trouwen

werkw.
Uitspraak:  [ˈtrɑuwə(n)]
Vervoegingen:  trouwde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  is getrouwd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

voor de wet of de kerk beloven dat je gaat samenwonen en voor elkaar en je kinderen zult zorgen
Voorbeeld:  `Zij trouwen op zaterdag in het gemeentehuis van het dorp.`
Synoniemen:  huwen, in het huwelijk treden

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
huwen in het huwelijk treden

Spreekwoorden en zegswijzen
• met de linkerhand trouwen (=huwen met een vrouw van lagere adelstand)
• het is altijd rouwen en trouwen (=het leven is een afwisseling van goede en slechte tijden)
Naar de spreekwoorden

6 definities op Encyclo
  1. Trouwen, kijk voor meer informatie bij huwelijk.
  2. •het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen.
  3. 1) Aan elkaar verbinden 2) Als vrouw nemen 3) Bruiloft 4) Echten 5) Huwen 6) In het huwelijk treden
  4. het ja woord geven aan elkaar waarna de bruid en bruidegom zich in de echt verbonden hebben
  5. iemand tot je wettige echtgenoot nemen vb: hij trouwde met haar in de kerk zo zijn we niet getrouwd [dat hebben we niet afgesproken] daar ben je niet mee getrouwd [daar z...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met trouwen:
trouwens

Deze woorden eindigen op trouwen:
hertrouwentoevertrouwenvertrouwenwantrouwenzelfvertrouwen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
trouwen (huwen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `trouwen`.