luid

bijv.naamw.
Uitspraak:  [lœyt]

wat veel geluid maakt
Voorbeeld:  `een luid applaus`
Antoniem:  zacht
Synoniem:  hard

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
druk hard hardop lawaaierig luid klinkend luidkeels luidruchtig rumoerig uit volle borst zwaar

Spreekwoorden en zegswijzen
• iemands geluid niet horen (=niet naar iemand willen luisteren)
• hij heeft de klok horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt (=hij weet er wel iets over, maar kent de juiste toedracht niet)
• de klok luiden maar niet schaften (=wel beloven maar niet doen)
• de klok hebben horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt (=ergens over gehoord hebben, zonder er echt iets van af te weten)
• de grote klok luiden (=op opvallende wijze bekend maken)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je met luid een ander begrip versterken?
luid en duidelijk
Uitdrukkingen die luid betekenen (waarin het woord zelf niet voorkomt):
dat horen en zien je vergaat; stem als een klok; stem als een misthoorn; uit volle borst zingen;

6 definities op Encyclo
  • •veel lawaai producerend.
  • krachtig, overduidelijk te horen vb: met luide stem riep hij ons Synoniem: hard Tegenstelling: zacht
  • [Vergeten woorden] (m. luiden of lui) 1) man 2) (ev. en mv.) mensen, volk [= lui (mv.), Duits Leute (mv.), Fries lju (mv.), IJslands lýður, ~ lied ‘man’, lieden ‘...
  • [Vergeten woorden] (m.) 1) klank, toon, geluid: naar luid van volgens 2) stemgeluid [= Gronings loed, Duits Laut, ~ luid ‘hard klinkend’, geluid, luisteren, luimond, ...
  • 1) Druk 2) Duidelijk hoorbaar 3) Forto 4) Goed hoorbaar 5) Goed verneembaar 6) Hard 7) Hard klinkend 8) Hardop 9) Hel 10) Hoorbaar 11) Inhoud 12) Lawaaierig 13) Luidkeels...
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met luid:
    luid inluid uitluiddeluiddenluidenluidensluiderluidheidluidkeelsluidopluidruchtigluidruchtigheidluidsprekerluidsprekerboxluidsprekerboxenluidsprekerkastluidsprekersluidt

    Deze woorden eindigen op luid:
    dierengeluidgeluidingeluidinluidmotorgeluidstemgeluiduitgeluiduitluidverluidzaalgeluid

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    luid (bn. en in de uitdrukking naar luid van)