
  32. Zunderts: zo zwart als oske pek (=heel vuil zijn)
  33. Helmonds: Zau zwart as unne klot (=Zo smerig als wat)
  34. Opglabbeeks: zu zwart wienen turk (=erg vuil zijn)
  35. Westfries: Tussen dut en dat is ôk nag wat! (=Bekijk het niet zo zwart-wit!)
  36. Barghs: ut zut hier zwat van de witte paoters (=het ziet hier zwart van de witte paters)
  37. Arnhems: Ik heb een geel zwert hert (=Ik heb een geel zwart hart)
  38. Giesbaargs: op zwart zaat zitten, a zie ze vliegen (=arm zijn)
  39. Zunderts: zo zwart as nen turk (=heel vuil zijn)
  40. Lebbeeks: oeilenbrander: Zoeë zwèt as nen oeilenbrander (=Zo zwart als roet / heel vuil)
  41. Evergems: Zue zwart of muerkes kluedn (=Pekzwart)
  42. Zeeuws: ie ei a vee t zwarte snie-ew e zien (=ellende)
  43. Westerkwartiers: hij beschit zien eig'n nust (=hij maakt z'n eigen gezin zwart)
  44. Sittards: De roo luip in de portemenee höbbe (=Op zwart zaad zitten)
  45. Brakels: zuu zwart as mollekies kluut'n (=pekzwart)
  46. Hamonter: viejf zwerte bjonnen in u stjekkendjuske (=vijf zwarte bonen in een luciferdoosje)
  47. Oudenbosch: ij zit op zwart zaod (=hij is door zijn geld heen)
  48. Zwartebroeks: aarges de naom van hên (=ergens om bekend staan)
  49. Zwartebroeks: een reupel umgaon (=een plek opschuiven)
  50. Zwartebroeks: Liek veur z'n haarses! (=Recht voor z'n kop!)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen