50 dialectgezegden bevatten `geld`
- ë spier stroj ès mès en ën sent ès viël geld (=wie het kleine niet eert...zal nooit rijk worden) (Munsterbilzen - Minsters)
- E zitj zonder smaad (=Zijn geld is op) (Liedekerks)
- Ê-je niet dan ke-je niet (=als je geen geld heb, kan je niet mee/meedoen) (Volendams)
- ée goatter geen putjes mee zeeken (=hij gaat mijn geld niet opdoen) (Sint-Laureins)
- een gat in j'n and'n en (=gemakkelijk geld verteren) (Veurns)
- een sent ès geld en e spier stroj ès mès (=ook kleine dingen kunnen belangrijk zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- een zunege vrouw is de beste spoarpot (=het is een zegen een vrouw te hebben die met geld kan omgaan) (Westerkwartiers)
- een zweer in uw zak (=veel geld in uw zak) (Antwerps)
- eer kieze vër ze geld (=handje contantje) (Munsterbilzen - Minsters)
- êi gâit op ze êige (=je verdiende geld niet meer hoeven overdragen aan je ouders) (Volendams)
- Ei zie zwart van 't geld (=Hij is rijk) (Hansbeeks)
- ei zit op druug zoat (=hij heeft geen geld meer) (Zottegems)
- ek hin held ek hin zurrehun (=geld) (Zeeuws)
- en is eschutteld in 't geld (=hij heeft veel geld) (Veurns)
- en is wel estrieveld (stro er onder) (=hij heeft veel geld) (Veurns)
- èn zen maole lotte zitte (=zich geld laten aftruggelen) (Munsterbilzen - Minsters)
- Es 'k 't geld in un beschètu pampierku zò krijgu dan zò'k ut nie afsloan (=Als ik het geld in een bescheten papiertje zou krijgen dan zou ik het niet afslaan) (Brakels (gld))
- ët geld geet haaj doër de sjoo op (=ze stoken hier veel te hard) (Munsterbilzen - Minsters)
- ët geld lik op stroeët, de hoes ët alleen nog mèr op te raopë (=je hoeft niet veel te zoeken, je kan gemakkelijk geld verdienen) (Munsterbilzen - Minsters)
- ët geld was mich nie op mënë règ (=geef eens wat minder uit !) (Munsterbilzen - Minsters)
- ët kump nie trop aoën wëlke kleiër oos poeske hèt, at ze mér maajs vink (=in politiek telt geen partijkleur, als je maar geld vangt !) (Munsterbilzen - Minsters)
- ët lank loeëte hange (=je geld (te) snel uitgeven) (Munsterbilzen - Minsters)
- ët lank loëten hange (=veel geld uitgeven) (Munsterbilzen - Minsters)
- ët toppunt van koeraasj : met zën lèste sente nog ne nauwe porteful kope (=het toppunt van optimisme : met je laatste geld een nieuwe portefeuille kopen) (Munsterbilzen - Minsters)
- Eure vin goa me zinne noe en zinne non, no de pos, achter gêl (=Haar man gaat met zijn hoed op, en zijn hond, naar de post, om geld) (kortrijks)
- Ga hed van ewwe zot getrokke zeker. (=Heb je geld gekregen) (Geels)
- ge gao me nog plat rinneweern (=je zult me nog veel geld kosten) (Kortemarks)
- Ge moet oew traktementniej òlling versnètteren (=Je geld niet opmaken aan onbenullige zaken) (Rosmalens)
- ge peist da gaalt 't op minne rug groeit zeker (=gij denkt dat ik geld teveel heb zeker) (Sint-Niklaas)
- geine roeëje kruitser höbbe (=geen geld hebben) (Heitsers)
- gekend gelijk slecht geld (=slecht befaamd iemand) (Lovendegems)
- gekend link 't ooëluk geld (link 't slich geld) (=alom bekend) (Waregems)
- geld bij de woar (=contant betalen) (Westerkwartiers)
- geld breek'n med amers (geld breken met hamers) (=iets onnodig vervangen) (Wevelgems)
- geld dut alle deur'n oop'm (=met geld kun je alles bereiken) (Westerkwartiers)
- geld és drek mér én drek plante ze bloeme en griente (=geld is niet waard om voor te leven, maar het maakt het leven meer waard) (Bilzers)
- geld gebreikste, mér van minse hülste (=Vriendschap is met geen geld te betalen) (Bilzers)
- geld het de haalve wereld (=met geld kun je veel bereiken) (Westerkwartiers)
- geld is de sleudel die op alle slött'n paast (=iedereen wil graag iemand ontmoeten die geld bezit) (Westerkwartiers)
- geld mik nie helukkig -hin ok nie (=geld) (Zeeuws)
- geld moet rolle, zaachte bankier, mèr dan liefs meine kant op! (=geld maakt niet gelukkig, maar gelukkig maken ze veel geld) (Munsterbilzen - Minsters)
- geld mok nie gelèkkëg, gee geld heilegans nie (=een beetje geld kan geen kwaad) (Munsterbilzen - Minsters)
- geld mok nie gelèkkig, mér gelékkig maoke ze geld (=geluk is niet te koop, maar iedereen heeft er veel (geld) voor over) (Munsterbilzen - Minsters)
- geld stink nie en hèt ook geen kleir (=van geld wil niemand de afkomst kennen) (Munsterbilzen - Minsters)
- geld verdienn lik sliek (=veel geld verdienen) (kortemarks)
- geld verdoen (=geld uitgeven) (Veurns)
- geld zik geld (=rijken trekken altijd op met andere rijken) (Munsterbilzen - Minsters)
- geld zocht geld (=een rijke vrijer zoekt een rijk meisje) (Westerkwartiers)
- geldj is mer drek, mer dae 't gein heet stieët te kieke wi-j 'ne gek (=geld is onmisbaar) (Weerts)
- gene naugel voor aan zijn gat te krappen (=arm zijn, niet veel geld hebben) (Kalkens)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen